ECLI:NL:GHARL:2026:4781

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
200.362.583
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afwijzing onmiddellijke voorziening afgifte bankafschriften legitieme portie

In deze zaak gaat het om een geschil over de afgifte van bankafschriften van de nalatenschap van een overledene aan een legitieme portie aanspraakmakende erfgenaam. De executeur, appellant, werd door de rechtbank veroordeeld om binnen vier weken bankafschriften te verstrekken, met een dwangsom bij niet-nakoming. De legitieme portie aanspraakmakende partij, geintimeerde, vorderde in kort geding een versnelde nakoming binnen zeven dagen en een dwangsom.

De voorzieningenrechter gaf deze onmiddellijke voorziening, maar het hof oordeelt dat er geen spoedeisend belang is voor een kortere termijn dan vier weken, gezien de afhankelijkheid van de bank voor het verstrekken van de stukken. Wel acht het hof het opleggen van een dwangsom passend om naleving te stimuleren. De executeur heeft zich ingespannen om de stukken te verkrijgen, maar zonder succes vanwege onduidelijkheid over de reactie van de bank.

Het hof vernietigt delen van het vonnis van de voorzieningenrechter, wijzigt de termijn niet en bekrachtigt de dwangsom gekoppeld aan de oorspronkelijke veroordeling in het incident. Proceskosten worden door partijen zelf gedragen, omdat zij deels in het gelijk zijn gesteld. Misbruik van procesrecht is niet vastgesteld.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af voor onmiddellijke afgifte bankafschriften, behoudt de dwangsom en bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.583
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 596470
arrest in kort geding van 21 juli 2026
in de zaak van
[appellant] als executeur van de nalatenschap van [erflater] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. P. Boiten
en
[geintimeerde] ( [geintimeerde] )
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. A.D. Bauer-van Erp

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) op 7 augustus 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep.

