ECLI:NL:GHARL:2026:4648

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
200.353.099
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afwijzing zorgregeling vader wegens belang minderjarige

De vader verzocht de rechtbank om een zorgregeling vast te stellen voor zijn dochter, geboren in 2022. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de vader in hoger beroep ging. Het hof verwijst naar een eerder tussenarrest en een aanvullend rapport van de raad voor de kinderbescherming.

Het raadsrapport van 23 april 2026 beschrijft ernstige zorgen over de emotionele veiligheid van de minderjarige, die haar vader anderhalf jaar niet heeft gezien en angst, slaapproblemen en hechtingsproblematiek vertoont. De raad adviseert het contact met de vader voor een jaar te ontzeggen, zodat de dochter kan herstellen en verwerken, en de vader zelfreflectie kan tonen.

Tijdens de mondelinge behandeling bevestigde de moeder dat de therapie voortduurt en dat contact met de vader de situatie kan verslechteren. De vader ontkent culturele verschillen en projecteert angsten, maar dit wordt niet onderbouwd. Het hof oordeelt dat het belang van de minderjarige prevaleert en bekrachtigt de afwijzing van de zorgregeling, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek van de vader om een zorgregeling vast te stellen vanwege het belang van de emotionele veiligheid van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.099
(zaaknummer rechtbank Overijssel 314344)
beschikking van 16 juli 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. A.J.W. Bovenmars-Wilmink,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.M. Elfrink.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 21 oktober 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit het rapport van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) van 23 april 2026.
1.3
Op 30 juni 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. Aanwezig waren:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

2.De motivering van de beslissing

2.1
Zoals het hof in de tussenbeschikking van 21 oktober 2025 heeft overwogen is tussen partijen in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] , geboren [in] 2022 (de zorgregeling). In de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om een zorgregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen afgewezen. De vader is van deze beslissing in hoger beroep gekomen.
2.2
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de beschikking van 21 oktober 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.3
In die beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar en te adviseren over de mogelijkheden van contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] en de draagkracht van [de minderjarige] hierin.
2.4
De raad heeft op 23 april 2026 gerapporteerd. In het raadsrapport is, voor zover hier van belang, het volgende te lezen:

