ECLI:NL:GHARL:2026:468

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
200.345.898
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 WftArt. 194 RvArt. 195 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over toepasselijkheid Uniform Herstelkader Rentederivaten bij deskundige klant

De zaak betreft een hoger beroep over de toepassing van het Uniform Herstelkader Rentederivaten (UHK) tussen de Volksbank en een maatschap die een renteswapovereenkomst had afgesloten. De maatschap vorderde dat de Volksbank een aanbod zou doen onder het UHK, maar de Volksbank stelde dat de maatschap deskundig was en daarom niet onder het UHK viel.

Het hof oordeelt dat het UHK van toepassing is als normenkader en dat de civiele rechter mag beoordelen of een klant binnen het toepassingsbereik valt. Uit de feiten blijkt dat twee van de vier maten van de maatschap via persoonlijke holdings substantieel vastgoed en financiële activa gerelateerd aan vastgoed bezaten, wat voldoet aan de criteria voor deskundigheid volgens het UHK. De maatschap had daarmee overwegende zeggenschap en valt buiten het UHK.

De rechtbank had de Volksbank veroordeeld tot het doen van een aanbod onder het UHK met dwangsommen bij niet-naleving, maar het hof vernietigt dit bodemvonnis. De dwangsommen zijn terecht geschorst in het kortgedingvonnis, dat het hof bekrachtigt. De maatschap wordt veroordeeld tot terugbetaling van reeds ontvangen bedragen en tot betaling van proceskosten. De vorderingen van de maatschap worden afgewezen.

Uitkomst: Het hof vernietigt het bodemvonnis en oordeelt dat de maatschap deskundig is en buiten het toepassingsbereik van het UHK valt, waardoor de Volksbank niet verplicht was een aanbod te doen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof: 200.345.898 en 200.353.145
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 562477 en 587912)
arrest van 27 januari 2026
200.245.898 in de zaak van
ASN bank N.V.,
(tot 1 juli 2025 geheten de Volksbank N.V.)
die is gevestigd in Utrecht
advocaat: mr. A.J. Haasjes
hierna: de Volksbank
en
[de maatschap]
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. E.J. Bijleveld
hierna: [de maatschap]
en
200.353.145 in de zaak van
[de maatschap]
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. E.J. Bijleveld
hierna: [de maatschap]
en
ASN bank N.V.,
(tot 1 juli 2025 geheten de Volksbank N.V.)
die is gevestigd in Utrecht
advocaat: mr. M.J.A. Jansen
hierna: de Volksbank

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

200.245.898 (bodemzaak)
Na het arrest in het incident van dit hof van 15 juli 2025 [1] heeft op 12 november 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden, gelijktijdig met de mondelinge behandeling in de zaak 200.353.145. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
200.353.145 (kort geding)
[de maatschap] en de Volksbank hebben hoger beroep ingesteld bij het hof tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 5 maart 2025 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het kortgedingvonnis). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding met grieven in hoger beroep;
  • de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep;
  • de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.
Vervolgens heeft op 12 november 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden, gelijktijdig met de mondelinge behandeling in de zaak 200.345.898. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak en de procedures bij de rechtbank

2.1.
[de maatschap] is een maatschap van vier maten die activiteiten ontplooit op het gebied van de aan- en verkoop en het beheer van registergoederen als duurzame belegging. Zij is in 2008 met de Volksbank (toen nog SNS Bank N.V. geheten) een renteswap met een looptijd van tien jaar overeengekomen die is vastgelegd in een rentederivatenovereenkomst.
2.2.
Na de financiële crisis van 2008 is geconstateerd dat banken in het verleden in veel gevallen de wettelijke eisen bij de advisering over derivaten aan niet-professionele partijen onvoldoende hebben nageleefd. Banken hebben daarom herbeoordelingen uitgevoerd van rentederivatenovereenkomsten. Om te voorkomen dat klanten oplossingen mislopen door onjuiste herbeoordelingen, is door drie onafhankelijke deskundigen (hierna: de Derivatencommissie) in opdracht van de Minister van Financiën het Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB (hierna: het UHK) opgesteld. In het UHK is opgenomen op welke MKB-klanten het UHK van toepassing is. Zo mag de klant niet deskundig zijn en is onder meer vereist dat de klant niet-professioneel is in de zin van de definitie van professionele belegger als vastgelegd in artikel 1:1 Wet Pro op het financieel toezicht. Verder is in het UHK beschreven op welke wijze de herbeoordelingen uitgevoerd moeten worden, waarbij het uitgangspunt is dat vier stappen, zoals beschreven in het UHK, moeten worden gevolgd.
Rechtbank
2.3.
De Volksbank is van mening dat [de maatschap] is aan te merken als een deskundige klant, waardoor het UHK niet van toepassing is en [de maatschap] dus niet in aanmerking komt voor een compensatie op grond van het UHK. [de maatschap] is het daar niet mee eens en heeft bij de rechtbank in de bodemzaak primair gevorderd voor recht te verklaren dat [de maatschap] onder het toepassingsbereik van het UHK valt en de Volksbank verplicht is om het derivaat af te wikkelen en [de maatschap] compensatie aan te bieden met toepassing van het UHK en wel na het doorlopen van de vier in het UHK genoemde stappen. Verder heeft zij gevorderd de Volksbank te gebieden om [de maatschap] een aanbod te doen onder het UHK, en wel na het juist en volledig doorlopen van de vier in het UHK genoemde stappen, op straffe van een dwangsom. Subsidiair heeft [de maatschap] een verklaring voor recht gevorderd dat de Volksbank onrechtmatig heeft gehandeld door haar geen compensatieaanbod onder het UHK aan te bieden en dat de Volksbank aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade, nader op te maken bij staat, met het gebod een berekening op te stellen voor de compensatie op straffe van een dwangsom. In beide gevallen met veroordeling van de Volksbank in de proceskosten.
