Deze zaak betreft de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en de nalatenschap van erflater, die in 2022 overleed. Erflater was gehuwd in gemeenschap van goederen met appellant en woonde afwisselend in Nederland, Hongarije en Sierra Leone. Erflater had twee testamenten gemaakt: een in Hongarije waarin zijn dochter tot erfgenaam werd benoemd en afwikkeling in Hongarije werd bepaald, en een in Nederland waarin het Nederlandse recht werd gekozen en de dochter als enige erfgenaam werd aangewezen, met appellant uitdrukkelijk onterfd.
De dochter aanvaardde de nalatenschap beneficiair en vorderde onder meer dat zij als enige erfgenaam werd erkend en dat de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap op haar wijze zou plaatsvinden. De rechtbank wees deze vorderingen toe, maar appellant ging in hoger beroep. Het hof bevestigde de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het toepasselijke Nederlandse recht, oordeelde dat appellant ontvankelijk is in hoger beroep en verwierp de grief over wilsonbekwaamheid omdat deze was ingetrokken.
Partijen bereikten grotendeels overeenstemming over de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, die afwijkt van de rechtbank. Het hof gelastte deze nieuwe verdeling, waarbij onder meer verkoop van goederen en verdeling van opbrengsten centraal staan. Het hof legde appellant op onverkort mee te werken aan de verdeling en bepaalde dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.