ECLI:NL:GHARL:2026:4856

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
200.327.317
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 lid 5 RvArt. 186 lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over tekortkomingen warmtepompinstallatie en herstelkosten

In deze civiele zaak in hoger beroep staat de geschilpunten rondom een warmtepompinstallatie centraal, waarbij appellant stelt dat de installatie niet voldoet aan de toegezegde prestaties. Het hof baseert zich op een deskundigenbericht dat een lager dan beloofd rendement (SCOP 4,05 in plaats van 4,8) en onvoldoende koelcapaciteit in twee ruimtes vaststelt. Het hof verwerpt de meeste bezwaren van partijen, maar erkent de tekortkomingen en wijst herstelkosten toe voor de centrale regeling en blokkeringsregeling.

De deskundige concludeert dat het beloofde rendement niet haalbaar is en herstel slechts beperkt mogelijk is, waarbij een andere duurdere installatie en regeltechnische optimalisatie mogelijk zijn. De schade door het lagere rendement wordt berekend op € 1.470,21 over 2020-2022. De capaciteit voor verwarmen is voldoende, maar de koelcapaciteit in twee ruimtes is onvoldoende, wat een tekortkoming vormt. De centrale regeling ontbreekt, evenals een blokkeringsregeling, waarvoor herstelkosten van respectievelijk € 16.940 en € 4.840 inclusief btw worden vastgesteld.

Het hof wijst de meeste overige klachten af en benadrukt dat de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige overtuigend is. Een mondelinge behandeling wordt gelast waarbij de deskundige nadere toelichting zal geven op de herstelkosten. Partijen worden aangemoedigd om voorafgaand aan de zitting een minnelijke regeling te beproeven. Het voorschot voor de deskundige wordt vastgesteld en door appellant betaald.

Uitkomst: Het hof erkent tekortkomingen in rendement, koelcapaciteit en regeling, wijst herstelkosten toe en gelast een mondelinge behandeling voor nadere toelichting.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zaaknummer gerechtshof 200.327.317
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 280325
Arrest van 21 juli 2026
in de zaak van:
[appellant]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie, verweerder in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. P.A. Speijdel
tegen
Rouwenhorst Installatietechniek B.V.
die is gevestigd in Haaksbergen
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie
hierna: Rouwenhorst
advocaat: mr. M.B. Bollen

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Na het tussenarrest van 4 februari 2025 is het deskundigenbericht uitgebracht. Het hof heeft een begrotingsbeschikking gegeven. Partijen hebben ieder een memorie na deskundigenbericht genomen. Daarna is arrest gevraagd.

2.De verdere beoordeling

2.1
Het hof acht de bevindingen en conclusies van de deskundige overtuigend en zal zijn beslissing mede daarop baseren, tenzij daarvan hierna wordt afgeweken. De bezwaren die partijen hebben opgeworpen verwerpt het hof, behalve voor zover hierna anders wordt overwogen.
Het rendement van de warmtepompen
2.2
De eerste vier vragen (1 i tm. iv) gaan over het rendement van de warmtepompen. Op de vraag of de warmtepompen het toegezegde rendement
(“COP’s van 8.0 of hoger zijn niet uitzonderlijk. Terwijl de standaard COP van het buitendeel 4,8 bedraagt”) heeft de deskundige het volgende geantwoord (samengevat):
“Deze toezegging betrof alleen het buitendeel. Er heeft geen fysieke meting plaatsgevonden. Dat zou heel specialistisch werk zijn en onder laboratorium omstandigheden moeten gebeuren.”
De deskundige heeft daarna de aan hem gestelde vraag anders benaderd:
is de genoemde rendementstoezegging realistisch en kan deze worden nagekomen aan de consument?
Vanuit die benadering heeft hij (samengevat) het volgende geantwoord.
De COP is een momentwaarde die afhankelijk is van diverse factoren, zoals de buitentemperatuur. Als consument mag je volgens de deskundige de toezegging zo opvatten dat over een jaar een gemiddeld rendement van 4,8 valt te verwachten. Dat heet SCOP. Uit gegevens van Mitsubishi (de fabrikant) blijkt dat de SCOP in theorie 4,05 is. Dat is 16% lager dan de toegezegde 4,8 Een COP van 8 wordt alleen gehaald als de condities precies goed zijn: evenveel koelen en verwarmen op hetzelfde moment. De kans daarop is heel klein.