2.4.
De rechtbank heeft in haar vonnis van 1 mei 2024 in de bodemzaak (hierna: het bodemvonnis) [2] de Volksbank geboden om binnen vier maanden na de datum van het vonnis aan [de maatschap] een aanbod te doen onder het UHK, en wel na het juist en volledig doorlopen van de vier in het UHK genoemde stappen, op straffe van een dwangsom van € 5.000 per (gedeelte van een) dag tot een maximum van € 500.000, met haar veroordeling in de proceskosten. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
2.5.
Ter uitvoering van het vonnis heeft de Volksbank tweemaal (op 15 juli 2024 en 21 augustus 2024) een aanbod gedaan aan [de maatschap] . Dit laatste aanbod is op 31 december 2024 herhaald. [de maatschap] meende echter dat de Volksbank daarbij het UHK niet (juist) heeft toegepast en heeft daarom aanspraak gemaakt op dwangsommen. De Volksbank is ter voorkoming van het verbeuren daarvan een executiegeschil gestart bij de voorzieningenrechter.
2.6.
De Volksbank heeft vervolgens in kort geding gevorderd dat de rechtbank [de maatschap] verbiedt over te gaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis en de uitvoerbaarheid daarvan opschort, de dwangsommen opheft of vermindert of de looptijd ervan opschort, telkens tot het moment nadat 14 dagen zijn verstreken nadat er eindarrest is gewezen in de bodemzaak. Verder vordert zij het aanleveren van gegevens op grond van artikel 194 en Pro 195 Rv, met veroordeling van [de maatschap] in de proceskosten.
2.7.
De voorzieningenrechter heeft in het kortgedingvonnis de executie van het bestreden bodemvonnis, uitvoerbaar bij voorraad, geschorst totdat 14 dagen zijn verstreken nadat het hof in het hoger beroep van het bodemvonnis heeft beslist over de verschuldigdheid van de dwangsommen, met compensatie van de proceskosten. Gedurende de procedures in hoger beroep heeft de Volksbank op 2 mei 2025 aan [de maatschap] nog een (derde) aanbod gedaan.
Hoger beroep
200.245.898
2.8.
De bedoeling van het hoger beroep van de Volksbank tegen het bodemvonnis is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. [de maatschap] heeft op haar beurt incidenteel hoger beroep ingesteld en daarin de subsidiaire vordering (zie 2.3) aangevuld, onder meer met de vordering tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 1.500.000. Daarnaast heeft [de maatschap] verklaringen voor recht gevorderd over de vereiste wijze van het doen van een aanbod onder het UHK en dat het door de Volksbank gedane aanbod en nadere aanbod niet aan die vereisten voldeden. Tot slot vordert zij veroordeling van de Volksbank tot betaling van verbeurde dwangsommen en proceskosten.
2.9.
Beide partijen hebben bij hun respectieve memories in het principaal hoger beroep ook incidentele vorderingen ingesteld die zien op het verstrekken van bepaalde stukken. De Volksbank heeft daarnaast een incidentele vordering ingesteld waarin zij heeft gevorderd dat het hof de uitvoerbaarheid van het vonnis van de rechtbank schorst, althans [de maatschap] veroordeelt tot het stellen van zekerheid totdat het hof een onherroepelijk eindarrest heeft gewezen. Het hof heeft in het arrest in het incident van 15 juli 2025 het verzoek van de Volksbank tot het schorsen van de uitvoerbaarheid van het vonnis afgewezen en de beslissingen in de inzagevorderingen en over de proceskosten in het incident aangehouden.
200.353.145
2.10.
De bedoeling van het hoger beroep van [de maatschap] tegen het kortgedingvonnis is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. De Volksbank heeft op haar beurt voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld strekkende tot toewijzing van de vordering in kort geding op een andere grond.
Kern beslissing hof
2.11.
Het hof zal beslissen dat het (normenkader van het) UHK van toepassing is tussen de partijen en dat de civiele rechter kan beoordelen of [de maatschap] binnen het toepassingsbereik van het UHK valt. Verder zal het hof beslissen dat [de maatschap] deskundig is als bedoeld in het UHK en om die reden buiten het toepassingsbereik van het UHK valt, zodat de Volksbank haar terecht geen aanbod heeft gedaan en licht dat hierna toe. Het hof laat het bodemvonnis van de rechtbank dan ook niet in stand. In dat bodemvonnis waren dwangsommen opgelegd. De executie van deze dwangsommen zijn in het kortgedingvonnis terecht geschorst, zodat het hof dit kortgedingvonnis in stand zal laten.

3.De toelichting op de beslissing van het hof in beide zaken

Voorgeschiedenis
3.1.
[de maatschap] is een maatschap opgericht op 1 januari 2007 bestaande uit vier maten: de heren [maat1] , [maat2] , [maat3] en mevrouw [maat4] . Haar activiteiten bestaan uit de aan- en verkoop en het beheer van registergoederen als duurzame belegging en bemiddeling bij handel, huur of verhuur van onroerend goed. Voor de aankoop van een aantal onroerende zaken in Utrecht heeft [de maatschap] op 29 september 2008 een hypothecaire geldlening van € 17.750.000 afgesloten bij SNS Property Finance B.V. Daaraan gekoppeld was een renteswap die [de maatschap] bij de Volksbank (toen nog SNS Bank N.V. geheten) had afgesloten (hierna: het rentederivaat) met een looptijd van tien jaar, namelijk van 1 oktober 2008 tot 1 oktober 2018.
