ECLI:NL:GHARL:2026:4521

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
21-005400-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit witwassen en andere strafbare feiten

In deze ontnemingszaak is [verdachte] bij arrest van 21 maart 2022 veroordeeld voor witwassen, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel aanvankelijk werd vastgesteld op circa €305.833. Na vernietiging door de Hoge Raad is de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling.

Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel opnieuw vastgesteld, waarbij het startkapitaal van €190.000, afkomstig uit andere strafbare feiten, als onderdeel van het voordeel wordt aangemerkt. Dit startkapitaal is gebruikt voor de handel in auto’s, waarvan de waarde van twaalf voertuigen en een Audi S3 Limousine het eindvermogen vormen.

De waarde van de auto’s is vastgesteld op €243.170,75, waarbij rekening is gehouden met waardevermindering en verbeurdverklaring van drie auto’s. De betalingsverplichting aan de Staat is vastgesteld op €118.238,75, verminderd met de waarde van de verbeurd verklaarde auto’s. Een matiging wegens redelijke termijnoverschrijding is niet toegepast omdat dit reeds door de Hoge Raad is meegenomen.

De beslissing is gebaseerd op artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij ook voordeel uit andere strafbare feiten kan worden ontnomen. De vordering van het Openbaar Ministerie is deels gevolgd, terwijl het standpunt van de verdediging dat witwassen geen voordeel oplevert, is verworpen.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €243.170,75 en legt een betalingsverplichting van €118.238,75 aan [verdachte] op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005400-24
Uitspraak van 16 juli 2026
TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 juli 2020 met parketnummer 16-706788-17 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen

[verdachte] ,

gevestigd in [adres]

Het procesverloop

In de strafzaak
In de strafzaak is [verdachte] (hierna: [verdachte] ) bij vonnis van 9 juli 2019 en (na het instellen van hoger beroep) bij arrest van 21 maart 2022 veroordeeld voor witwassen, begaan door een rechtspersoon. Tegen het arrest is cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie verworpen (ECLI:NL:HR:2024:1816), zij het dat de opgelegde geldboete wegens de overschrijding van de redelijke termijn is gematigd. De veroordeling in de strafzaak is daarmee onherroepelijk geworden.
In de ontnemingszaak
In de ontnemingszaak heeft de rechtbank bij vonnis van 17 juli 2020 het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 316.346,00 en de betalingsverplichting vastgesteld op datzelfde bedrag. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft bij arrest van 21 maart 2022 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 305.833,00 en de betalingsverplichting vastgesteld op datzelfde bedrag. Tegen dit arrest is beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 10 december 2024 ( nummer 22/01091 P ; ECLI:NL:HR:2024:1821) het arrest van het hof van 21 maart 2022 vernietigd en de zaak teruggewezen naar het hof, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Het arrest van de Hoge Raad heeft tot gevolg dat het hof opnieuw heeft te oordelen over het vonnis van de rechtbank van 17 juli 2020.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing meegewogen wat er is besproken op de zittingen van het hof van 8 april 2026 respectievelijk 2 juli 2026 en op de zitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de betrokkene door haar raadsman, mr. W. Hendrickx, is aangevoerd.

De beslissing waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis. Daarom vernietigt het hof het vonnis. Het hof doet opnieuw recht.

