16.15uur een hoop lawaai hoorde. Ze hoorde gestommel en geschreeuw. Dit geluid kwam
van de beneden verdieping. Ze is naar het balkon gelopen. [naam 2] zag vervolgens dat haar onderbuurman, [benadeelde] , door het raam naar buiten kwam. [benadeelde] zat volgens [naam 2] helemaal onder het bloed. Volgens [naam 2] was zijn neus kapot. [naam 2] zag [benadeelde] vervolgens
achterover op zijn rug vallen. Ik hoorde dat [naam 2] zei dat ze vanaf het balkon aan [benadeelde] vroeg wat er was gebeurd. Ze hoorde [benadeelde] zeggen dat hij was vastgebonden met tie-wraps en dat hij was mishandeld.
9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 14 september 2021 (als bijlage op pagina 24 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van [medeverdachte 2] :
V: Heb je een auto?
A: Ja.
V: Wat voor auto heb je?
A: Audi en een bedrijfsbus.
V: Wie maken er gebruik van jouw auto(’s)
A: De Audi is voor privé. De bus is voor zakelijk gebruik.
V; Wat voor type Audi is het?
A: Een nardo grey, type RS3.
V: Sinds wanneer heb je die Audi?
A: Sinds januari 2021.
10. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen camerabeelden [adres 3] d.d. 27 augustus 2021 (als bijlage op pagina 194 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als relaas van verbalisanten:
15 mei 2021, 16:35:48 uur
Aangever [benadeelde] verklaart dat hij op 15 mei 2021 is mishandeld en vastgebonden is in zijn woning. Nadat de mannen de woning hadden verlaten kwam zijn broer [getuige] , de woning binnen. Kort daarna zijn aangever en zijn broer samen vetrokken in de auto van [getuige] , te weten een Zwarte VW polo voorzien van het [kenteken] . Op 15 mei 2021 om 16:35:48 uur, komt de auto (
het hof begrijpt: van [getuige] )in beeld komende uit de richting van de PD.
11.
De waarneming van het hofter terechtzitting van het hof d.d. 13 januari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De voorzitter deelt mede:
Ik zie op de foto’s bloedende wonden op de handen en in het gezicht van aangever.
Het dossier en de bewijsmiddelen geven het hof aanleiding voor de volgende overwegingen.
Aangever heeft op 15 mei 2021 aangifte gedaan. Hij verklaart dat hij moest toestaan dat [medeverdachte 2] een hennepkwekerij in de woning van aangever zou opzetten. [medeverdachte 2] kwam een of twee keer per week langs om de planten te voeden. Verder kwam er niemand anders.
Aangever verklaart in de aangifte dat de kwekerij is geript op 13 mei 2021. Aangever heeft zijn broer [getuige] toen gevraagd hem op te halen, omdat hij niet in zijn woning durfde te blijven. [getuige] heeft hem opgehaald en aangever heeft [medeverdachte 2] een bericht gestuurd dat de kwekerij is leeggehaald. Op 14 mei is aangever met zijn broer samen naar zijn woning gegaan om wat spullen te halen. [medeverdachte 2] heeft aangever bericht dat hij met hem op 15 mei wilde afspreken in de woning van aangever. Op 15 mei was aangever weer in zijn woning. Hij zag [medeverdachte 2] aan komen rijden om 16.20 uur. Hij deed de deur open en liet [medeverdachte 2] binnen. Er kwamen direct twee andere mannen de woning in. Een van de mannen, verdachte, herkende aangever omdat hij hem vaker bij [medeverdachte 2] had gezien, de andere man kende hij niet. Aangever werd gelijk mishandeld door de drie mannen. Hij werd geslagen en geschopt en bij zijn keel gepakt. Ze schreeuwden “we maken je dood als je niet vertelt waar de handel is.” Er werden dingen uit zijn woning naar hem toegegooid en hij werd met dingen uit de woning geslagen. Zijn salontafel is op hem gegooid en hij werd hard geslagen met de ijzeren staaf van de stofzuiger. Op een gegeven moment werden er tie-wraps om zijn handen en benen gedaan en ze gingen door met de mishandeling. Aangever heeft zelf ook witte tie-wraps in huis, zo verklaart hij, maar die waren niet zo lang als de tie-wraps waarmee hij werd vastgebonden. Uiteindelijk zijn de mannen vertrokken en is aangever gevlucht door het kapotte raam aan de achterzijde van zijn woning en sprak daar nog kort met zijn bovenbuurvrouw [naam 2] . Toen hij het idee kreeg dat ze weg waren is aangever weer teruggegaan en toen was zijn broer [getuige] ook bij de woning. Ze zijn gelijk met de auto weggegaan. In het verhoor op 16 mei 2021 verklaart aangever nog dat de derde man lang was, donkerblond met een lok in zijn haar die naar rechts was gekamd en een blanke huidskleur had.