Aanleiding UHK
3.2.
De aanleiding voor het UHK was de vaststelling van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) dat verschillende banken bij het adviseren over en het aangaan van rentederivaten de belangen van MKB-klanten onvoldoende in acht hebben genomen. In maart 2016 heeft toenmalig minister Dijsselbloem van Financiën op advies van de AFM de Derivatencommissie aangesteld om een herstelkader overeen te komen met de banken. Op 19 december 2016 is de definitieve versie van het UHK gepubliceerd. Het UHK bestaat uit twee delen. Deel 1 bestaat uit het herstelkader zelf en deel 2 uit een toelichting
hierop, die bestaat uit vragen en antwoorden (hierna: de toelichting op het UHK).
In het UHK is bepaald hoe de banken herbeoordelingen moeten uitvoeren en welke eventuele herstelacties moeten worden uitgevoerd om MKB’ers die rentederivatencontracten hebben afgesloten te compenseren. De Volksbank heeft zich net als de Coöperatieve Rabobank U.A., ABN AMRO Bank N.V., ING Bank N.V., F. Van Lanschot Bankiers N.V. en Deutsche Bank AG – Netherlands Branch (hierna: de deelnemende banken) gecommitteerd aan het UHK.
Reikwijdte UHK: niet vrijblijvend
3.3.
Volgens de Volksbank is het UHK een regeling waarbij de deelnemende banken
op vrijwillige basisbepalen of MKB-klanten in aanmerking komen voor een schikking, maar het hof volgt dat niet. In de ‘Brochure’ van de Derivatencommissie (samenvatting van het UHK) is het volgende te lezen:
Indien u als kleine ondernemer tussen 1 april 2011 en 1 april 2014 een rentederivaat had, is het herstelkader in principe op u van toepassing en wordt u actief door de bank benaderd (…). Indien u een grotere ondernemer bent of een hoog kennisniveau hebt (…), is het herstelkader niet op u van toepassing en ontvangt u geen compensatie. U wordt dan onder het herstelkader aangemerkt als professioneel en/of deskundig.
3.4.
Paragraaf 3.1.1. van het UHK bepaalt over de reikwijdte:
“Indien een klant een Rentederivaat met een Bank is aangegaan dat binnen het temporele bereik valt, en voorts als niet-professioneel en niet-deskundig kwalificeert, is op die MKB-Klant het Herstelkader van toepassing.”
3.5.
Uit de ontstaansgeschiedenis en de ratio van het UHK en de hierboven weergegeven bekendmaking van de Derivatencommissie volgt naar het oordeel van het hof dat de MKB-klanten van de deelnemende banken rechten aan het UHK kunnen ontlenen in die zin dat zij van de deelnemende bank met wie zij een rentederivaat zijn aangegaan kunnen verlangen dat deze jegens hen uitvoering geeft aan het UHK en dus, onder meer, nagaat of de klant binnen het toepassingsbereik van het UHK valt. Als dat niet zo was, zou er geen enkel rechtsgevolg zijn verbonden aan het al dan niet deelnemen door een bank aan het UHK. Met haar deelname aan het UHK, naar het oordeel van het hof te duiden als een eenzijdige verbintenisscheppende rechtshandeling, heeft de Volksbank zich jegens haar MKB-klanten verbonden uitvoering te geven aan het UHK. Uit het UHK volgt dat het de bedoeling is dat iedere MKB-er (mits niet evident als ‘professioneel’ of ‘deskundig’ aan te merken) die in de bedoelde periode een rentederivaat heeft (gehad) bij een deelnemende bank door deze bank wordt benaderd. Dat de Volksbank daar ook vanuit ging blijkt uit het feit dat zij op 21 februari 2017 ter uitvoering van paragraaf 5.1.2. van het UHK aan [de maatschap] een brief heeft gestuurd dat zij gaat beoordelen of het UHK op [de maatschap] van toepassing is en of zij in aanmerking komt voor compensatie. Op 25 oktober 2017 heeft de Volksbank vervolgens meegedeeld dat zij na beoordeling van het dossier van [de maatschap] tot de conclusie is gekomen dat het UHK niet op [de maatschap] van toepassing is en dat [de maatschap] daarom niet in aanmerking komt voor compensatie. Deze brieven van februari en oktober 2017 onderschrijven dat de Volksbank zich gehouden achtte (ook) jegens [de maatschap] om uitvoering te geven aan het UHK en dus te beoordelen of [de maatschap] binnen het toepassingsbereik van het UHK valt. De maten van [de maatschap] hebben vervolgens bezwaar gemaakt tegen de beoordeling van oktober 2017 dat [de maatschap] niet onder het toepassingsbereik van de UHK valt, waaruit volgt dat ook [de maatschap] is uitgegaan van de toepasselijkheid van het normenkader van het UHK op het rentederivaat. In reactie op het bezwaar heeft de Volksbank op 30 november 2017 een (nadere) onderbouwing gegeven van haar oorspronkelijke beslissing. Na verdere correspondentiewisselingen tussen (de advocaten van) partijen, waarin zij over en weer aan hun standpunten hebben vastgehouden, heeft [de maatschap] zich tot de civiele rechter gewend.
Geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang
3.6.