2.3
Volgens Rouwenhorst is de deskundige door de andere benaderingswijze van de vraagstelling buiten de opdracht getreden. Ook ging het tot nu toe om COP en niet om SCOP. Rouwenhorst beroept zich verder op de twee-conclusieregel en de goede procesorde, als dit in het debat zou worden getrokken. Het hof kan Rouwenhorst hierin niet volgen. Ten aanzien van de vraagstelling heeft de deskundige zich ingespannen om de aan hem door het hof gestelde vraag zo goed mogelijk te beantwoorden. Omdat hij tegen een technisch probleem aanliep heeft hij die vraag anders benaderd. Het hof kan zich in die werkwijze vinden. Voor wat betreft de COP overweegt het hof het volgende. Rouwenhorst ontkent niet dat de COP een waarde is die afhankelijk is van allerlei factoren, zoals de buitentemperatuur, en dus steeds een momentopname is. Vaststaat dat Rouwenhorst in haar opdrachtbevestiging een ongeclausuleerde toezegging doet van een “standaard COP” van 4,8, zonder die factoren te benoemen en zonder te zeggen bij welke waarden van die factoren de toegezegde “standaard COP” dan waargemaakt kan worden. Het hof oordeelt dat een consument dan mag verwachten dat het gemiddelde rendement 4,8 op jaarbasis bedraagt. Dat dit SCOP wordt genoemd voegt niets toe. Door Rouwenhorst is verder niet (onderbouwd) betoogd dat het rendement in de praktijk hoger is dan de in de informatie van Mitsubishi genoemde 4,05.
2.4
[appellant] heeft in reactie op het deskundigenbericht aangegeven dat tijdens de inspectie ook ontwerpfouten zijn vastgesteld, zoals te kleine circulatiepompen. Mede daarop baseert [appellant] zijn stelling dat er een rigoureus ander ontwerp moet komen, volgens het rapport van M-trix. [appellant] heeft echter in zijn vraagstelling naar aanleiding van het conceptrapport de veronderstelde ontwerpfouten ook aan de deskundige voorgelegd (vraag 1 onder ic) en die is in zijn reactie daarop hierin niet meegegaan (“
Dit punt wordt niet als zodanig herkend”). Het hof ziet dan ook geen steun voor de stelling van [appellant] in het deskundigenrapport. Zijn stelling gaat ook voorbij aan de vraagstelling en het debat zoals dat was ingekaderd. De stelling van [appellant] dat herstel moet plaatsvinden overeenkomstig het rapport M-trix volgt het hof mede daarom niet, ook nu dat rapport uitgaat van veel meer te herstellen tekortkomingen, dan het hof in dit arrest zal vaststellen.
2.5
[appellant] loopt in zijn reactie op de eerste vier vragen daarnaast vooruit op de onderwerpen die hierna nog afzonderlijk aan de orde zullen komen, zoals de door hem veronderstelde overdimensionering en zijn klacht over pendelen en het ontbreken van een centrale regeling. Ook die klachten hebben volgens hem invloed op het rendement. Hierna zal echter blijken dat bedoelde klachten grotendeels niet slagen. Voor het overige is niet gebleken dat de volgens Mitsubishi haalbare SCOP van 4.05 met deze installatie niet kan worden gehaald. Uit het antwoord van de deskundige op vraag (d) van Rouwenhorst (rapport, pagina 16) leidt het hof af dat hij wel aannemelijk acht dat dit rendement wordt gehaald.
2.6
Het hof gaat dus uit van een tekortkoming, inhoudende dat het rendement van het buitendeel niet SCOP 4,8 is maar SCOP 4,05, dus 16 % te weinig. Op de vraag naar de mogelijkheden voor herstel van deze tekortkoming heeft de deskundige geantwoord dat herstel niet goed mogelijk is. De deskundige merkt wel op dat met een andere, duurdere, installatie een lager energiegebruik mogelijk is en dat met regeltechnische optimalisatie het jaarlijks verbruik verlaagd kan worden. Naar het oordeel van het hof betekent dit nog niet direct dat herstel alleen kan worden gerealiseerd door een rigoureus ander ontwerp, zoals [appellant] stelt. Het hof heeft behoefte aan nadere informatie door de deskundige over wat hij precies bedoelt met een andere duurdere installatie en regeltechnische optimalisatie, en welke meerprijs of meerkosten daaraan verbonden zijn.