Ook [getuige] wordt door de politie gehoord. Hij verklaart dat aangever op 15 mei 2021 met zijn vriendin mee is gereden naar [plaats 1] . [getuige] zou hem weer ophalen. Aangever had hem verteld dat hij met [medeverdachte 2] had afgesproken om te praten. Toen hij aankwam bij de woning van aangever zag [getuige] drie jongens via de voordeur van aangever naar buiten stormen. Hij zag ook de auto van [medeverdachte 2] staan, een grijze Audi RS3. Hij herkende verdachte en [medeverdachte 2] . De derde jongen kende hij niet. Die was lang, slank, had kort haar en een beetje een babyface. Binnen zag hij dat aangever via een raam aan de achterzijde de woning ontvlucht was. Aangever lag op de grond en riep [naam 2] . Hij was angstig en bebloed.
Bovenbuurvrouw [naam 2] verklaart dat ze veel lawaai hoorde en dat ze haar onderbuurman, aangever, via het raam naar buiten zag komen. Hij zat onder het bloed. Hij zei dat hij met tie-wraps was vastgebonden en was mishandeld.
Op een van de inbeslaggenomen tie-wraps wordt een DNA mengprofiel aangetroffen van DNA van aangever en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid DNA van [medeverdachte 1] . De verbalisanten zien bij het verhoor van [medeverdachte 1] dat hij past in het signalement van de derde dader.
In hoger beroep zijn [benadeelde] en [getuige] op verzoek van de verdediging op 26 juli 2024 gehoord door de raadsheer-commissaris. Beiden leggen dan een volslagen andere verklaring af dan de verklaringen die zij kort na het tenlastegelegde feit bij de politie aflegden.
Aangever verklaart bij de raadsheer-commissaris dat hij inmiddels weet dat een dealer waar hij een conflict mee had de kwekerij heeft geript. Diezelfde dealer is ook degene geweest die hem heeft mishandeld. Hij heeft tegen de politie gelogen dat verdachte en de medeverdachten hem hebben mishandeld, omdat hij woest was en dacht dat [medeverdachte 2] hem had geript. Alleen [medeverdachte 2] had een sleutel van de kwekerij. Hij verklaart ook de namen van verdachte en [medeverdachte 1] te hebben genoemd, terwijl hij hen helemaal niet heeft gezien. Zij waren destijds de helpers bij het opbouwen van de kwekerij met [medeverdachte 2] in zijn woning. Hij kende verdachte niet, zijn broer kende verdachte wel. Aangever is wel mishandeld, alleen waren verdachte en de medeverdachten niet de daders. Er is op die 15 mei 2021 wel een overleg geweest met [medeverdachte 2] . Zijn broer [getuige] was daar ook bij. Ze spraken elkaar in de woning van aangever.