De vraag die vervolgens ter beantwoording voor ligt is of de civiele rechter mag treden in de uitleg van het toepassingsbereik van het UHK. Het hof overweegt als volgt. Door deel te nemen aan het UHK abstraheert een deelnemende bank van de vraag of het adviseren over en aangaan van de renteswap met de klant onzorgvuldig was. Dat verklaart ook dat een deelnemende bank geen aansprakelijkheid aanvaardt bij het doen van een aanbod tot compensatie en het gebruik van de terminologie ‘coulancevergoeding’ onder stap drie en stap vier van het UHK (zie in dit verband ook paragraaf 2.4.4. van het UHK). De klant abstraheert op zijn beurt van de vraag welke schade hij concreet heeft geleden en accepteert dat de vergoeding volgens de vier stappen van het UHK plaatsvindt, waarbij stap drie een maximum kent van € 100.000. Waar partijen
nietvan abstraheren is de vraag of de klant al dan niet binnen het
toepassingsbereikvan het UHK valt (als bedoeld in paragraaf 2.4.5.van het UHK), oftewel toegesneden op onderhavig geval of het UHK
juistis toegepast door de Volksbank bij haar beslissing van oktober 2017.
3.7.
Tegen het besluit van de Volksbank dat [de maatschap] een deskundige partij is en het rentederivaat daarom niet onder het toepassingsbereik van het UHK valt, kon [de maatschap] op grond van het UHK alleen bezwaar maken bij de Volksbank zelf, die dan haar eerdere besluit opnieuw zou beoordelen. Andere bezwaarmogelijkheden bood het UHK niet en tegen het ‘besluit op bezwaar’ van de Volksbank stond geen rechtsmiddel open. Het UHK voorziet voor een aantal limitatief omschreven gevallen in de mogelijkheid dat de MKB-klant deze gevallen bij wijze van bindend advies aan de Derivatencommissie voorlegt. De beoordeling van een bank of een MKB-klant al dan niet deskundig is, en dus wel of niet aanspraak kan maken op een vergoeding onder het UHK, valt niet onder een van de vier limitatief omschreven gevallen. Al die gevallen zien overigens ook alléén op de situatie dat een bank een aanbod heeft gedaan en de klant dat aanbod (onder voorbehoud) heeft geaccepteerd. Daarvan is in dit geval geen sprake. Buiten de gevallen van bindend advies, moet de klant een verschil van inzicht zelf afwikkelen met de betreffende bank [3] . [de maatschap] kon zich met haar bezwaar dus niet tot de Derivatencommissie wenden, maar alleen tot de Volksbank. Onder deze omstandigheden biedt het UHK op dit punt niet een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang.
Civiele rechter kan oordelen of klant binnen toepassingsbereik UHK valt
3.8.
De Volksbank heeft gewezen op paragraaf 2.1.3. van het UHK op grond waarvan volgens haar vaststaat dat [de maatschap] aan het UHK geen rechten meer kan ontlenen. Het hof is van oordeel dat op die grond niet kan worden gezegd dat [de maatschap] geen rechten (meer) kan ontlenen aan het UHK, omdat aan [de maatschap] (vóór de veroordeling door de rechtbank) geen aanbod is gedaan onder het UHK, laat staan dat [de maatschap] dat aanbod heeft geweigerd. De vraag
of[de maatschap] onder het bereik van het UHK valt is daarbij de inzet van de onderhavige procedure. Zoals hiervoor onder 3.5 en 3.6 is overwogen was deelname door de Volksbank aan het UHK niet vrijblijvend, en ziet het woord coulance op het abstraheren van de aansprakelijkheid van de bank en de werkelijke schade van de klant. Het gaat niet (zoals de Volksbank heeft betoogd) om een vrijblijvende keuze van de bank om “coulancehalve” het UHK toe te passen op een klant, zoals bijvoorbeeld het geval is bij de coulanceregeling met betrekking tot de helpdeskfraude waar de Volksbank naar verwijst. Een ander oordeel zou tot de onaanvaardbare consequentie leiden dat er in de praktijk geen verschil bestaat tussen een bank die zich wel of die zich niet heeft gecommitteerd aan het UHK.
3.9.
De rechtbank heeft in het bodemvonnis in de rechtsoverwegingen 2.7 tot en met 2.14 overwogen waarom het UHK de weg naar de civiele rechter niet heeft afgesneden. Het hof onderschrijft deze overwegingen. Het hof stelt voorop dat nergens in het UHK de civiele rechter wordt uitgesloten en dat er geen alternatieve, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang binnen het UHK openstaat. De klant die te horen krijgt dat hij volgens de bank niet onder het toepassingsbereik van het UHK valt omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden (bijvoorbeeld deskundig en/of professioneel is) moet daarom de mogelijkheid hebben om een bezwaar tegen de beslissing van de bank aan de civiele rechter voor te leggen. De civiele rechter kan vervolgens beoordelen of het UHK, en in dit geval meer in het bijzonder paragraaf 3.1.12. onder b en g van het UHK, door de Volksbank
juistis toegepast, dat wil zeggen of de
uitlegvan de Volksbank klopt dat [de maatschap] deskundig is
volgens de criteria van het UHK, en daarom niet binnen het toepassingsbereik van het UHK valt. Het aanbod zelf ligt niet ter beoordeling voor.
3.10.
