ECLI:NL:GHARL:2026:4920

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
200.351.492
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:47 BWArt. 3:14 BWArt. 60 Boek 5 BWArt. 14 Wegenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over mandeligheid en erfgrens op bedrijventerrein Barneveld

De zaak betreft een geschil tussen eigenaren van bedrijfspanden op het bedrijventerrein Briellaerd Noord te Barneveld over de mandeligheid van een ontsluitingsweg (perceel 6512) en de erfgrens met perceel 6513 van TCE Holding. De gemeente en projectontwikkelaar beoogden dat eigenaren van tien percelen ieder een onverdeeld aandeel in perceel 6512 zouden verkrijgen en mandeligheid zou worden gevestigd. Dit is echter slechts gedeeltelijk gerealiseerd, waarbij alleen [broer1] een aandeel verkreeg.

[De broers] vorderden dat TCE Holding meewerkt aan de vestiging van mandeligheid en dat de erfgrens wordt vastgesteld. Het hof oordeelt dat TCE Holding niet verplicht is het aandeel te verwerven of mandeligheid te vestigen, mede omdat onduidelijk is of zij rechthebbende is van het aandeel. De vordering tot medewerking wordt afgewezen.

Verder stelt het hof de erfgrens tussen perceel 6512 en 6513 definitief vast langs de zijgevel van het pand van TCE Holding. Ten slotte oordeelt het hof dat perceel 6512 geen openbare weg is in de zin van de Wegenwet, waardoor TCE Holding verboden wordt te parkeren op dit perceel. De vorderingen van [broer2] worden afgewezen. TCE Holding wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan [broer1].

Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot medewerking aan mandeligheid af, stelt de erfgrens vast en verbiedt TCE Holding te parkeren op perceel 6512.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.492
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, C/05/428327
arrest van 28 juli 2026
in de zaak van
1. [broer1]
2. [broer2] , tezamen [de broers] )
die beiden wonen in [woonplaats]
advocaat: mr. D.S. Muller
en
TCE Holding B.V.
die is gevestigd in Barneveld
advocaat: mr. J.J.H. Post

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[de broers] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 14 augustus 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven, tevens wijziging van eis
  • de memorie van antwoord tevens bezwaar eisvermeerdering in appel
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 25 februari 2026 is gehouden, waarin onder meer is vastgelegd dat het hof het bezwaar van TCE Holding tegen de vermeerdering van eis door [de broers] ongegrond heeft verklaard (blad 3).

2.De kern van de zaak

2.1.
[broer1] , [broer2] en TCE Holding zijn ieder eigenaar van drie afzonderlijke bedrijfspanden op het bedrijventerrein aan de Anthonie Fokkerstraat te Barneveld. Een gedeelte van de weg die vanuit de bedrijfspanden toegang verleent tot de Anthonie Fokkerstraat is voor 9/10 eigendom van de gemeente Barneveld (hierna: de Gemeente) en voor 1/10 van [broer1] . Dit perceel heeft de kadastrale aanduiding (sectie E) nr. 6512 en wordt hierna perceel 6512 genoemd. [de broers] zijn van oordeel dat TCE Holding verplicht is medewerking te verlenen aan de vestiging van mandeligheid op perceel 6512.
2.2.
[de broers] hebben bij de rechtbank gevorderd dat TCE Holding onder verbeurte van dwangsommen wordt veroordeeld tot medewerking aan de vestiging van mandeligheid op perceel 6512.
2.3.
De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vordering alsnog wordt toegewezen. Bovendien hebben [de broers] hun eis vermeerderd met de vordering dat het hof de grens bepaalt tussen perceel 6512 en het perceel van TCE Holding (sectie E nummer 6513, hierna: perceel 6513) en dat het hof TCE Holding beveelt de parkeerplaatsen direct aangrenzend en evenwijdig aan haar zijgevel te ontruimen.
2.4.
Het hof laat het vonnis van de rechtbank, voor zover gewezen tussen TCE Holding en [broer1] , niet in stand. Het hof zal beslissen dat er geen verplichting rust op TCE Holding om mee te werken aan de vestiging van mandeligheid op perceel 6512. Het hof zal verder de erfgrens tussen de percelen 6512 en 6513 bepalen en TCE Holding verbieden op perceel 6512 te parkeren. Het hof licht dat hierna toe. Eerst zal het hof de tussen partijen vaststaande feiten weergeven.