2.7
In antwoord op de vraag hoeveel elektriciteit [appellant] door het te lage rendement teveel heeft verbruikt in 2020, 2021 en 2022 is de deskundige uitgegaan van 16% verschil tussen het beloofde rendement van 4,8 en het haalbare rendement van 4,05. De bezwaren van partijen tegen die aanpak stuiten af op wat hiervoor is overwogen. De deskundige komt dan uit op een bedrag van € 1.252,30. Volgens [appellant] klopt die berekening niet. De deskundige gaat er volgens hem aan voorbij dat [appellant] jaarlijks de installatie vijf maanden uitschakelt. Dit laat echter onverlet dat de installatie vijf maanden niet in werking is. Naar het hof begrijpt, woont [appellant] dan in zijn huis op [plaats] . Het hof ziet niet in waarom de deskundige geen rekening zou mogen houden met de situatie zoals die zich in werkelijkheid voordoet, en dat is dat [appellant] gedurende vijf maanden elders woont en het nadeel van het mindere rendement zich dan niet verwezenlijkt. Verder klopt het door de deskundige toegepaste tarief volgens [appellant] niet met de CBS cijfers. De tarieven moeten zijn: € 0,25 in 2020, € 0,25 in 2021 en € 0,38 in 2022. In haar memorie is Rouwenhorst daar niet op ingegaan, zodat het hof dit als onweersproken voor juist zal aannemen. Verder gaat [appellant] uit van veel meer extra elektriciteitsverbruik. Het hof ziet echter, onder verwijzing naar de verdere overwegingen in dit arrest, geen reden om niet de deskundige te volgen en gaat dus uit van 16% teveel verbruik. Het hof zal de berekening dan ook alleen aanpassen met de door [appellant] genoemde tarieven:
Jaar
Correctie SCOP-COP volgens deskundige
Tarief volgens [appellant]
Schade
2020
734 kWh
0,25
€ 183,50
2021
2.461 kWh
0,25
€ 615,25
2022
1.767 kWh
0,38
€ 671,46
2.8
Aldus bedraagt deze schade in totaal € 1.470,21.
2.9
Wat betreft het feit dat de installatie zelden of nooit een COP van 8 zal halen, heeft de deskundige geen schadebedrag genoemd. Ook [appellant] heeft dat niet gedaan. Het gaat hier dan ook om een COP die zich op grond van de toezegging op alleen momentopnamen zou hebben kunnen voordoen, welke momenten er in de praktijk dus zelden of nooit zijn. Als daardoor al schade ontstaat, dan zal die verdisconteerd zijn in de schade door het jaarlijks lagere rendement dan is beloofd.
De capaciteit van de installatie
2.1
De vragen 2 v tm. vii gaan over de vraag of de capaciteit van de installatie voldoende en adequaat is voor verwarmen en koelen. Volgens de deskundige is de capaciteit voor verwarmen voldoende en adequaat. Qua koeling voldoet de capaciteit niet: er is minder geleverd dan in de berekening staat. Dit betreft minimaal twee en maximaal vier ruimten.
2.11
Wat betreft verwarmen blijkt uit het deskundigenrapport dat de warmtepompen ruim voldoende capaciteit leveren. Volgens [appellant] echter is er veel te veel capaciteit. Hij noemt dat overdimensionering. Volgens [appellant] had veel meer bespaard kunnen worden bij een fundamenteel ander ontwerp. Ook leidt het capaciteitsoverschot ertoe dat de pompen vaker zullen afslaan en weer aangaan (pendelen) wat weer inefficiënt is.
2.12
Volgens de deskundige is er in het winterscenario inderdaad een zekere reservecapaciteit in het systeem. Maar volgens de deskundige heeft dat zowel voordelen (compensatie van vermindering van capaciteit door vervuiling en minder snel last van bevriezing) als een nadeel (de laatste vermogenstrap is relatief hoog) en is er bij deellast veel in- en uitschakelen (pendelen). Niet blijkt dat de scenario’s en gemaakte keuzes vooraf besproken zijn. Met kleinere warmtepompen had bij de bouw een besparing van € 5.000 tot € 7.000 gerealiseerd kunnen worden, aldus de deskundige.