1.Wat betekenen de zorgen en krachten voor het veilig opgroeien van [de minderjarige] in de context van de scheiding?
[de minderjarige] is een driejarig meisje die haar vader inmiddels anderhalf jaar niet heeft gezien. Voor het veilig opgroeien van [de minderjarige] in de context van de scheiding zijn er zowel duidelijke zorgen als belangrijke krachten aanwezig. De grootste zorg is dat [de minderjarige] emotionele onveiligheid heeft ervaren rond het contact met haar vader. Ze uit dit via angst, slaapproblemen, buikklachten, zorgelijk gedrag zoals niet zindelijk meer zijn (terwijl ze dit wel was), en fysieke agressie richting moeder. Opvallend is dat [de minderjarige] in haar spel geen positieve herinneringen of representaties van haar vader laat zien. Ze loopt ook met een boog om vreemde mannen heen, wat wijst op een bredere angst die haar sociale ontwikkeling kan beïnvloeden. Uit de speltherapie komt ook naar voren dat [de minderjarige] bang is dat haar moeder haar in de steek laat, net zoals haar vader dat volgens haar heeft gedaan. Dit wijst volgens de speltherapeut op een verstoord basisvertrouwen en mogelijk hechtingsproblematiek. Daarnaast lijk er sprake van een loyaliteitsconflict. Er is geen voorspelbare of stabiele regeling rond het contact, wat haar onzekerheid verder versterkt. [de minderjarige] weet niet of en zo ja, wanneer er eventueel weer contact gaat zijn met haar vader, wat haar onrustig en angstig maakt. Zij heeft het nodig om hier duidelijkheid over te krijgen zodat zij kan toekomen aan het verwerken van de voor haar traumatische ervaringen.
Een andere zorg is dat vader de signalen van [de minderjarige] tijdens de begeleide omgang onvoldoende herkent of oppakt en weinig bereidheid toont tot zelfreflectie of aanpassing, zoals meerdere malen is geobserveerd door BOR en het wijkteam. Hij staat daarin volgens het wijkteam ook niet open voor hulp.
Tegelijkertijd zijn er ook belangrijke krachten. Haar moeder fungeert als een veilige basis: ze is betrokken, sensitief, zoekt actief hulp en biedt [de minderjarige] emotionele veiligheid en erkenning van haar gevoelens. [de minderjarige] zelf toont veerkracht: ze is sociaal, ondernemend, loopt voor in haar ontwikkeling en begint steeds meer voor zichzelf op te komen. Ze uit haar gevoelens wat meer in de speltherapie en zoekt actief contact. Er is voor haar een betrouwbaar figuur vanuit de hulpverlening betrokken, de speltherapeut. Moeder toont inzicht in haar eigen patronen, werkt aan haar draagkracht en stelt de belangen van [de minderjarige] centraal, ook al is dat emotioneel zwaar. Voor veilig opgroeien betekent dit dat [de minderjarige] een sterke basis heeft in haar moeder en de hulpverlening, maar dat de aanhoudende gevoelens van onveiligheid rond haar vader, en het ontbreken van een duidelijk perspectief, een reëel risico vormt voor haar emotionele ontwikkeling. Veilig opgroeien vraagt nu vooral bescherming tegen overvraging, en tijd en ruimte voor verwerking.
2.Wat moet er voor [de minderjarige] gebeuren om de zorgen voor het veilig opgroeien in de context van de scheiding weg te nemen?
Om de zorgen voor het veilig opgroeien van [de minderjarige] weg te nemen, is het noodzakelijk dat er geen gedwongen of onbegeleid contact met vader plaatsvindt zolang [de minderjarige] angst ervaart en vader geen zelfreflectie laat zien. De speltherapie moet worden voortgezet, met aanwezigheid van moeder zolang [de minderjarige] dat nodig heeft, zodat ze haar ervaringen veilig kan verwerken zonder overweldigd te raken. Moeder moet ondersteund blijven in haar opvoedershandelen, bijvoorbeeld via systeemtherapie of ondersteuning vanuit de wijkcoach, zodat zij [de minderjarige] kan helpen reguleren zonder zelf overbelast te raken. De speltherapeut geeft aan dat contact met vader op dit moment meer kan beschadigen dan helpen. [de minderjarige] moet eerst verwerken wat er is gebeurd. Wel kan het voor de toekomst waardevol zijn dat vader op een laagdrempelige manier laat zien dat hij aan haar denkt, bijvoorbeeld door brieven of kaarten die [de minderjarige] op haar eigen tempo kan bekijken. Eventueel toekomstig contact kan pas starten wanneer [de minderjarige] daar innerlijk ruimte voor heeft, zoals zichtbaar wordt via de therapie, wanneer vader aantoonbaar inzicht heeft getoond in [de minderjarige] 's signalen, en wanneer er een passende, kindgerichte begeleidingsvorm is gevonden die aansluit bij [de minderjarige] wanneer zij er ook zelf aan toe is. [de minderjarige] heeft nu vooral bescherming, rust en verwerking nodig en geen druk tot contactherstel. (…)
Het gerechtshof heeft de raad verzocht om in het onderzoek de culturele verschillen tussen ouders te betrekken en te adviseren over noodzakelijke begeleiding bij eventueel contact. Uit de gesprekken komt naar voren dat vader ontkent dat er sprake is van noemenswaardige culturele verschillen tussen [land1] en Nederland.