3.De feiten

3.1.
[broer1] is eigenaar van het bedrijfspand aan de Anthonie Fokkerstraat 51D te Barneveld (kadastraal nummer 6507). [broer2] is eigenaar van het bedrijfspand aan de Anthonie Fokkerstraat 51E (kadastraal nummer 6508). TCE Holding is eigenaar van het bedrijfspand aan de Anthonie Fokkerstraat 51B (kadastraal nummer 6513). De lokale situatie blijkt uit het hieronder weergegeven detail van een kaart:
3.2.
De percelen zijn onderdeel van het Bedrijventerrein Briellaerd Noord. Het gedeelte dat grijs is gestippeld is de toegangs- en ontsluitingsweg vanuit de bedrijfspanden naar de Anthonie Fokkerstraat die links van de afbeelding is gesitueerd. Het meest linkse deel van de uitweg, vanaf de nagenoeg verticale lijn vanuit de achtergevel van perceel 51B, is perceel 6512, waarvan de Gemeente voor 9/10 eigenaar is en [broer1] voor 1/10. Tegen de zijgevel van perceel 51B zijn op de tekening drie parkeervakken getekend, welke parkeervakken ook in werkelijkheid zijn aangeduid met een afwijkende klinker. Bij de uitgifte van de kavels is de kadastrale grens tussen perceel 6512 en perceel 6513 (van TCE Holding) voorlopig bepaald op de lijn die langs de zijgevel van gebouw 51B loopt. Volgens die voorlopige kadastrale grens liggen de drie parkeervakken op perceel 6512. Deze drie parkeervakken zijn in gebruik bij TCE Holding. In die zijgevel is ter plaatse van het achterste en middelste parkeervak een roldeur geplaatst, zoals blijkt uit de hieronder weergegeven foto:
3.3.
Voor alle duidelijkheid wordt hieronder een uitsnede uit de kadastrale kaart weergegeven:
3.4.
In november 2017 heeft [broer1] van [de projectontwikkelaar] (hierna: [de projectontwikkelaar] ) perceel 51D gekocht, evenals:
“Alsmede één / tiende onverdeeld aandeel in een mandelige terrein, bestaande uit een toegangs- en ontsluitingsweg bestemd tot gemeenschappelijk gebruik. Kadastraal bekend als Gemeente Barneveld, Sectie E, Nummers 6099 en 6102, (Voorlopige) Totale grootte 2 are 63 centiare. Zoals op de situatietekening d.d. 14 december 2016 is aangegeven, welke situatietekening als bijlage bij deze Overeenkomst is opgenomen.”
3.5.
Artikel 19 (Bijzondere verkoopvoorwaarden overeenkomst) lid 2 luidt als volgt:
“Voor wat betreft de mandelige weg, verklaart Koper bekend te zijn met de inhoud van deze mandelige weg en zijn 1/10e onverdeeld aandeel hierin. Met betrekking tot het gezamenlijk gebruik van deze weg en de verdeling van de kosten, zullen de betrokken partijen tijdig, doch voor notariële levering afspraken maken. De mandelige weg zal in gebruik zijn bij de eigenaren en/of gebruikers van de bedrijfsruimten onderdeel uitmakend van het bedrijfsverzamelgebouw Briellaard Noord te Bareveld, kavel 13, bedrijfsunit 1 tot en met 9, alsmede van de eigenaar en/of gebruikers van de bedrijfsruimte staande en gelegen aan de Anthonie Fokkerstraat 49d en de eigenaren en/of gebruikers van de bedrijfsunits in het project BarnBox (gelegen achter Antonie Fokkerstraat 49), bekend als de bouwnummers D1 tot en met D10.”
3.6.
De percelen zijn bij notariële leveringsakte van 20 november 2017 aan [broer1] geleverd, waarbij [broer1] de eigendom rechtstreeks verkreeg van de Gemeente. Op p. 21-24 van deze akte komen de volgende bepalingen voor:
Bepalingen mandeligheid