[getuige] verklaart bij de raadsheer-commissaris dat zijn broer [medeverdachte 2] een hak wilde zetten, omdat hij dacht dat hij hem had geript. Hij heeft bij de aangifte een beetje met zijn broertje ‘meegeluld’, zo verklaart hij. Hij vertrouwde erop dat zijn broer een eerlijke verklaring had afgelegd. Hij was ook helemaal niet in de woning van zijn broer geweest, hij had het allemaal van zijn broer gehoord. Zijn broer sprong eigenlijk gelijk bij hem in de auto. Die middag bij de woning van aangever heeft hij geen mensen gezien. Hij heeft ook geen letsel gezien bij zijn broer. Hij heeft wel een Audi gezien, maar daar zijn er wel meer van. Hij geloofde zijn broer en praatte daarom maar wat met hem mee. Nu weet hij dat zijn broer niet de waarheid heeft verklaard, aldus [getuige] . Hij is ook nooit bij de politie geweest, de politie heeft alleen thuis met hem gepraat.
Ook op de zitting van het hof zijn aangever en zijn broer gehoord. Aangever verklaart dan dat hij een schuld had bij dealers die hun geld kwamen opeisen. Zij hadden hem op die donderdag
(het hof begrijp: 13 mei 2021)geript. Hij had expres een foutieve verklaring afgelegd bij de politie omdat hij dacht dat [medeverdachte 2] hem had geript. Daarom heeft hij hem ten onrechte beschuldigd van de mishandeling, terwijl dat ook de dealer was. Als het hof aangever vraagt wie zijn dealer is antwoordt aangever dat hij daar geen contact meer mee kan krijgen. Als het hof aangever vraagt waarom de dealer hem zou mishandleen en zeggen “Je heb twee dagen de tijd om de handel terug te krijgen, anders maken we je af” als hij zelf degene is geweest die de handel heeft gestolen antwoordt aangever dat de dealer dat zei om de ripdeal te maskeren. Aangever verklaart verder dat hij terug is gegaan naar de woning op 14 mei en met [medeverdachte 2] had afgesproken op zaterdag 15 mei om 16.00 uur. Dat was een normaal gesprek over dat hij was geript. Daar was verder niemand anders bij aanwezig. Hij heeft [getuige] gezegd wat hij tegen de politie moest zeggen. Hij komt er nu op terug omdat het oneerlijk is. Hij noemde de andere twee mannen (verdachte en [medeverdachte 1] ) omdat hij ze samen met [medeverdachte 2] had gezien bij het opzetten van de kwekerij in zijn woning. De dealer heeft hem mishandeld, die wilde meer en meer geld. Dit was de manier om schuld te innen. Hij had een schuld van € 18.000,00 opgebouwd bij de dealer. Aansluitend aan het gesprek met [medeverdachte 2] is hij opgehaald door zijn broertje, die op hem wachtte in de auto, en is naar [plaats 3] gegaan. Op vragen van het hof wanneer hij dan mishandeld is, omdat om 17.00 uur de politie op zijn eigen verzoek al in [plaats 3] was, antwoordt hij dat hij na het gesprek met [medeverdachte 2] mishandeld is. Hij zegt dan dat hij, nadat hij door zijn broer was opgehaald en naar [plaats 3] was gegaan, nog weer terug is gegaan naar huis om op te ruimen en toen is mishandeld. Het gesprek met [medeverdachte 2] moet volgens hem dus eerder dan 16.00 uur zijn geweest, want de mishandeling was om 16.00 of 16.30 uur. De tie-wraps die voor de mishandeling zijn gebruikt waren van hemzelf, die had hij al een tijd in zijn gereedschapskist liggen. Dat dat niet zo was had hij verzonnen bij de politie om zijn verhaal geloofwaardiger te maken. [getuige] was de hele tijd in de auto.