Daarvoor zijn ook de volgende omstandigheden van belang. De bij het UHK betrokkenen zoals de Derivatencommissie, de Extern Dossier Beoordelaar (EDB) en de AFM zijn niet meer beschikbaar om deze vraag naar de juiste toepassing te toetsen en/of zij gingen/gaan daar niet over. Het UHK voorzag wel in een herbeoordeling van de bank naar aanleiding van een bezwaar van de klant, die vervolgens ook aan de EDB moest worden voorgelegd. Dat de Volksbank daaraan heeft voldaan is door [de maatschap] in beide instanties betwist en de Volksbank kon daar ook in hoger beroep desgevraagd (nog steeds) geen uitsluitsel over geven, zodat het hof ervan uitgaat dat dat niet is gebeurd. In die zin is ook niet aan die destijds wel bestaande externe toetsing van het bezwaar door de EDB voldaan. Voor zover dit al anders zou zijn, ontbreekt het hoe dan ook aan een volwaardige procedure met basale waarborgen zoals hoor en wederhoor (behalve in het geval van de Bindend Advies procedure maar die stond voor dit geval niet open, zoals in hoger beroep ook niet is bestreden). Het is dan immers de bank die zélf gaat controleren of ze haar werk naar aanleiding van de aangevoerde bezwaren goed heeft gedaan, wat dan moet worden geaccordeerd door de EDB. Het argument van de Volksbank dat de EDB dit op een uiterst zorgvuldige en kostbare manier toetste, maakt dit oordeel niet anders. Er kan namelijk geen enkel inzicht worden gegeven in wat de EDB aan gegevens heeft ontvangen op grond waarvan de EDB zijn akkoord gaf en het oordeel van de EDB is ook niet kenbaar voor de wederpartij. Het hof wil verder aannemen dat de banken en de EDB bij uitstek deskundig zijn in het bepalen van de inhoud (hoogte) van een aanbod, maar daar treedt het hof niet in. Het gaat om de vraag of [de maatschap] deskundig is of niet volgens de criteria van het UHK. Bovendien is de beslissing op bezwaar van 30 november 2017 zoals gezegd niet getoetst door de EDB, zodat in elk geval de waarborg van toetsing door een externe partij die het UHK nog wel bood in dit geval niet is opgevolgd. De slotsom is dat de civiele rechter de reikwijdte en de uitleg van het UHK mag beoordelen die ziet op de systematiek waarmee de bank (al dan niet) tot een aanbod komt onder het UHK, maar niet het aanbod zelf.
Is [de maatschap] deskundig of niet volgens het normenkader van het UHK?
3.11.
Op grond van paragraaf 3.1.12. van het UHK moet de Volksbank aantonen dat [de maatschap] deskundig is. Deze bepaling luidt, voor zover in deze zaak relevant, als volgt:
Een klant is deskundig als de Bank aantoont dat hij ten minste aan één van onderstaande
criteria voldoet:
(...)
b. op het moment van het afsluiten van het Rentederivaat de actiefzijde van de
balans van de klant voor ten minste EUR 10 miljoen bestaat uit:
(i) vastgoed (bestaand en/of in ontwikkeling);
(ii) financiële activa gerelateerd aan vastgoed; en/of
(iii) effecten;
welk criterium geen toepassing vindt in het geval de klant het vastgoed uitsluitend
voor eigen bedrijfsmatig gebruik en/of eigen bewoning houdt (waarbij onder 'eigen
gebruik' ook verstaan wordt gebruik in groepsverband);
(...)
g. de klant is een samenwerkingsverband van rechtspersonen en/of natuurlijke
personen, d.w.z. dat (i) de samenwerkende partijen gezamenlijk partij zijn bij het
Rentederivaat of (ii) de samenwerkende partijen gezamenlijk alle aandelen houden
in een projectvennootschap die partij is bij het Rentederivaat. Wanneer in de
hierboven bedoelde situatie (i) één of meer van de samenwerkende partijen
'professionele belegger' is (zijn) in de zin van paragraaf 3.1.6 of deskundig is (zijn)
in de zin van paragraaf 3.1.12, en deze partij(en) in overwegende mate zeggenschap
of economisch belang heeft (hebben), dient de betreffende klant in zijn geheel als
professioneel of deskundig te worden aangemerkt. Wanneer in de hierboven
bedoelde situatie (ii) één of meer bestuurders of aandeelhouders die in overwegende
mate zeggenschap of economisch belang heeft (hebben) in de projectvennootschap
'professionele belegger' is (zijn) in de zin van paragraaf 3.1.6 of deskundig is (zijn)
in de zin van paragraaf 3.1.12, dient de betreffende projectvennootschap eveneens
als professioneel of deskundig te worden aangemerkt.
Helft maten van [de maatschap] deskundig
3.12.
De Volksbank meent dat [de maatschap] deskundig is in de zin van paragraaf 3.1.12. onder b en g van het UHK omdat twee van de vier maten van [de maatschap] op het moment van het aangaan van de derivatenovereenkomst (26 september 2008) ieder meer dan € 10 miljoen aan vastgoed, financiële activa gerelateerd aan vastgoed en effecten hadden en zij samen 50% van de zeggenschap en/of het economisch belang in [de maatschap] hadden.
3.13.
De Volksbank heeft daarbij verwezen naar de vermogenspositie van [de maten 1 en 2] ten tijde van het aangaan van het rentederivaat. De heer [maat1] had blijkens zijn aangifte inkomstenbelasting over 2008 voor € 3.068.521 aan vastgoed en voor € 306.550 aan effecten in eigendom. Daarnaast was hij enig aandeelhouder en bestuurder van Remac Beheer B.V. (hierna: Remac), waarvan het eigen vermogen (balans per 31 december 2008) € 9.324.799 bedroeg. De heer [maat2] had blijkens zijn aangifte inkomstenbelasting over 2008 voor € 3.093.521 aan vastgoed in eigendom en voor € 114.543 aan effecten in eigendom. Daarnaast was hij enig aandeelhouder en bestuurder van Maree Holding B.V. (hierna: Maree), waarvan het eigen vermogen (balans per 31 december 2008) € 9.331.432 bedroeg. De Volksbank heeft dit aandelenbelang in Remac respectievelijk Maree gekwalificeerd als financiële activa gerelateerd aan vastgoed in de zin van paragraaf 3.1.12 onder b van het UHK, nu het enige vermogensbestanddeel van deze vennootschappen een 50%-aandelenbelang betrof in [naam1] B.V. Dit is een holdingmaatschappij die aan het hoofd staat van een groep die vastgoed gerelateerde activiteiten ontplooit. Dit laatste heeft de Volksbank vastgesteld aan de hand van de jaarrekeningen en statutaire doelomschrijvingen van de verschillende deelnemingen waarin [naam1] B.V. aandelen houdt. Het gaat daarbij voor een belangrijk deel om vastgoed gerelateerde activiteiten in de zin van ontwikkeling en exploitatie van grond, het uitoefenen van een bouwbedrijf en het in eigen beheer ontwikkelen van bouwprojecten.