2.13
Het hof leest in het deskundigenbericht niet dat hier een fout is gemaakt. De deskundige vindt de capaciteit van de installatie wat betreft verwarmen voldoende en passend. Hij gaat dus niet uit van overdimensionering. De door Rouwenhorst gemaakte keuze voor deze installatie vindt het hof gelet daarop verdedigbaar, want die keuze heeft volgens de deskundige voordelen en een nadeel. Voor elk systeem zal gelden dat dit niet alleen maar voordelige kanten heeft. Hooguit had de communicatie over de gemaakte keuze transparanter kunnen zijn, maar het minimale bestek gaf Rouwenhorst veel ruimte. Verder benoemt de deskundige het pendelen niet als gebrek, maar iets wat hoort bij een systeem als dit. Overigens heeft het hof in rechtsoverweging 2.5 van het arrest van 4 februari 2025 (hierna: het tweede tussenarrest) al geoordeeld dat de klacht over pendelen niet aansluit op het tot dan toe gevoerde debat en daarom niet in de vraagstelling wordt betrokken.
2.14
De deskundige schrijft verder dat de capaciteit voor koelen in twee van de zeven ruimtes, te weten de woonkamer en het poolhouse, onvoldoende is. Dit geldt bij een maximale koelvraag onder zomercondities. Naar het oordeel van het hof levert dat een tekortkoming op.
2.15
Rouwenhorst stelt dat het hof de klacht over het koelen al zou hebben afgedaan in rechtsoverweging 4.26 van het arrest van 23 juli 2024 (hierna: het eerste tussenarrest). Maar die overweging had betrekking op de klacht over ventilatie als aspect van koeling in het algemeen, die nogal vaag was onderbouwd. In de klacht over koelen lag echter ook een verwijt besloten inzake een te lage capaciteit (bijvoorbeeld door het beroep dat [appellant] heeft gedaan op het rapport van M-trix en de daarin opgenomen tabel). Op dat verwijt in het bijzonder was het hof nog niet ingegaan in het eerste tussenarrest, omdat het hof dat op dat moment niet goed kon overzien vanwege de technische complexiteit van de discussie. In rechtsoverweging 2.5 van het tweede tussenarrest heeft het hof vervolgens onderkend dat de vragen over de capaciteit, ook die ter zake van het koelen, liggen binnen de grenzen van het gevoerde debat en heeft het alsnog daarover vragen gesteld aan de deskundige. Het antwoord van de deskundige daarop zal het hof daarom wel in zijn beoordeling betrekken.
2.16
Een bedrag voor herstelkosten voor dit gebrek noemt de deskundige niet. Wel stelt hij dat meer capaciteit duurder was geweest, maar dat laat onverlet dat [appellant] voldoende capaciteit mocht verwachten op basis van de overeenkomst en de afgesproken prijs. Ook hier geldt dat het hof behoefte heeft aan een nadere toelichting door de deskundige op het punt van wat het kost om de installatie zo aan te passen dat beide ruimtes wel voldoende worden gekoeld.
2.17
Verder zegt de deskundige dat als gevolg van de te lage capaciteit niet te veel stroom is verbruikt, eerder minder. Daar is [appellant] het niet mee eens: ook deze ondercapaciteit leidt volgens hem tot pendelen en daarmee inefficiënt stroomverbruik. Het hof gaat daar niet in mee, onder verwijzing naar wat hiervoor is overwogen over het pendelen.
2.18
[appellant] noemt verder het door hem ondervonden gebrek aan comfort dat er was door de onvoldoende koeling. Ook de deskundige verwijst daarnaar. Ter zake is echter geen vordering ingesteld.
De centrale regeling
2.19
De vragen onder 2 (i tm v) gaan over de centrale regeling. Dat is wat anders dan bediening van het systeem met het domotica-systeem. Daarvan heeft het hof al in het eerste tussenarrest overwogen dat [appellant] daarover bij oplevering had moeten klagen, wat hij niet heeft gedaan (r.o. 4.25).
2.2
De deskundige benoemt terecht dat de centrale regeling in de opdracht (de calculatieregels) alleen wordt genoemd bij koelen en verwarmen en niet bij de rest van het systeem.
2.21
Het hof heeft daarom in het eerste tussenarrest (r.o. 4.19) al gezegd dat een centrale regeling van verwarmen en koelen mocht worden verwacht. Uit het deskundigenbericht blijkt echter dat alle systemen los van elkaar opereren. Er is dus qua regeling geen connectie tussen verwarmen en koelen. Met name hebben de vloerverwarming, cv systeem en VRF systeem (koelen en verwarmen) geen regeltechnische interactie, aldus de deskundige.