[getuige] verklaart op de zitting dat hij zijn tweelingbroer geloofde maar dat hij daar op terug is gekomen. Zijn broer vertelde dat hij geript en mishandeld was. Toen heeft hij hem opgehaald en zijn ze naar [plaats 3] gereden. In de auto heeft zijn broer de politie gebeld dat hij klappen heeft gehad en vervolgens is de politie bij [getuige] thuis gekomen. Dat was allemaal op één dag. Hij heeft niets gezien en [benadeelde] alleen maar opgehaald. Hij heeft samen met zijn broer met agenten gesproken in zijn woonkamer. Hij heeft geen verklaring bij de politie afgelegd, aldus [getuige] . Hij zag geen letsel bij zijn broer, zijn broer gebruikte drugs dus hij had altijd wel plekken. Hij heeft [medeverdachte 2] verder niet gezien die dag. Zijn broer stapte in paniek in de auto en ze zijn toen weggegaan. Hij kent [medeverdachte 2] wel, maar verdachte en [medeverdachte 1] niet. Hij heeft zijn broer de ene dag opgehaald en de volgende teruggebracht. Hij is eenmaal heen en weer gereden, niet vaker. Hij meende dat zijn broer mishandeld was, en nu blijkt dat hij misschien wel is mishandeld maar niet door de verdachten.
Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld hoe betrouwbaar de door aangever en zijn broer afgelegde verklaringen zijn.
Het hof acht de bij de raadsheer-commissaris en ter terechtzitting afgelegde verklaringen van aangever en zijn broer niet betrouwbaar. De verklaringen zijn vaag en zeer algemeen van aard in vergelijking met de direct na het feit bij de politie afgelegde verklaringen. Hoewel de hoofdlijnen van die nieuwe verklaringen met elkaar overeenkomen, te weten dat de mishandeling door een ander dan verdachte en de medeverdachten is gedaan, sluiten die verklaringen op andere vlakken niet op elkaar en op de overige bewijsmiddelen aan. Zo verklaart aangever dat [getuige] bij het gesprek met [medeverdachte 2] was (overigens verklaart hij later weer van niet) en [getuige] dat hij alleen maar in de auto heeft gezeten. [getuige] verklaart geen letsel bij aangever te hebben gezien, terwijl verbalisanten op de dag van de mishandeling letsel bij aangever hebben gezien en foto’s hebben gemaakt van verdachte met een bebloed gezicht, oor en hand. [getuige] verklaart op zitting dat het rippen en de mishandeling op dezelfde dag plaatsvonden, aangever verklaart dat het rippen op donderdag 13 mei plaatshad, hij op 14 mei terug is gegaan naar de woning en de mishandeling zich op zaterdag 15 mei heeft voorgedaan. Aangever verklaart eerst dat het gesprek met [medeverdachte 2] om 16.00 uur was, maar als hij ermee wordt geconfronteerd dat dat het tijdstip van de mishandeling is, verklaart hij dat het gesprek dan eerder op de dag moet zijn geweest, voordat hij werd mishandeld. Aangever verklaart dat hij zijn broer zei wat hij moest zeggen, terwijl [getuige] zegt dat hij dacht dat zijn broer de waarheid sprak en hij met hem meepraatte. [getuige] verklaart op zitting enkel in zijn woning met de politie te hebben gesproken, terwijl het dossier een door hem ondertekende verklaring bevat van 4 dagen na 15 mei 2021. Het hof kan slechts gissen naar de motieven van aangever en zijn broer om hun verklaringen in hoger beroep te herzien. Het hof heeft ernstige twijfels bij de in hoger beroep afgelegde verklaringen van aangever en zijn broer en schuift deze als ongeloofwaardig terzijde.
Het hof acht de verklaringen zoals deze bij de politie afgelegd zijn wél betrouwbaar. De verklaringen van zowel aangever als [getuige] zijn gedetailleerd en vertonen een grote mate van consistentie, in het bijzonder ook waar zij verdachte en zijn medeverdachten aanwijzen als de daders.