3.14.
Het standpunt van [de maatschap] is dat de waarde van deze aandelen in [naam1] B.V. niet zou mogen meetellen voor de beoordeling van deskundigheid, omdat het vermogen van deze holding niet relevant is en daarom niet tot deskundigheid van [de maatschap] kan leiden. Daartoe verwijst zij naar punt I.24 van de toelichting op het UHK waarin op de vraag of
deskundigheidop het niveau van de klant of op het niveau van de groep waar een klant eventueel deel van uitmaakt moet worden bekeken, wordt geantwoord dat voor groepssituaties in onder meer paragraaf 3.1.12. onder g van het UHK (ten dele) een bepaling is opgenomen. Voor het overige is het begrip “groep” niet relevant voor toetsing van deskundigheid, aldus [de maatschap] .
Uitleg begrip UHK
3.15.
De vraag wat nu precies onder
financiële activa gerelateerd aan vastgoedmoet worden verstaan is ook een kwestie van
uitlegvan het UHK waar de civiele rechter een oordeel over kan geven in het kader van de beoordeling van het toepassingsbereik van het UHK. Het hof overweegt daarover als volgt. Anders dan [de maatschap] betoogt volgt uit de hiervoor onder 3.14 aangehaalde toelichting op het UHK over het begrip “groep” niet dat de aandelen die de maten via hun persoonlijke holdings houden, ook als dat aandelen in een aan vastgoed gerelateerde vennootschap betreft, niet kunnen worden meegerekend als
financiële activa gerelateerd aan vastgoed. [de maten 1 en 2] hadden op het moment van het aangaan van het rentederivaat op 26 september 2008 ieder een persoonlijke holding. [maat1] had 100% van de aandelen in Remac. [maat2] had 100% van de aandelen in Maree. Op 26 september 2008 bedroeg het eigen vermogen van Remac € 8.890.596,- en dat van Maree bedroeg € 8.897.229,-. Tussen de partijen staat vast dat het enige activum (van betekenis) van elk van die twee persoonlijke holdingvennootschappen bestond uit 50% van de aandelen in [naam1] B.V.
3.16.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de vraag of sprake is van
financiële activa gerelateerd aan vastgoedin dit geval moet worden beantwoord op het niveau van [naam1] B.V. Dit betreft een vennootschap, onderdeel van een groep, die aandelen houdt in andere vennootschappen en zich daarnaast bezig houdt met het uitoefenen van een bouwbedrijf en het in eigen beheer ontwikkelen van bouwprojecten, met verschillende deelnemingen. Dat zijn activiteiten gericht op het commercieel verhandelen van woningen en vastgoed waarvoor grond wordt aangekocht, bebouwd en waarbij de door de groep ontwikkelde en gebouwde woningen worden doorverkocht. De hoofdactiviteit van deze groep, waaraan iedere deelneming haar steentje bijdraagt, bestaat daarmee uit commerciële activiteiten gerelateerd aan vastgoed waarmee (gezien de jaarrekening) behoorlijke omzetten en winsten worden behaald. Mede gezien de aard van de activiteiten en de schaal ervan, oordeelt het hof dat een redelijke uitleg van het begrip “financiële activa gerelateerd aan vastgoed” met zich brengt dat de aandelen van Remac en Maree in die holding moeten worden beschouwd als
financiële activa gerelateerd aan vastgoed.
3.17.
Het hof vindt verdere steun voor die uitleg in het volgende. In de brief van de Minister van Financiën van 5 juli 2016 aan de Tweede Kamer wordt ten aanzien van de reikwijdte van het UHK aangegeven dat de toegang beperkt moet worden tot klanten die door informatieassymetrie een kwetsbare positie innemen tegenover de bank. Door eisen te stellen aan de mate van deskundigheid worden specifieke klanten waarvan een zekere mate van deskundigheid mag worden verwacht (zoals vastgoedbeleggers) uitgesloten. De regeling is tot stand gekomen onder druk van de politiek, in samenspraak met de banken en belangenbehartigers van het MKB, en was - zo blijkt uit de genoemde toelichting van de minister - gericht op MKB-klanten van de bank die niet over voldoende kennis en ervaring beschikten om de consequenties te overzien van het afsluiten van rentederivaatproducten.
3.18.