Naar het oordeel van het hof levert dat een tekortkoming op.
2.22
Herstel is volgens de deskundige mogelijk door het aanbrengen van een regeling voor de pompen voor een bedrag van € 10.000 exclusief btw en een vloerverwarmingsregeling voor € 4.000 inclusief montage en exclusief btw. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de btw in deze tot de schade behoort, nu [appellant] hier optreedt als consument.
2.23
Volgens [appellant] zijn deze bedragen door de deskundige onvoldoende onderbouwd en ontoereikend. Die opvatting gaat er onder meer van uit dat een verdere overkoepelende regeling nodig is en dat standpunt zal hieronder worden verworpen. Verder acht het hof de door de deskundige genoemde bedragen voldoende onderbouwd, nu die zijn gebaseerd op zijn ervaring en deskundigheid.
2.24
Een (verdere) overkoepelende regeling (dus ook communicatie met de rest van de installatie) is niet overeengekomen en volgens de deskundige ook niet noodzakelijk en niet altijd gebruikelijk, behalve dan een voorziening die het gelijktijdig opwarmen en koelen blokkeert, zo begrijpt het hof zijn antwoorden. Dat laatste kan echter al bereikt worden met de eerder genoemde maatregel van € 4.000 exclusief btw.
2.25
Volgens [appellant] is een overkoepelende regeling misschien niet gebruikelijk en noodzakelijk bij doorsnee woningen maar wel bij deze woning en deze installatie. Maar een voldoende onderbouwing op grond waarvan het hof de bevindingen van de deskundige in twijfel zou moeten trekken ontbreekt. Zo is geen enkel document overgelegd waaruit het gestelde gebruik of noodzaak zou kunnen blijken. [appellant] geeft een uitgebreide eigen technische beschouwing, maar het hof is niet overtuigd waarom het hem zou moeten volgen in plaats van de deskundige. Juist omdat partijen op technisch niveau met elkaar van mening verschillen, heeft het hof een deskundige ingeschakeld. Dat [appellant] zich niet (geheel) kan vinden in diens bevindingen, is niet voldoende om het rapport terzijde te leggen.
2.26
Wat betreft de blokkeringsregeling van € 4.000,- exclusief btw klaagt [appellant] dat de oplossing die de deskundige biedt loopt via het domotica-systeem. Dit is volgens [appellant] een omslachtige en foutgevoelige omweg. De goede methode is volgens hem het aanbrengen van een centrale regelaar. M-trix begroot de kosten daarvan op € 40.000 voor een overkoepelende regeling en € 15.000 voor draadloze regeling van de vloerverwarming. Het hof merkt op dat het hier dan kennelijk toch weer over een overkoepelende regeling gaat, terwijl hiervoor is geoordeeld dat dit niet tot de overeenkomst behoort. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een hoger bedrag dan wat door de deskundige is begroot. Het hof wijst er daarbij ook op dat [appellant] dit punt van kritiek ook niet na het conceptrapport aan de deskundige heeft voorgelegd. Dat had wel voor de hand gelegen. En verder geldt voor de door de deskundige genoemde bedragen dat dit inschattingen zijn, die hij voldoende heeft toegelicht.
2.27
Volgens Rouwenhorst is de deskundige op het punt van de blokkeringsregeling buiten de opdracht getreden. Het hof kan dit niet volgen omdat vragen zijn gesteld over de centrale regeling en de antwoorden daarop betrekking hebben. Rouwenhorst doet ook nog een beroep op voordeelsverrekening maar de onderbouwing daarvan schiet naar het oordeel van het hof tekort.
Conclusie
2.28
De volgende klachten slagen:
te laag rendement van het buitendeel, herstelkosten nog onbekend, gevolgschade over 2020 tm. 2022 is € 1.470,21;
onvoldoende koelcapaciteit in twee ruimtes, herstelkosten nog onbekend;
ontbrekende centrale regeling voor verwarmen/koelen, herstelkosten € 14.000 excl. btw (€ 16.940,- incl. btw);
ontbrekende blokkeringsregeling, herstelkosten € 4.000,- excl. btw (€ 4.840,- incl. btw).