De percelen kadastraal bekend gemeente Barneveld sectie E nummer 6099 en 6102 (aan welke percelen door het kadaster een voorlopige kadastrale grens en oppervlakte is toegekend), bestemd tot weg, alsmede in- en uitrit, hierna ook te noemen: “de mandelige zaak” worden bestemd tot gemeenschappelijk nut van de op kavel 12 te stichten bedrijfsunit nummer 4 (…) alsmede de negen bedrijfsunits te stichten op kavel 13 (…) middels de rechtsfiguur van mandeligheid zoals bedoeld in artikel 60 van Pro Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek.
De bestemming van de mandelige zaak geschiedt onder de navolgende bepalingen en voorwaarden.
A. Beheer en beschikking
(…)
4. Handelingen dienende tot gewoon onderhoud of behoud van de mandelige zaak, alsmede handelingen die geen uitstel kunnen lijden, kunnen door ieder van de deelgenoten zonodig zelfstandig worden verricht. Tot de overige daden van beheer, daden van beschikking alsmede andere handelingen met betrekking tot de mandelige zaak zijn de deelgenoten uitsluitend samen bevoegd. De deelgenoten kunnen elkaar zonodig volmacht geven om ten aanzien van de mandelige zaak handelingen te verrichten binnen de grenzen van de volmacht.
(…)
B. Het gebruik
(…)
3. de als weg aangelegde mandelige zaak is bestemd om daarover te voet of met rijwielen, motorrijtuigen (vracht)auto’s en andere als dan niet gemotoriseerde voertuigen te gaan naar en te komen van de openbare weg en de erven (kavel) van de deelgenoten en overigens onder de navolgende bepalingen:
a. op de mandelige zaak in de wegenverkeerswetgeving van toepassing;
(…)
d. het is de deelgenoten verboden om vervoermiddelen van welke aard ook of andere zaken op de mandelige zaak te parkeren of te plaatsen anders dan voor het directe gebruik van de mandelige zaak.
e. iedere deelgenoot is verplicht zich te onthouden van luidruchtigheid, en het plaatsen van voertuigen of andere voorwerpen op plaatsen die hiervoor niet zijn bestemd. Met name mogen de doorgangen voor voertuigen op het omliggende terrein niet geblokkeerd worden, anders dan dat dit strikt noodzakelijk is voor laden en lossen. Dit laden en lossen dient in tijdsduur zoveel mogelijk beperkt te worden, zodat hier door de andere gebruikers van het terrein zo weinig mogelijk hinder wordt ondervonden.”
(..)
C. Bijdrage in de kosten. Verzekering. Schade en herstel
1. ieder van de deelgenoten is voor een gedeelte dat overeenkomst met zijn onverdeelde aandeel in de mandelige zaak verplicht mee te dragen in de kosten van beheer, verzekering, onderhoud, reiniging, herstel en vernieuwing, daaronder in ieder geval begrepen de weg met aanbehoren, bestrating/verharding, eventuele groenvoorziening, verlichting en stroomverbruik daarvan, riolering, ondergrondse en bovengrondse leidingen, kabels en buizen voor energie- en watervoorziening, en overige werken van infrastructuur. Iedere deelgenoot is een door de vergadering van deelgenoten vast te stellen periodieke voorschotbijdrage verschuldigd met betrekking tot de hiervoor bedoelde kosten.”
3.7.
Bij koop-aannemingsovereenkomst van 9 maart 2017 heeft [de projectontwikkelaar] aan [broer2] perceel 51E verkocht, evenals:
“Het één / tiende onverdeeld aandeel in een mandelige terrein, bestaande uit een toegangs- en ontsluitingsweg bestemd tot gemeenschappelijk gebruik. Kadastraal bekend als Gemeente Barneveld, Sectie E, Nummers 6099 en 6102, (Voorlopige) Totale grootte 2 are 63 centiare. Zoals op de situatie tekening, welke als bijlage bij dit taxatie rapport is opgenomen, is aangegeven.”
3.8.
In artikel 20 lid 2 van Pro de koop-aannemingsovereenkomst is (vrijwel) het zelfde opgenomen als in artikel 19 lid 2 van Pro de koopovereenkomst met [broer1] is opgenomen:

Voor wat betreft de mandelige weg, verklaart Koper bekend te zijn met de inhoud van deze mandelige weg en zijn 1/10e onverdeeld aandeel hierin. Met betrekking tot het gezamenlijk gebruik van deze weg en de verdeling van de kosten, zullen de betrokken partijen tijdig, doch voor notariële levering afspraken maken. De mandelige weg zal in gebruik zijn bij de eigenaren en/of gebruikers van de bedrijfsruimten onderdeel uitmakend van het bedrijfsverzamelgebouw Briellaard Noord te Bareveld, kavel 13, bedrijfsunit 1 tot en met 9.
3.9.
Bij notariële leveringsakte van 30 maart 2017 is aan [broer2] perceel 51E geleverd, waarbij [broer2] de eigendom rechtstreeks verkreeg van de Gemeente. Het 1/10e aandeel in perceel 6512 is niet geleverd. Op p. 15 van de notariële leveringsakte komt de volgende bepaling voor:
VOLMACHT AANKOOP MANDELIGHEID
Koper verklaart bij deze volmacht te geven aan:
de medewerkers van Masmeijer & Van der Heide Notariaat te Ede, zowel aan hen tezamen als een ieder van hen afzonderlijk;
speciaal om voor en namens koper over te gaan tot de aankoop van en ingevolge gemelde koopovereenkomst in eigendom te aanvaarden:
een/tiende onverdeeld aandeel in de percelen kadastraal bekend gemeente Barneveld sectie E nummers 6099 en 6102, welke tot mandelig perceel zullen worden bestemd bestaande uit een toegangs- en ontsluitingsweg bestemd tot gemeenschappelijk gebruik, onder de hierna omschreven bepalingen.
De koopprijs voor dit een/tiende onverdeeld aandeel is verdisconteerd in de in deze akte vermelde koopprijs, zodat koper terzake deze verkrijging niets meer verschuldigd is ook niet voorzover het betreft belastingen over de koopprijs.”
3.10.
De akte vervolgt met de bepalingen over de bestemming tot mandeligheid van perceel 6512 die ook in de notariële leveringsakte van 20 november 2017 zijn opgenomen en waarvan een gedeelte in 3.6 hierboven is geciteerd.
3.11.
Bij notariële leveringsakte van 17 januari 2017 is aan JHOLD B.V. (het huidige) perceel 6513 geleverd, waarbij JHOLD de eigendom rechtstreeks verkreeg van de Gemeente. De aan deze overdracht ten grondslag liggende koopovereenkomst met [de projectontwikkelaar] is niet overgelegd. Op p. 21 tot en met 26 van deze notariële leveringsakte komt eenzelfde volmachtverlening voor als in 3.9 geciteerd, aangevuld met dezelfde bepalingen over de bestemming tot mandeligheid, waarvan een deel is opgenomen in 3.6 hierboven.
3.12.
Op 30 april 2018 heeft [de projectontwikkelaar] aan The Clean Experience v.o.f. (hierna: de v.o.f.) (het huidige) perceel 6513 verkocht en:
“Alsmede één / tiende onverdeeld aandeel in een mandelige terrein, bestaande uit een toegangs- en ontsluitingsweg bestemd tot gemeenschappelijk gebruik. Kadastraal bekend als Gemeente Barneveld, Sectie E, Nummers 6099 en 6102, (Voorlopige) Totale grootte 2 are 63 centiare. Zoals op de situatietekening is aangegeven, welke situatietekening als bijlage bij deze Overeenkomst is opgenomen.”
3.13.
Van deze koopovereenkomst is alleen de eerste bladzijde overgelegd.
3.14.
Bij notariële akte van 27 juni 2018 heeft [de projectontwikkelaar] als vervreemder aan de v.o.f. perceel 6513 geleverd, alsmede:
“het één/tiende onverdeeld aandeel in een perceel weg, bestemd als mandelig perceel, gelegen aan de Anthonie Fokkerstraat te Barneveld, groot (ongeveer) twee are tweeënzestig centiare (00.02.62 ha.), kadastraal bekend gemeente Barneveld, sectie E, nummer 6099, en groot (ongeveer) één centiare (00.00.01 ha.), kadastraal bekend gemeente Barneveld, sectie E, nummer 6102, aan welke kadastrale percelen door het Kadaster voorlopige kadastrale grenzen- en oppervlaktes zijn toegekend.”
3.15.
Onder het kopje
“Voorgaande verkrijging”is vermeld dat [de projectontwikkelaar] het verkochte in eigendom zal verkrijgen door de inschrijving in het Kadaster van een afschrift van een akte van levering
“op heden voor mij, notaris, te verlijden”. Op p. 20 tot en met 24 komen dezelfde bepalingen voor over de bestemming tot mandeligheid als hierboven geciteerd. Bij akte van inbreng van 24 december 2018 heeft de v.o.f. perceel 6513 en het 1/10 onverdeelde aandeel in perceel 6512 ingebracht in TCE Holding. De bepalingen omtrent de bestemming tot mandeligheid zijn ook in deze akte opgenomen (p. 22 tot en met 27).
3.16.
In het Kadaster stond blijkens een uittreksel van 15 maart 2021 vermeld dat perceel 6512 een mandelige zaak was van de hoofdpercelen 6500, 6513, 6107, 6505, 6508, 6511, 6103, 6509, 6510 en 6507. Op enig moment is deze vermelding gewijzigd. Nu staat in het Kadaster vermeld dat de Gemeente voor 9/10 deel en [broer1] voor 1/10 deel eigenaar van het perceel zijn.
3.17.
Notaris [de notaris] heeft een notitie opgesteld over de vestiging van mandeligheid op perceel 6512. Volgens hem was het de bedoeling dat deze mandeligheid zou worden gevestigd door de eigenaren van de tien percelen 6500, 6513, 6107, 6505, 6508, 6511, 6103, 6509, 6510 en 6507. Vestiging heeft echter niet plaatsgevonden. [broer1] , eigenaar van perceel 6507 (Anthonie Fokkerstraat 51D), is de enige aan wie het 1/10 onverdeelde aandeel in eigendom is overgedragen, zodat hij en de Gemeente deelgenoten zijn voor 1/10, resp. 9/10. Niet alleen in de leveringsaktes aan [broer2] (perceel 6508) en (de rechtsvoorgangers van) TCE Holding (perceel 6513), maar ook in die voor de percelen 6500, 6107, 6505, 6511, 6103, 6509 en 6510 komen de bepalingen over de volmacht tot levering van het 1/10 onverdeelde aandeel en de bepalingen over de bestemming tot mandeligheid voor.
3.18.
De eigenaren van de percelen 6107 (Anthonie Fokkerstraat 51), 6103 (51A), 6505 (51C), 6509 (51G), 6510 (51H) en 6511 (51J) hebben schriftelijk aan [de broers] meegedeeld mee te willen werken aan de vestiging van mandeligheid op perceel 6512.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

