ECLI:NL:GHARL:2026:4659

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
200.365.740
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402a lid 1 BWArt. 1:402a lid 5 BWArt. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie: verdeling draagkracht en toepassing wettelijke indexering

In deze zaak staat de kinderalimentatie centraal die de vrouw aan de man moet betalen voor hun gezamenlijke kinderen en andere kinderen waarvoor zij onderhoudsplichtig is. De rechtbank had de alimentatie vastgesteld op € 25 per kind per maand, maar de vrouw ging hiertegen in hoger beroep en verzocht om een lagere bijdrage en het uitsluiten van wettelijke indexering.

Het hof overweegt dat de draagkracht van de vrouw moet worden verdeeld over alle vier de kinderen waarvoor zij onderhoudsplichtig is, maar dat voor één kind geen bijdrage kan worden vastgesteld vanwege gebrek aan bewijs van behoefte. De draagkracht wordt daarom gelijkelijk verdeeld over drie kinderen, wat leidt tot een bijdrage van € 16,50 per kind per maand tot 1 april 2026.

Verder wordt de wettelijke indexering toegepast, omdat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd waarom deze niet zou moeten gelden. De alimentatie wordt vanaf 1 april 2026 op nihil gesteld zolang de kinderen niet bij de man wonen, met herleving zodra zij terugkeren. Het hof vernietigt de eerdere beschikking en wijst het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: De vrouw betaalt vanaf 10 juni 2025 € 16,50 per kind per maand voor drie kinderen met wettelijke indexering, en de alimentatie wordt op nihil gesteld zolang de kinderen niet bij de man wonen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.365.740
(zaaknummer rechtbank Gelderland 452745)
beschikking van 16 juli 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1 1] , gemeente [gemeente1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. G.P.G. Willemse-Schoenmakers,
en
[de bewindvoerder],
handelend onder de naam
[naam1]
kantoor houdende te [vestigingsplaats1] ,
verder te noemen: de bewindvoerder,
verzoekster in hoger beroep,
namens
[verweerder],
wonende te [woonplaats1 2] ,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. B. Willemsen.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 9 december 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 9 maart 2026;
  • het verweerschrift;
  • een journaalbericht namens de vrouw van 26 juni 2026.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 30 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • namens de vrouw haar advocaat,
  • namens de man mr. S. Striekwold.
3. De feiten
3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van:
  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2023, en
  • [de minderjarige2] , geboren [in] 2023.
De ouders zijn samen belast met het gezag over de kinderen.
3.2
De kinderen woonden [van] november 2024 tot 1 april 2026 bij de man. Op 1 april 2026 zijn de kinderen uit huis geplaatst.
3.3
De vrouw heeft daarnaast nog twee kinderen:
  • [de minderjarige3] , geboren [in] 2015, en
  • [de minderjarige4] , geboren [in] 2019.
3.4
[de minderjarige3] woont bij zijn vader en [de minderjarige4] woont in een perspectief biedend pleeggezin. Er is voor [de minderjarige3] en [de minderjarige4] geen door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) vastgesteld.

4.De omvang van het geschil

4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 10 juni 2025 bepaald op € 25,- per kind per maand, welk bedrag in de toekomst bij vooruitbetaling moet worden voldaan.
4.2
De vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en is daarvan in hoger beroep gekomen. De vrouw verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en de kinderalimentatie met ingang van 10 juni 2025 vast te stellen op € 12,50 per kind per maand en daarbij te bepalen dat de wettelijke indexering niet van toepassing is.
4.3
De man heeft gevraagd de bestreden beschikking in stand te laten (te bekrachtigen).
4.4
Op 26 juni 2026 heeft de vrouw haar verzoek in die zin aangevuld dat zij verzoekt om de door haar te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 april 2026 op nihil te stellen dan wel op nihil te stellen zolang de kinderen niet bij de man wonen.
4.5
Tijdens de mondelinge behandeling op 30 juni 2026 hebben beide advocaten namens partijen ingestemd om de door de vrouw te betalen kinderalimentatie op nihil te stellen voor de duur dat de kinderen niet bij de man wonen. Als de kinderen weer bij de man komen te wonen, herleeft de door de vrouw te betalen kinderalimentatie. Het hof zal overeenkomstig beslissen.