Bij de politie noemt aangever [medeverdachte 2] direct, terwijl de verdachte en [medeverdachte 1] op andere wijze in beeld komen. Verdachte via herkenning op Facebook en [medeverdachte 1] via DNA-sporen op de tie-wraps waarmee aangever was geboeid. Deze heel specifieke gang van zaken past niet bij de in hoger beroep afgelegde verklaring van aangever dat hij [medeverdachte 2] van de mishandeling wilde beschuldigen omdat hij boos op hem was. In dat geval had het in de rede gelegen dat aangever de drie namen in een keer had genoemd, of alléén de naam van [medeverdachte 2] . Aangever kon tijdens de verklaring bij de politie ook niet weten dat een DNA-profiel dat met [medeverdachte 1] in verband kan worden gebracht zou worden aangetroffen, terwijl het signalement dat aangever en zijn broer van [medeverdachte 1] geven bij [medeverdachte 1] past. Dat het aangetroffen DNA-profiel van één van de daders is past ook bij de verklaring van aangever bij de politie, waar hij zegt dat de mannen geen handschoenen droegen. De verklaring van aangever wordt verder ondersteund door het feit dat de bemonsterde tie-wraps inderdaad van een ander formaat waren dan de andere in zijn woning aangetroffen tie-wraps. Dat aangever nu verklaart bewust over de tie-wraps te hebben gelogen past meer bij het scenario dat hij in hoger beroep de verdachten om hem moverende redenen wil vrijpleiten dan bij het scenario dat hij dergelijke specifieke details verzint om zijn verklaring geloofwaardiger te maken.
[getuige] verklaart bij de politie slechts over dat wat hij zelf zag: de auto van [medeverdachte 2] , waarbij hij een specifiek type en kleur noemt, en dat hij [medeverdachte 2] en verdachte [verdachte] herkent. Hij verklaart een derde persoon te hebben gezien die hij niet kent en gebruikt andere kenmerken om deze persoon te omschrijven dan aangever doet. Deze derde verdachte, [medeverdachte 1] , past in de beschrijvingen die aangever en [getuige] van hem hebben gegeven zonder hem te kennen. Verder beschrijft [getuige] dat aangever angstig en bebloed was. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van bovenbuurvrouw [naam 2] , die ook beschrijft dat aangever bebloed was, en de eerdergenoemde bevindingen en foto’s van verbalisanten. Verder noemt [getuige] een aantal zeer specifieke details, zoals dat het kozijn uit het raam lag en dat aangever naar [naam 2] riep, wat [naam 2] bevestigt. [getuige] noemt veel van deze details op het moment dat hij een aantal dagen later, in afwezigheid van aangever, een verklaring bij de politie aflegt. Dit alles past niet bij het scenario dat [getuige] in hoger beroep schetst: hij praatte slechts mee met dat wat zijn broer hem vertelde. Het past veeleer bij wat [getuige] in eerste instantie verklaart, te weten dat hij de woning binnen is gegaan en zelf heeft gezien dat het raamkozijn eruit lag en aangever met zijn bovenbuurvrouw sprak. Gelet op de verschillende details die de beide broers in hun bij de politie afgelegde verklaringen noemen en de verschillende accenten die ze leggen acht het hof het ongeloofwaardig dat de verklaringen (destijds) op elkaar waren afgestemd.
Het hof is van oordeel dat de bij de politie afgelegde verklaringen betrouwbaar zijn en zal deze voor het bewijs bezigen. Dat er geen nader onderzoek is gedaan naar de stofzuigerbuis waarover aangever heeft verklaard maakt dat niet anders.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is. Verdachte is slechts aangewezen op een foto en het enige wat hem bij de woning van aangever brengt is de verklaring van de getuige. Daarnaast is het enige objectieve bewijs het DNA-materiaal van [medeverdachte 1] , terwijl daar een plausibel alternatief scenario voor is geschetst.