De vordering van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 361.515,00. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie gevorderd dat aan [verdachte] de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
In hoger beroep heeft de advocaat-generaal een ander standpunt ingenomen. Op grond van artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dient het wederrechtelijk verkregen voordeel te worden vastgesteld op € 249.981,00.
Het startkapitaal van € 190.000,00 is door [verdachte] gebruikt om in auto’s te handelen. Ook dit startkapitaal is aan te merken als wederrechtelijk verkregen voordeel omdat het aannemelijk is dat dit startkapitaal is verkregen uit andere strafbare feiten, niet noodzakelijkerwijs door [verdachte] begaan. De vermogensvermeerdering die vervolgens met dit startkapitaal is verkregen, dient te worden aangemerkt als vervolgprofijt en geldt daardoor ook als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan volgens de advocaat-generaal aldus worden vastgesteld aan de hand van de waarde van de auto’s die eigendom waren dan wel op naam stonden van [verdachte] . Deze waarde bedraagt € 249.981,00, opgebouwd uit:
  • i) de vervreemdingswaarde van negen auto’s van € 97.808,00,
  • ii) de waarde van de drie verbeurdverklaarde auto’s van € 124.932,00 , en
  • iii) de waarde van de niet inbeslaggenomen Audi S3 Limousine van € 27.241,00.
Aan [verdachte] dient een betalingsverplichting te worden opgelegd van € 125.049,00, omdat rekening moet worden gehouden met de drie verbeurd verklaarde auto’s. Omdat er conservatoir beslag ligt op de opbrengst € 97.808,00 uit de verkoop van negen beslagen auto’s dient nog een bedrag van € 27.241,00 te worden uitgewonnen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat er geen wederrechtelijk verkregen voordeel meer is, dan wel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bepaald bedrag kan worden gesteld en de betalingsverplichting op nihil. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad heeft de raadsman aangevoerd dat witwassen op zichzelf geen voordeel oplevert en verzoekt hij het hof daarom het standpunt van de advocaat-generaal niet te volgen. Dat de advocaat-generaal de grondslag van de ontnemingsvordering nu verandert van het tweede lid naar het derde lid van artikel 36e Sr kan niet. Mocht de Audi S3 Limousine worden betrokken bij de berekening van het voordeel, dan dient het hof uit te gaan van een lagere waarde dan de toenmalige taxatiewaarde. Tot slot zal een matiging moeten plaatsvinden op de betalingsverplichting wegens de overschrijding van de redelijke termijn en de omstandigheid dat de bestuurder van [verdachte] in een eigen ontnemingszaak is veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 52.000,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Oordeel van het hof