Moeder ervaart dit anders. Zij merkte gaandeweg de relatie dat vader haar steeds meer ondergeschikt probeerde te maken met een traditioneel beeld van rolverdeling, waarbij macht, controle en mannelijk overwicht centraal stonden in haar beleving. Dit uitte zich volgens haar in bijvoorbeeld het voorschrijven van kleding, het kleineren van haar positie als vrouw en het beperken van haar vrijheid. Het wijkteam geeft aan dat er geen directe controle of dwang is waargenomen rond cultuur, maar dat vader wel bemoeienis van hulpverlening afwees, geen feedback accepteerde en niet naar zijn eigen aandeel keek. De eventuele cultuurverschillen komen in de speltherapie niet als thema naar voren. De spanning gaat over de persoon vader en niet over zijn culturele achtergrond. Het wordt daarmee voor de raad niet volledig duidelijk wat vader heeft bedoeld tijdens de zitting bij het hof over de culturele verschillen, nu hij aangeeft in het raadsonderzoek dat deze er niet althans nauwelijks zijn.
Samenvattend komt de raad tot het advies dat het contact tussen [de minderjarige] en vader moet worden ontzegd voor een periode van één jaar, zodat [de minderjarige] innerlijk ruimte kan gaan ervaren voor het verwerken van gebeurtenissen. Daarnaast is het belangrijk dat vader aantoonbaar inzicht en verandering toont. Speltherapie en ondersteuning aan moeder worden in de tussenliggende periode voortgezet en vader kan in deze periode uitleg (psycho-educatie) krijgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] en wat de traumatische ervaringen betekenen voor haar en het contact tussen haar en vader.
Conclusie
Op grond van de beantwoording van de onderzoeksvragen komt de raad tot de volgende conclusie:
In het belang van [de minderjarige] adviseert de raad de zorg- en opvoedtaken tussen [de minderjarige] en vader te ontzeggen voor de duur van één jaar, omdat (dreigend) contact(herstel) op dit moment ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] . Het herstellen van contact kan op dit moment niet worden afgedwongen, omdat dan het gevoel van veiligheid van [de minderjarige] wordt geschaad. Het is belangrijk dat [de minderjarige] eerst veiligheid gaat ervaren. Daarna kan zij toekomen aan het verwerken van de gebeurtenissen die zij als traumatisch heeft ervaren en pas daarna kan er onderzocht worden of het contact tussen vader en [de minderjarige] kan worden hersteld en zo ja, of dit contact op een veilige manier kan plaatsvinden.
2.5
Het hof zal overeenkomstig het advies van de raad beslissen. Dat betekent dat het hof - net als de rechtbank - het verzoek van de vader om een zorgregeling vast te stellen zal afwijzen, omdat dit in strijd is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . Dit leidt tot het oordeel dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat (bekrachtigt). Het hof zal deze beslissing hierna uitleggen.
2.6
Het hof onderschrijft de conclusies en aanbevelingen in het raadsrapport. Tijdens de mondelinge behandeling op 30 juni 2026 heeft de moeder onweersproken verklaard dat [de minderjarige] nog steeds wekelijks therapie krijgt. Van die therapie moet [de minderjarige] vervolgens enkele dagen bijkomen. Daardoor gaat zij nog niet naar school. De speltherapeut heeft in dit kader bij de raad verklaard dat er aanwijzingen zijn voor een verstoord basisvertrouwen en mogelijk hechtingsproblematiek. Daarnaast lijkt er sprake van een loyaliteitsconflict. Contact met de vader kan [de minderjarige] volgens de speltherapeut juist meer beschadigen dan haar helpen. Namens de vader is tijdens de mondelinge behandeling op 30 juni 2026 aangevoerd dat de moeder haar eigen angsten mogelijk op [de minderjarige] projecteert, maar dit is door de vader niet nader onderbouwd. Deze stelling vindt bovendien geen steun in de stukken.
Het hof is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zij haar therapie in rust en dus zonder de druk van een mogelijk contactherstel met de vader kan voorzetten en afronden. Pas daarna kan worden bezien of er mogelijkheden zijn om het contact met de vader te herstellen. Het hof weegt verder mee dat in het raadsonderzoek naar voren is gekomen dat de vader niet in staat is om te kijken naar zijn eigen aandeel in de problematiek van [de minderjarige] , dat de vader hulpverlening weigert en dat de vader feedback niet accepteert. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de vader niet in staat is om de belangen van [de minderjarige] voor zijn eigen belangen te stellen.
2.7
De vader heeft tot slot aangevoerd dat het niet gaat om zijn recht op contact met [de minderjarige] , maar om het recht van [de minderjarige] om contact te hebben met de vader. Zoals hiervoor al is overwogen oordeelt het hof dat contact op dit moment in strijd is met het zwaarwegende belang van [de minderjarige] .

3.De slotsom

3.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
3.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 24 januari 2025;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, D.J.M. van de Voort en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 16 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.