Het hof overweegt dat verdachte is herkend door aangever en zijn broer [getuige] . Aangever had hem eerder gezien, maar kende hem niet. Op Facebook heeft aangever verdachte aangewezen als één van de daders. De broer van aangever herkende verdachte ter plekke. Het hof heeft geen reden om aan deze verklaringen te twijfelen. Het alternatieve scenario over de wijze waarop het DNA op de tie-wraps kan zijn beland acht het hof onaannemelijk. Het hof heeft hiervoor al overwogen dat het de in hoger beroep gewijzigde verklaring dat de tie-wraps die al in het huis van aangever lagen gebruikt zijn voor de mishandeling ongeloofwaardig acht, gelet op de gedetailleerde verklaring daarover die verdachte bij de politie aflegt en het feit dat de grootte van de tie-wraps verschilde van de overige in de woning van aangever aangetroffen tie-wraps.
Het hof verwerpt het verweer en komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad.
Volgens het hof blijkt uit de handelwijze van verdachte en zijn medeverdachten dat zij bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Daartoe overweegt het hof dat verdachte en zijn medeverdachten gelijk bij binnenkomst begonnen met het toepassen van hevig geweld op aangever, waarbij zij alle drie hebben geslagen en geschopt, onder meer op het hoofd en de borst van aangever. Daarbij is de keel van aangever dichtgeknepen en is hij meermaals met kracht geslagen met een stofzuigerbuis en zijn voorwerpen op hem gegooid, waaronder een salontafel en glazen. Aangever heeft verklaard dat hij dacht dat hij zou worden doodgeslagen omdat hij zo hard werd geslagen en getrapt, onder meer op zijn hoofd. Ook hebben verdachten tie-wraps meegenomen om aangever daarmee te boeien en hem weerloos te maken, terwijl zij de mishandeling, die, gelet op de tijdlijn, tenminste tien minuten moet hebben geduurd, –vervolgens hebben voortgezet. Aangever heeft hierbij letsel opgelopen aan hoofd, rug en handen en zijn nier was gescheurd. Dat dit langdurig toegepaste geweld niet daadwerkelijk tot zwaar lichamelijk letsel heeft geleid is in het licht van deze omstandigheden een kwestie van geluk geweest.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten met voorbedachte raad hebben gehandeld. Het hof stelt daartoe voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Het hof overweegt dat het de bedoeling van verdachte en zijn medeverdachten was om aangever een gewelddadig lesje te leren, kennelijk met het oog op het dwingen van aangever de hennep terug te halen. Dit gezamenlijke en vooropgezette plan blijkt uit het feit dat verdachte en zijn medeverdachten direct na binnenkomst zijn overgegaan tot de geweldpleging en deze onafgebroken gedurende ten minste tien minuten hebben voortgezet. Geen van de verdachten heeft zich in die tijdsspanne aan het geweld onttrokken en zij hebben alle drie vergelijkbare geweldshandelingen verricht. Om binnengelaten te worden heeft [medeverdachte 2] gedaan alsof hij alleen was en stonden verdachte en [medeverdachte 1] dusdanig opgesteld, dat dat voor aangever niet meteen zichtbaar was. Ook hadden verdachte en zijn medeverdachten tie-wraps meegenomen om aangever te boeien. Het hof is van oordeel dat het plan is uitgevoerd zoals dat van tevoren tussen de drie verdachten moet zijn afgesproken. Omdat het ging om een vooropgezet plan dat enige voorbereiding en afstemming vergde en waarvoor verdachte en zijn medeverdachten zich moesten begeven naar het huis van aangever, is het hof van oordeel dat zij tijd en gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Omdat niet is gebleken dat een van de verdachten zich ten tijde van de uitvoering van het gebeuren gedistantieerd heeft, neemt het hof aan dat het toegepaste geweldsniveau, dat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven riep, in ieder geval in voorwaardelijke zin in het gezamenlijke plan besloten lag.