2.De kern van de zaak

2.1.
Erflater is overleden met achterlating van een zoon ( [geintimeerde] ) en een dochter. Erflater heeft [geintimeerde] onterfd. [appellant] is executeur in de nalatenschap van erflater. [geintimeerde] heeft aanspraak gemaakt op zijn legitieme portie. [geintimeerde] heeft [appellant] gedagvaard en gevorderd dat de rechtbank zijn legitieme portie vaststelt (hoofdzaak) aan de hand van stukken die [appellant] in het geding moet brengen (incident). De rechtbank heeft in haar vonnis van 20 november 2024 in het incident [appellant] veroordeeld aan [geintimeerde] binnen vier weken na betekening van dat vonnis bepaalde stukken te verstrekken, waaronder kopieën van afschriften van alle bankrekeningen van erflater over de periode 2019 tot 13 mei 2023. De rechtbank heeft deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In de hoofdzaak is nog niet beslist.
2.2.
[geintimeerde] heeft in deze procedure in kort geding onmiddellijke voorzieningen bij voorraad gevraagd die inhouden dat de voorzieningenrechter [appellant] veroordeelt tot nakoming van dat vonnis in incident binnen zeven dagen nadat het vonnis aan hem is betekend en hem een dwangsom oplegt als hij dat niet doet.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft de gevraagde onmiddellijke voorzieningen bij voorraad gegeven. Hij heeft [appellant] veroordeeld tot nakoming van het vonnis in het incident binnen zeven dagen na betekening van het vonnis in kort geding ten aanzien van de veroordeling in 5.2. van het vonnis in incident om aan [geintimeerde] kopieën van afschriften van de bankrekeningen van erflater bij de [naam bank1] over de periode 2019 tot 13 mei 2023 te verstrekken en een dwangsom opgelegd als hij dat niet doet (vonnis van 7 augustus 2025). De bedoeling van het principaal hoger beroep van [appellant] is dat de gegeven voorzieningen alsnog worden geweigerd. De bedoeling van het incidenteel hoger beroep van [geintimeerde] is dat [appellant] hem de reële proceskosten voor de procedure bij de voorzieningenrechter en het hof moet vergoeden. Volgens [geintimeerde] maakt [appellant] door het instellen van zijn hoger beroep misbruik van procesrecht.
2.4.
Het hof zal beslissen dat de onmiddellijke voorzieningen bij voorraad die [geintimeerde] heeft gevraagd alsnog worden geweigerd, met uitzondering van de voorziening voor de dwangsom en licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de voorzieningenrechter deels in stand en beslist voor een deel anders.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
In dit kort geding gaat het om de vraag of [appellant] kopieën van afschriften van de bankrekeningen van erflater bij de [naam bank1] over de periode 2019 tot 13 mei 2023 aan [geintimeerde] moet verstrekken. De verstrekking van andere stukken is in hoger beroep niet meer aan de orde.
3.2.
[appellant] voert de volgende bezwaren aan tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter:
  • Deze vordering is ook al in de hoofdzaak van de bodemzaak aan de orde, zodat er geen spoedeisend belang is bij de onmiddellijke voorzieningen bij voorraad die in dit kort geding zijn gevraagd. Het oordeel in de hoofdzaak van de bodemzaak moet worden afgewacht. De gevraagde bankafschriften zijn niet relevant voor het bepalen van de omvang van de legitieme portie, zodat [geintimeerde] geen belang heeft bij het verstrekken daarvan (grief 1).
  • Uit de bankafschriften blijkt niet dat erflater giften heeft gedaan. [geintimeerde] heeft niet uitgelegd waarom hij die bankafschriften toch nodig heeft (grief 2).
  • [appellant] heeft zich ingespannen de afschriften van de bankafschriften van de [naam bank1] te krijgen, maar ze worden hem gewoon niet verstrekt (grieven 3 en 4).
  • Er is geen sprake van onwil van [appellant] . Het opleggen van een dwangsom is niet nodig en niet redelijk. Bovendien heeft [appellant] wel aan de hoofdveroordeling voldaan en zich ingespannen om de afschriften te krijgen, alleen kreeg hij nul op rekest (grief 5).
  • Een proceskostenveroordeling is niet op zijn plaats. [appellant] is geen professionele executeur, is de Nederlandse taal niet goed machtig en heeft geprobeerd de afschriften tijdig te krijgen, wat helaas niet is gelukt (grief 6).
3.3.
In het incident in de bodemzaak heeft de rechtbank op 20 november 2024 [appellant] veroordeeld aan [geintimeerde] binnen vier weken na betekening van het vonnis in dat incident kopieën van afschriften van alle bankrekeningen van erflater over de periode 2029 tot 13 mei 2023 te verstrekken. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad. [geintimeerde] heeft geen belang bij een onmiddellijke voorziening bij voorraad in dit kort geding die neerkomt op precies dezelfde veroordeling. Hij heeft al een rechterlijke uitspraak die hij kan gebruiken om de afschriften te krijgen. Grief 1 van [appellant] slaagt op dat onderdeel. Het hof hoeft grief 2 niet te bespreken. [geintimeerde] hoeft in dit kort geding niet uit te leggen dat hij de afschriften nodig heeft om zijn legitieme portie te kunnen uitrekenen, omdat in het incident in de bodemzaak al is beslist dat [appellant] die afschriften aan [geintimeerde] moet geven.
3.4.
[geintimeerde] heeft wel een spoedeisend belang bij de onmiddellijke voorzieningen bij voorraad die hij vraagt voor de termijn die [appellant] heeft voor het verstrekken van de afschriften en voor het verbinden van een dwangsom aan de veroordeling.