2.29
Alle overige klachten zijn ongegrond. De bewijsaanbiedingen van [appellant] zien eraan voorbij dat wanneer het standpunt van een door een partij geraadpleegde deskundige afwijkt van dat van de door de rechter benoemde deskundige, de rechter zijn beslissing om de zienswijze van de laatstgenoemde deskundige te volgen in het algemeen niet verder hoeft te motiveren dan door te overwegen dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt, en dat is hier het geval. Door [appellant] zijn bovendien geen reacties van door hem geraadpleegde deskundigen ingebracht. Wel zal de rechter moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige, indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze [1] . Dat heeft het hof gedaan. Waar [appellant] schriftelijk bewijs aanbiedt, is verder de regel dat daarom niet hoeft te worden gevraagd, maar dat schriftelijk bewijs direct kan worden ingebracht. Voor zover getuigenbewijs is aangeboden, is ook niet uitgelegd wie
als getuige(dus niet als deskundige) over een bepaald thema iets zou kunnen verklaren.
2.3
Het hof zal een mondelinge behandeling gelasten, waarbij ook de deskundige aanwezig zal zijn om op de voet van artikel 194 lid Pro 5 (oud) Rv [2] . de vragen van het hof te beantwoorden over de kosten voor herstel van het te lage rendement van het buitendeel (r.o. 2.6) en de kosten voor het herstel van de te lage koelcapaciteit in twee ruimtes (r.o. 2.14 en 2.16). Het is daarbij uitdrukkelijk niet de bedoeling dat partijen over de hierboven afgedane kwesties opnieuw het debat aangaan. Verder zal de zitting vooral benut worden om bij deze stand van zaken opnieuw een minnelijke regeling te beproeven. Uiteraard wordt partijen in overweging gegeven om met in achtneming van dit arrest eerst zelf de mogelijkheden voor een schikking opnieuw te onderzoeken.
2.31
Het hof heeft de deskundige al om zijn verhinderdata gevraagd. Ook is hem gevraagd zijn nadere voorschot te bepalen voor de aanwezigheid op de zitting. Dit bedraagt € 3.805,20 (16 uur tegen het uurtarief van € 195,00 exclusief btw is € 3.120,00 exclusief btw, vermeerderd met 21% btw = € 3.775,20, plus reiskosten van € 30,00).
2.32
Dit voorschot zal wederom door partij [appellant] moeten worden gestort. In geval van bezwaren tegen de hoogte van dit voorschot, kunnen partijen dat (onderbouwd) aangeven in de H-formulieren waarin zij hun verhinderdata doorgeven, waarna hierop zal worden beslist door de raadsheer-commissaris.

3.De beslissing

Het hof
i. bepaalt een mondelinge behandeling, waarbij partijen (in persoon of vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en die tot het geven van inlichtingen in staat is en bevoegd is om een schikking aan te gaan) samen met hun advocaten zullen verschijnen voor de meervoudige kamer van het hof;
bepaalt dat tijdens die mondelinge behandeling ook de deskundige zal worden gehoord voor het geven van een nadere mondelinge toelichting op de in rechtsoverweging 2.30 van dit arrest genoemde punten;
verwijst de zaak naar de rol van
twee weken na arrestvoor het opgeven van verhinderdata door partijen over een periode van zes maanden, waarna dag en uur voor de zitting zullen worden bepaald;
bepaalt dat de zitting zal plaatsvinden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem;
bepaalt dat als een partij bij de mondelinge behandeling nog processtukken of andere stukken wil inbrengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij
uiterlijk 10 dagenvoor de mondelinge behandeling een kopie van deze stukken hebben ontvangen (het hof in tweevoud, de wederpartij in enkelvoud);
stelt het nadere voorschot van de deskundige vast op € 3.805,20 en bepaalt dat [appellant] dat voorschot moet betalen;
bepaalt dat Het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak aan [appellant] een voorschotfactuur sturen van € 3.805,20 zal sturen en dit voorschot binnen 4 weken na de datum op de factuur moet zijn betaald;
bepaalt dat [appellant] aan de deskundige een kopie van de memories na deskundigenbericht en een kopie van dit arrest moet sturen;
bepaalt dat als de deskundige vragen heeft, hij die kan stellen aan mr. L. Janse, raadsheer-commissaris;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, J. Sap en S. Kropman en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 3-5-2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468 en HR 5-12-2003, ECLI:2003:AN8478 en HR 9-12-2011, ECLI:2011:BT2921
2.Op deze zaak is het oude bewijsrecht van toepassing. Onder het nieuwe bewijsrecht geldt dezelfde regeling maar is die neergelegd in artikel 186 lid 5 Rv Pro.