5.De motivering van de beslissing

Niet in geschil
5.1
Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil:
  • de ingangsdatum van de door de vrouw te betalen kinderalimentatie, namelijk 10 juni 2025;
  • de behoefte van de kinderen van € 409,- per maand in 2025;
  • de draagkracht van de man van € 110,- per maand in 2025; en
  • de draagkracht van de vrouw van € 50,- per maand in 2025.
Verdeling van de draagkracht
5.2
De vrouw voert in hoger beroep aan dat haar beschikbare draagkracht niet enkel had moeten worden verdeeld over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , maar over alle kinderen voor wie zij onderhoudsplichtig is, dus ook over [de minderjarige3] en [de minderjarige4] .
5.3
Het hof overweegt dat in hoger beroep niet in geschil is dat de vrouw onderhoudsplichtig is voor vier kinderen, namelijk voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] .
5.4
Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte. Indien een ouder verschillende relaties is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, zal niet alleen rekening moeten worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust of kan rusten. Aldus kan de bijdrageverplichting van die andere ouder mede van invloed zijn op het voor een kind uit een eerdere of latere relatie beschikbare gedeelte van de draagkracht van de jegens dat kind onderhoudsplichtige ouder. [1]
5.5
[de minderjarige3] woont bij zijn vader en verblijft onweersproken gemiddeld 2,5 dag per maand bij de vrouw. Door partijen zijn in hoger beroep geen bijzondere omstandigheden gesteld waarom de draagkracht van de vrouw niet ook over [de minderjarige3] moet worden verdeeld. Ook is niet gesteld of gebleken dat de behoefte van [de minderjarige3] afwijkt van die van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Het hof gaat er daarom vanuit dat de behoefte van [de minderjarige3] vergelijkbaar is met de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , zodat de draagkracht van de vrouw gelijkelijk over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] dient te worden verdeeld. Dat er geen afdwingbare kinderalimentatie voor [de minderjarige3] is vastgesteld of overeengekomen, maakt het voorgaande niet anders.
5.6
[de minderjarige4] is uit huis geplaatst. Tijdens een uithuisplaatsing wordt de behoefte van een minderjarige begrensd door de kosten die de verzorgende ouder daadwerkelijk voor het kind maakt. Voor de vaststelling van de omvang van de behoefte van de minderjarige mag van de (oorspronkelijk) verzorgende ouder worden verlangd dat hij of zij alle kosten aannemelijk maakt die hij of zij voor de minderjarige dan nog moet voldoen. De vrouw stelt in hoger beroep dat zij kosten maakt voor [de minderjarige4] , maar zij heeft deze kosten tegenover de gemotiveerde betwisting door de man niet nader met bewijsstukken onderbouwd. Zij heeft ook geen overzicht opgesteld waaruit de concrete uitgaven voor [de minderjarige4] blijken. Het hof is daarom niet in staat om vast te stellen of sprake is van enige behoefte bij [de minderjarige4] op grond waarvan de vrouw een bijdrage voor [de minderjarige4] aan haar vader zou moeten voldoen. Dit komt voor rekening en risico van de vrouw.
5.7
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof de draagkracht van de vrouw van € 50,- per maand zal verdelen over drie kinderen, namelijk [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Dat betekent dat het hof zal bepalen dat de vrouw € 16,50 per kind per maand voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dient te voldoen over de periode van 10 juni 2025 tot 1 april 2026.
Wettelijke indexering
5.8
In artikel 1:402a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is te lezen dat de bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst vastgestelde bedragen voor levensonderhoud jaarlijks van rechtswege worden gewijzigd met een door Onze Minister van Justitie vast te stellen percentage (indexering).
5.9
In artikel 1:402a lid 5 van het BW staat verder dat de wijziging (indexering) van rechtswege bij rechterlijke uitspraak geheel of voor een bepaalde tijdsduur kan worden uitgesloten. Daarbij kan tevens worden bepaald dat en op welke wijze het bedrag voor levensonderhoud anders dan van rechtswege periodiek zal worden gewijzigd.
5.1
Door de wettelijke indexeringsregeling wordt de alimentatie jaarlijks automatisch bijgesteld. De gedachte achter deze indexering van rechtswege is dat daarmee wordt voorkomen dat steeds in nieuwe procedures op grond van artikel 1:401 BW Pro om een verhoging van alimentatie moet worden verzocht, omdat draagkracht en behoefte toenemen door in verband met geldontwaarding stijgende lonen en prijzen.
5.11
De vrouw verzoekt om de wettelijke indexering buiten beschouwing te laten. De vrouw voert in dit kader aan dat de draagkracht van mensen met een minimuminkomen al jaren is vastgesteld op € 50,- per maand. Bij een gelijkblijvend inkomen ontstaat bij indexering een schreefgroei tussen mensen bij wie recent een onderhoudsbijdrage is vastgesteld en mensen aan wie eerder een onderhoudsplicht is opgelegd. De vrouw heeft niet aangeboren hersenletsel (NAH) en ontvangt een WIA-uitkering. Niet te verwachten is dat het inkomen van de vrouw nog zal stijgen.
5.12
Het hof overweegt dat uit het voorgaande blijkt dat het uitgangspunt is dat een vastgestelde of overeengekomen onderhoudsbijdrage aan wettelijke indexering onderhevig is. Het ligt op de weg van de vrouw om ondubbelzinnig aan te tonen dat haar inkomenssituatie indexering van de vastgestelde kinderalimentatie niet mogelijk maakt. De vrouw heeft dit nagelaten. De vrouw stelt weliswaar dat haar inkomen niet stijgt, maar zij heeft dit tegenover de gemotiveerde betwisting door de man niet nader onderbouwd. Daarbij komt dat het een feit van algemene bekendheid is dat door de overheid verstrekte uitkeringen worden geïndexeerd. Door de vrouw is niet nader onderbouwd waarom in deze situatie de vastgestelde kinderalimentatie niet kan worden geïndexeerd. De algemene stelling dat de vrouw het niet eens is met de systematiek van de wettelijke indexering is eveneens onvoldoende om af te wijken van het uitgangspunt dat een onderhoudsbijdrage wordt geïndexeerd.
5.13
Op grond van het voorgaande zal het hof de vast te stellen kinderalimentatie indexeren met ingang van 1 januari 2026.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna te melden.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 9 december 2025, en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van 10 juni 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] € 16,50 per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verstaat dat deze bijdrage is onderworpen aan de wettelijke indexering, voor het eerst per 1 januari 2026;
stelt de door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 april 2026 tot het moment dat de kinderen weer bij de man worden geplaatst op nihil en bepaalt dat de door de vrouw te betalen kinderalimentatie herleeft vanaf het moment dat de kinderen weer bij de man wonen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, L.R. Davila Talavera en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 16 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Hoge Raad 9 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:314)