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van wettige bewijsmiddelen [1] schat het hof het door [verdachte] verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel op
€ 243.170,75. Het hof legt hierna uit hoe het tot deze beslissing is gekomen.
Juridisch kader
Artikel 36e lid 3 Sr luidde ten tijde van de in de strafzaak bewezenverklaarde periode – zie hierna – als volgt:
“Op vordering van het Openbaar Ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen”
Op grond van artikel 36e lid 3 Sr kan ook worden ontnomen wederrechtelijk voordeel waarvan het aannemelijk is dat de betrokkene dat heeft verkregen uit een ander strafbaar feit dan waar hij voor is veroordeeld. Dat andere strafbare feit hoeft in beginsel niet door de betrokkene zelf te zijn gepleegd.
Het staat de rechter vrij om te kiezen op welke grondslag de schatting van het voordeel wordt gebaseerd. Rechtsoverweging 2.9 uit het arrest van de Hoge Raad van 10 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1821) geeft daar overigens in deze zaak aanleiding toe.
Toepassing in deze zaak
[verdachte] is bij arrest van dit hof van 21 maart 2022 (21-003906-19) veroordeeld voor witwassen van een geldbedrag van € 190.000,00, begaan door een rechtspersoon in de periode van 3 februari 2016 tot en met 25 april 2018 .
Uit het strafdossier, het arrest in de strafzaak en de behandeling van de ontnemingsvordering op de zitting in het onderhavige hoger beroep, blijkt dat [verdachte] financieel voordeel heeft behaald uit zowel het bewezenverklaarde feit van witwassen als uit ‘andere strafbare feiten’, zoals bedoeld in artikel 36e lid 3 Sr.
De onderneming van [verdachte] is gestart op 3 februari 2016 . De handelsactiviteiten van [verdachte] betroffen de aan- en verkoop van auto’s en de verhuur daarvan. [verdachte] beschikte over een startkapitaal van € 190.000,00, dat in contanten is ingebracht in de onderneming van [verdachte] . Het hof heeft in het arrest in de strafzaak [2] vastgesteld dat dit contante geldbedrag van € 190.000,00 geen legale herkomst heeft maar dat dit uit misdrijf afkomstig is. Aan het dossier is geen enkele aanwijzing te ontlenen dat er voor [verdachte] een verplichting bestond tot terugbetaling van dit startkapitaal, dan wel dat tegenover het inbrengen daarvan in haar onderneming voor [verdachte] een reële tegenprestatie bestond. Het hof concludeert dan ook dat dit startkapitaal van € 190.000,00 onderdeel is geworden van het vermogen van [verdachte] en dat ook het startkapitaal door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. Daaraan doet niet af dat het hof niet kan vaststellen uit welk(e) strafbare feit(en) dit startkapitaal precies afkomstig is en wie die strafbare feiten of dat strafbare feit heeft begaan. Wel is naar het oordeel van het hof aannemelijk dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat [verdachte] de beschikking heeft gekregen over dit startkapitaal. Op grond van artikel 36e lid 3 Sr kan dit worden ontnomen, omdat voor witwassen ten tijde van het bewezenverklaarde een geldboete van de vijfde categorie kon worden opgelegd.
[verdachte] heeft met het startkapitaal van € 190.000,00 auto’s aangekocht en zich daarmee schuldig gemaakt aan witwassen. De met het startkapitaal behaalde vermogensvermeerdering is vervolgprofijt en kan daarom ook worden aangemerkt als door [verdachte] wederrechtelijk – uit eigen misdrijf – verkregen voordeel. Ook deze vermogensvermeerdering kan worden ontnomen op grond van artikel 36e lid 3 Sr.
Het hof is van oordeel dat het
totaledoor [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel gelijk gesteld kan worden aan de som van:
(i) het startkapitaal van € 190.000,00, en;
(ii) de daarmee behaalde vermogensvermeerdering.
De uitkomst van deze som is gelijk aan de waarde van het ‘eindvermogen’ van [verdachte] . De enige bekende vermogensbestanddelen van [verdachte] zijn de twaalf, op 25 april 2018 onder [verdachte] in beslag genomen auto’s en de Audi S3 limousine die (ook nu nog) op naam van [verdachte] staat. Het hof stelt daarom het eindvermogen van [verdachte] gelijk aan de waarde van deze dertien auto’s.
Bij de berekening van de waarde van de in beslag genomen en door justitie reeds verkochte auto’s gaat het hof uit van de vervreemdingswaarde op de beslaglijst [3] , rekening houdend met artikel 36e lid 5 Sr, waaruit volgt dat uitgegaan moet worden van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald:
Auto
Waarde (€)
Skoda Fabia met kenteken [kenteken]
3.878,00
Volkswagen Golf met kenteken [kenteken]
17.033,00
Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken]
2.617,00
Mercedes Benz met kenteken [kenteken]
14.687,00
Skoda Fabia met kenteken [kenteken]
1.777,00
Mercedes Benz AMG met kenteken [kenteken]
21.000,00
Volkswagen Polo met kenteken [kenteken]
4.574,00
Chevrolet Camaro met kenteken [kenteken]
20.000,00
Mercedes C180 met kenteken [kenteken]
12.242,00
De totale waarde van deze negen, reeds verkochte auto’s is
€ 97.808,00.
Bij de verbeurd verklaarde auto’s zal het hof uitgaan van de aankoopwaarde zoals deze was opgenomen in de administratie van [verdachte] c.q. de taxatiewaarde van de auto’s. Dit komt concreet op het volgende neer:
Auto
Waarde (€)
Mercedes AMG met kenteken [kenteken]
54.000,00 [4]
Audi R8 Quatro met kenteken [kenteken]
43.000,00 [5]
Audi S3 met kenteken [kenteken]
27.932,00 [6]
De totale waarde van deze drie auto’s wordt geschat op
€ 124.932,00.
Voor de Audi S3 Limousine met kenteken [kenteken] geldt dat dit het enige voertuig is dat niet in beslag is genomen. Dit volgt uit het procesdossier (p. 17 van het dossier) en het verhoor met de statutair bestuurder van [verdachte] (p. 416 van het dossier) waarin deze geen antwoord wil geven op de vraag waar deze auto zich bevindt. Omdat deze auto wel nog steeds op naam van [verdachte] staat [7] en onderdeel is het vermogen van [verdachte] , dient ook de waarde van deze auto betrokken te worden bij de berekening van het verkregen voordeel. Het hof is met de raadsman van oordeel dat bij de bepaling van de waarde van de auto moet worden uitgegaan van een lager bedrag dan de taxatiewaarde van € 27.241,00 [8] , in het licht van artikel 36e lid 5 Sr. De waarde van de auto zal immers met het verstrijken van de tijd zijn gedaald. Daarom wordt op de taxatiewaarde een matiging toegepast van 25%. De waarde van de Audi S3 Limousine wordt daarmee geschat op
€ 20.430,75.
Gelet op het voorgaande schat het hof het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel op:
€ 243.170,75(= € 97.808,00 +/+ € 124.932,00 +/+ € 20.430,75).
Verplichting tot betaling aan de Staat
De betalingsverplichting zal worden vastgesteld op een lager bedrag dan het wederrechtelijk verkregen voordeel. De betalingsverplichting dient namelijk te worden verminderd met
€ 124.932,00, de waarde van de drie verbeurd verklaarde auto’s. [verdachte] kan deze auto’s niet langer naar eigen inzicht en behoefte uitnutten.
Er zal geen matiging van de betalingsverplichting plaatsvinden vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Door de Hoge Raad is in de strafzaak rekening gehouden met die overschrijding. Het hof volstaat in deze ontnemingszaak met de enkele constatering dat dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.
Ook zal geen vermindering van de betalingsverplichting plaatsvinden met het bedrag van
€ 52.000,00 dat is ontnomen van de statutair bestuurder van [verdachte] . Voor zover de raadsman heeft bedoeld dat dit bedrag ten behoeve van de statutair bestuurder is onttrokken aan het vermogen van [verdachte] , geldt dat deze vermogensvermindering al betrokken is in de berekening van het wederrechtelijk voordeel, dat immers gelijk is gesteld aan het eindsaldo van het vermogen van [verdachte] .
Voor de volledigheid merkt het hof op dat op het geldbedrag van € 98.707,00 conservatoir beslag rust. Dit bedrag is gelijk aan de totale vervreemdingswaarde ofwel de opbrengst uit de verkoop van negen in beslag genomen auto’s. In de executiefase (en dus niet in deze beslissing) kan dit bedrag worden verrekend.
Het hof stelt daarom de verplichting tot betaling aan de Staat vast op een bedrag van
€ 118.238,75(= € 243.170,75 -/- € 124.932,00).

De wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 243.170,75 (tweehonderddrieënveertigduizend honderdzeventig euro en vijfenzeventig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 118.238,75 (honderdachttienduizend tweehonderdachtendertig euro en vijfenzeventig cent).
Aldus gewezen door
mr. D. Stikkelbroeck, voorzitter,
mr. D.R. Sonneveldt en mr. O.O. van der Lee, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T. Lammerdink, griffier,
en op 16 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [inspecteur] , inspecteur van politie en werkzaam als financieel rechercheur binnen de Eenheid [locatie] , Dienst Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek LYKOS / MDRAA17018, gesloten en getekend op 20 juli 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 maart 2022 met parketnummer 21-003906-19, p. 4-8.
3.De beslaglijst, p. 3 (van die beslaglijst.
4.Het proces-verbaal met documentcode FIN-DOS-01 (onderzoek LYKOS / MDRAA17018), p. 14.
5.Het proces-verbaal met documentcode FIN-DOS-01 (onderzoek LYKOS / MDRAA17018), p. 364.
6.Het proces-verbaal met documentcode FIN-DOS-01 (onderzoek LYKOS / MDRAA17018), p. 15.
7.Een schriftelijk bescheid, te weten de RDW-uitdraai van 1 juli 2026.
8.Het proces-verbaal met documentcode FIN-DOS-01 (onderzoek LYKOS / MDRAA17018), p. 15.