Van een MKB-klant met een kwetsbare positie tegenover de bank is in dit geval naar het oordeel van het hof geen sprake. [de maten 1 en 2] van [de maatschap] zijn al vele jaren via hun persoonlijke holdings middellijk bestuurders van [naam1] B.V. en in die zin als bestuurders volop actief in het (ontwikkelen van) vastgoed. In die hoedanigheid hebben ze met [de maten 3 en 4] een maatschap opgericht waarin ook commercieel vastgoed werd aangekocht. Dat het hier gaat om specifieke klanten waarvan een zekere mate van deskundigheid mag worden verwacht, blijkt ook wel uit het feit dat het vastgoed waar [de maatschap] de financiering in combinatie met het rentederivaat voor is aangegaan een kantorenpark met vijftien gebouwen in Utrecht betreft, die destijds (deels) commercieel waren verhuurd. Het gaat om kantoorruimte en bedrijfsruimte op 40.000 vierkante meter eigen grond. Het gaat met andere woorden om een grote vastgoedtransactie. Bij het aangaan van die overeenkomst is een risico-inventarisatieformulier ingevuld. Tijdens de mondelinge behandeling is discussie ontstaan over het getal dat daarop zou zijn ingevuld voor de op dat moment bestaande vastgoedportefeuille van [de maatschap] van 55 á 60 miljoen euro. [de maatschap] ontkent dat dit getal door haar is doorgegeven. Wat daar ook van zij, tijdens de mondelinge behandeling heeft [de maatschap] wel erkend dat zij in elk geval heeft ingevuld dat zij over het voorgaande anderhalf jaar al meer dan € 500.000 winst had gemaakt, dat de winstverwachting over 2008 meer dan één miljoen euro bedroeg en dat [de maatschap] voor 30 miljoen euro aan leningen had uitstaan. Dit formulier vermeldt dat het door de maten naar waarheid is ingevuld en ondertekend.
3.19.
Uit de voorgaande overwegingen en de geschetste feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien met de hiervoor geschetste, beoogde reikwijdte volgt dat het hof niet mee gaat in de beperkte uitleg die de rechtbank aan
financiële activa gerelateerd aan vastgoedgeeft, namelijk door te kijken op het niveau van de verschillende individuele deelnemingen van [naam1] B.V. en van daaruit te gaan berekenen. Het hof oordeelt dat [de maten 1 en 2] kwalificeren als deskundig als bedoeld in paragraaf 3.1.12. onder b van het UHK, nu de waarde van de aandelen Remac en Maree als zodanig niet zijn betwist en deze aandelen hun waarde weer ontlenen aan [naam1] B.V. (elk 50%). [de maten 1 en 2] (via hun persoonlijke holdings) bezitten ieder actief met een waarde van meer dan tien miljoen euro, aan de hand van de optelsom van de criteria van paragraaf 3.1.12. onder b van het UHK (i) vastgoed (bestaand en/of in ontwikkeling), (ii) financiële activa gerelateerd aan vastgoed en/of (iii) effecten. Voor [maat1] gaat het ten tijde van het aangaan van het rentederivaat om een totaal van € 12.265.667 (namelijk € 3.068.521 + € 306.550 (aan vastgoed en effecten) en € 8.890.596 (aandelen Remac) en voor [maat2] komt het neer op een totaal van € 12.105.293 (namelijk € 3.093.521 + € 114.543 (aan vastgoed en effecten) en € 8.897.229 (aandelen Maree).
Overwegende zeggenschap
3.20.
Er is volgens het UHK [4] sprake van overwegende zeggenschap, althans overwegend belang als bedoeld onder paragraaf 3.1.12. onder g van het UHK indien de professionele/deskundige partij(en) in een samenwerkingsverband of projectvennootschap op het moment van het aangaan van het Rentederivaat (a) 50% of meer van de stemrechten kan (kunnen) uitoefenen en/of (b) een kapitaalbelang heeft (hebben) van 50% of meer in de projectvennootschap. Voor natuurlijke personen geldt dat indien zij onderling niets over de zeggenschap of economisch belang hebben bepaald, ervan wordt uitgegaan dat zij voor gelijke delen zeggenschap of economisch belang hebben. Het hof gaat met de Volksbank ervan uit dat de maten voor gelijke delen zeggenschap (en/of economisch belang) hadden. In dit geval komt dat voor [de maten 1 en 2] samen neer op 50% zeggenschap, zodat op grond van de hiervoor weergegeven criteria van het UHK [de maatschap] als deskundig geldt en om die reden
buiten het toepassingsbereikvan het UHK valt. De stelling van [de maatschap] dat er alleen besluiten met unanimiteit genomen konden worden (en dat de stand van de vier kapitaalrekeningen per 30 september 2008 aantoont dat [de maten 1 en 2] samen ‘slechts’ 49,99% economisch belang hadden) acht het hof niet doorslaggevend. Ook dan blijft immers staan dat [de maten 1 en 2] samen 50% zeggenschap konden uitoefenen. Deze uitleg strookt ook met de eerder besproken opzet en achtergrond van het UHK, dat de toegang beperkt moet zijn tot klanten die een kwetsbare positie innemen tegenover de bank.
Slotsom
3.21.
Deze voorgaande conclusie is in lijn met de beslissing van de Volksbank (in haar brief aan [de maatschap] van 25 oktober 2017) dat het UHK niet op [de maatschap] van toepassing is en dat zij dus niet in aanmerking komt voor compensatie. De Volksbank was dan ook niet gehouden een aanbod te doen aan [de maatschap] op grond van het UHK, zodat de bezwaren van de Volksbank tegen het bodemvonnis terecht zijn aangevoerd en het bodemvonnis zal worden vernietigd. Daarmee komt de grondslag te ontvallen aan de betalingen die de Volksbank (eventueel) op grond van het vonnis aan [de maatschap] heeft gedaan zodat de vordering tot terugbetaling daarvan, kan worden toegewezen. Dit betekent bovendien dat de vorderingen van [de maatschap] tot het doen van een hernieuwd aanbod, betaling van een voorschot op de schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen en de verklaringen voor recht met betrekking tot de verplichting tot het doen van een aanbod, voor afwijzing gereed liggen. Met de vernietiging van het bodemvonnis ontvalt verder de grondslag aan de dwangsommen die waren verbonden aan de veroordeling om een aanbod te doen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis terecht de executie van de dwangsommen heeft geschorst. De bezwaren van [de maatschap] tegen dat kortgedingvonnis slagen niet. De Volksbank heeft ter uitvoering van het bodemvonnis meermaals een aanbod gedaan, steeds onder protest tot gehoudenheid. Uit het voorgaande volgt dat de Volksbank daartoe niet gehouden was, zodat zij geen enkel aanbod gestand hoeft te doen.