3.5.
De rechtbank heeft in het incident in de bodemzaak beslist dat [appellant] de afschriften binnen vier weken na betekening van het vonnis in het incident moet verstrekken. [geintimeerde] vraagt nu in dit kort geding een kortere termijn van zeven dagen na betekening van de uitspraak in kort geding. Het hof ziet geen aanleiding de termijn in dit kort geding te verkorten van vier weken naar zeven dagen. Vier weken is een redelijke termijn voor het opvragen en verkrijgen van de afschriften bij de [naam bank1] , in elk geval een redelijker en realistischer termijn dan zeven dagen. [appellant] is immers afhankelijk van de tijd die de [naam bank1] nodig heeft om een verzoek tot het geven van inzage in de afschriften te verwerken en uit te voeren.
3.6.
Blijft de vraag of een dwangsom moet worden verbonden aan de veroordeling (in het incident in de bodemzaak) om de afschriften te verstrekken. Het hof is van oordeel dat in dit geval het opleggen van een dwangsom een voldoende prikkel kan zijn om aan de veroordeling tot het verstrekken van de bankafschriften te voldoen.
3.7.
Het hof kan niet vaststellen dat [appellant] onwillig is de afschriften op te vragen en te verstrekken, wel dat het hem en zijn advocaat niet is gelukt. [appellant] stelt dat hij de afschriften een aantal keer heeft opgevraagd bij de [naam bank1] , maar dat de [naam bank1] die verzoeken afwijst. Ook de advocaat van [appellant] heeft de [naam bank1] gevraagd de afschriften af te geven en daarbij gewezen op het vonnis in kort geding en op de dwangsom. Dat blijkt uit mails van de advocaat aan [mailadres1] van 32 september 2025, 7 november 2025 en 12 november 2025. Wat ontbreekt is de inhoudelijke reactie van de [naam bank1] op deze verzoeken. Het blijft mede daardoor onduidelijk wat [appellant] dan wel zijn advocaat moet doen of heeft gedaan om de afschriften te krijgen. Het is gebruikelijk dat banken inzage in afschriften van de bankrekening van een overledene geven tot zeven jaar terug. Banken stellen daarvoor normaal gesproken de eis dat een executeur een verklaring van executele en een legitimatiebewijs overlegt. [appellant] zegt dat hij geen professionele executeur is, dat hij de Nederlandse taal niet goed machtig is, niet thuis is in het erfrecht en dat hij psychisch overbelast is door de executele en daarom ontslag wil vragen als executeur. Als dat zo is, maakt dat nog niet dat [appellant] niet in verplicht is of in staat is de afschriften op te vragen en te krijgen. [appellant] heeft een advocaat ingeschakeld die hem bijstaat in deze kwestie en die voor hem contact heeft opgenomen met de [naam bank1] . Waarom de pogingen van de advocaat om de afschriften te krijgen zonder succes blijven, is niet duidelijk. Onduidelijk is of deze aan de [naam bank1] een verklaring van executele heeft toegestuurd en de andere documenten die normaal gesproken nodig zijn om inzage in de afschriften te krijgen. Bij deze stand van zaken kan een dwangsom een voldoende prikkel zijn om het verzoek aan de [naam bank1] zo in te richten en te documenteren dat wel inzage in de afschriften kan worden gekregen. De grieven 3-5 falen.
De conclusie
3.8.
Het hoger beroep van [appellant] slaagt voor een deel. Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigen en de onmiddellijke voorzieningen bij voorraad die [geintimeerde] heeft gevraagd alsnog afwijzen, met uitzondering van de voorziening voor het opleggen van een dwangsom aan de veroordeling (in het incident in de bodemzaak) om de afschriften te verstrekken. Op dat onderdeel zal het hof de beslissing van de voorzieningenrechter bekrachtigen.
3.9.
Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten van de procedure bij de voorzieningenrechter en bij het hof moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat zij ieder deels gelijk hebben gekregen. Dat betekent dat grief 6 van [appellant] slaagt en dat het hof de proceskostenveroordeling in het vonnis van de voorzieningenrechter zal vernietigen. Dat betekent ook dat de grieven in het incidenteel hoger beroep van [geintimeerde] die vergoeding van de reële proceskosten heeft gevraagd falen. Vanwege de uitkomst van dit geding is niet gebleken dat [appellant] misbruik van procesrecht heeft gemaakt.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt de beslissing onder 4.2. in het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 7 augustus 2025, met dien verstande dat de dwangsom niet is verbonden aan de veroordeling in 4.1. van dat vonnis, maar aan de veroordeling tot het verstrekken van kopieën van afschriften van alle bankrekeningen van erflater over de periode 2029 tot 13 mei 2023 in 5.2. van het vonnis in het incident in de bodemzaak van 20 november 2024;
4.2.
bekrachtigt de beslissing onder 4.5. van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 7 augustus 2025;
4.3.
vernietigt de beslissingen onder 4.1., 4.3, 4.4. en 4.6. in het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 7 augustus 2025;
4.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de voorzieningenrechter en het hof;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en J.U.M. van der Werff en is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.