Incidenten
3.22.
In het arrest in het incident van 15 juli 2025 zijn de beslissingen met betrekking tot de inzagevorderingen aangehouden. Verder heeft de Volksbank in het hoger beroep nog schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad dan wel zekerheidstelling gevorderd. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de partijen geen belang meer hebben bij de in de incidenten ingestelde vorderingen, zodat deze zullen worden afgewezen.
Geen dwangsommen verbeurd
3.23.
[de maatschap] heeft (voor het geval het kortgedingvonnis wordt vernietigd) gevorderd om de Volksbank te veroordelen tot betaling van verbeurde dwangsommen. In het bodemvonnis heeft de rechtbank aan haar veroordeling van de Volksbank tot het doen van een juist en volledig aanbod onder het UHK een dwangsom verbonden. De termijn waarbinnen de Volksbank aan dit vonnis moest voldoen, is uiteindelijk in onderling overleg tussen partijen verlengd tot 1 mei 2025. Bij het kortgedingvonnis van 5 maart 2025 zijn de dwangsommen geschorst totdat 14 dagen zijn verstreken nadat het hof in hoger beroep op het bodemvonnis heeft beslist over de verschuldigdheid van de dwangsommen. Nu het bodemvonnis zal worden vernietigd, staat daarmee vast dat de dwangsommen zijn geschorst voordat [de maatschap] er aanspraak op maakte, zodat geen dwangsommen zijn verbeurd.
De conclusie
200.345.898
3.24.
Het hoger beroep van de Volksbank in de bodemzaak slaagt. In deze zaak hebben de partijen over en weer (voorwaardelijke) incidenten ingesteld, die bij gebrek aan belang zullen worden afgewezen. Het hof zal de proceskosten van de incidenten tussen de partijen compenseren. Omdat [de maatschap] in de hoofdzaak in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [de maatschap] tot betaling van de proceskosten van de Volksbank zowel bij de rechtbank als bij het hof, in het principaal en incidenteel hoger beroep veroordelen. Het hof ziet geen aanleiding om zoals door de Volksbank is verzocht het toepasselijke tarief te verdubbelen.
200.353.145
3.25.
Het hoger beroep van [de maatschap] in de kortgedingzaak slaagt niet. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de Volksbank behoeft daarom geen bespreking. Omdat [de maatschap] in de hoofdzaak in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [de maatschap] tot betaling van de proceskosten van de Volksbank zowel bij de rechtbank als in het principaal hoger beroep veroordelen. De proceskosten voor het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep aan de zijde van de Volksbank worden begroot op nihil.
200.345.898 en 200.353.145
3.26.
Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [5]
3.27.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
In de zaak 200.345.898
in de incidenten
4.1.
wijst de vorderingen van de Volksbank af;
4.2.
wijst de vorderingen van [de maatschap] af;
4.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak
4.4.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 1 mei 2024 en beslist:
wijst de vorderingen van [de maatschap] af;
4.5.
veroordeelt [de maatschap] tot terugbetaling aan de Volksbank van alles wat de Volksbank op grond van het vonnis van 1 mei 2024 aan [de maatschap] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door de Volksbank tot aan de dag van terugbetaling;
4.6.
veroordeelt [de maatschap] tot betaling van de volgende proceskosten van de Volksbank tot aan de uitspraak van de rechtbank:
€ 676 aan griffierecht
€ 1.228 aan salaris van de advocaat van de Volksbank (2 procespunten x het toepasselijke tarief II € 614)
en tot betaling van de volgende proceskosten van de Volksbank in hoger beroep:
€ 798 aan griffierecht
€ 135,97 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de appeldagvaarding aan [de maatschap]
€ 3.642 aan salaris van de advocaat van Volksbank (2 procespunten x het toepasselijke tarief II € 1.214 in het principaal hoger beroep en 1 procespunt x het toepasselijke tarief II in het incidenteel hoger beroep);
4.7.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
In de zaak 200.353.145
4.8.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 5 maart 2025 ;
4.9.
veroordeelt [de maatschap] tot betaling van de volgende proceskosten van de Volksbank tot aan de uitspraak van de rechtbank:
€ 714 aan griffierecht
€ 119,40 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [de maatschap]
€ 2.214 aan salaris van de advocaat van de Volksbank (2 procespunten x het toepasselijke tarief 1.107)
en tot betaling van de volgende proceskosten van de Volksbank in hoger beroep:
€ 827 aan griffierecht
€ 2.428 aan salaris van de advocaat van de Volksbank (2 procespunten x het toepasselijke tarief II € 1.214);
4.10.
bepaalt de kosten van het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep aan de zijde van de Volksbank op nihil;
4.11.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.12.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.13.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.M.I. De Waele, G.R. den Dekker en M.G. van ‘t Westeinde, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.

Voetnoten

3.Toelichting UHK, I.97.
4.Voetnoot 17 bij 3.1.12. aanhef en onder g.
5.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.