Overzicht van te behandelen onderwerpen
4.1.
[de broers] willen dat TCE Holding in haar hoedanigheid van eigenaar van perceel 6513 een onverdeeld aandeel in perceel 6512 verwerft en meewerkt aan de vestiging van mandeligheid van perceel 6512. Zij verzoeken verder dat het hof de grens bepaalt tussen de percelen 6512 en 6513. Deze grens is nu als een voorlopige in het Kadaster opgenomen. Tenslotte vorderen [de broers] dat TCE Holding niet meer parkeert op het perceel 6512 en het perceel ontruimt. De vordering tot ontruiming van de parkeerplaatsen raakt aan de kern van het geschil tussen partijen, omdat [de broers] stellen hinder te ondervinden van het gebruik door TCE Holding van de drie parkeerplaatsen langs de zijgevel van het bedrijfspand van TCE Holding (perceel 6513, nr. 51B). De geparkeerde auto’s belemmeren volgens [de broers] de verkeersafwikkeling over de toegangs- en ontsluitingsweg. Het hof zal voor ieder onderwerp de argumenten over en weer bespreken en een beslissing nemen. Voor de beslissing van het laatste punt, te weten de ontruiming door TCE Holding van perceel 6512, is het nodig te onderzoeken of de weg op perceel 6512 al dan niet een openbare weg is. Ook daarover zal het hof een beslissing nemen.
Bestaat er voor TCE Holding een verplichting om het onverdeelde aandeel in perceel 6512 te verwerven en mee te werken aan de vestiging van mandeligheid van dit perceel?
4.2.
Uit de in 3.4 tot en met 3.16 opgenomen citaten blijkt dat het de bedoeling van de Gemeente en projectontwikkelaar [de projectontwikkelaar] was dat de eigenaren van de tien percelen 6500 (49D), 6107 (51), 6103 (51A), 6513 (51B), 6505 (51C), 6507 (51D), 6508 (51E), 6509 (51G), 6510 (51H) en 6511 (51I) ieder een onverdeeld aandeel van 10% in perceel 6512 zouden verwerven en vervolgens een mandeligheid op het perceel zouden vestigen. Deze mandeligheid zou worden beheerst door gebruiks- en andere bepalingen die al in de leveringsaktes waren opgenomen. Een deel daarvan is geciteerd in 3.6.
4.3.
Om redenen waarover ook partijen geen duidelijkheid hebben kunnen geven, is deze bedoeling alleen gerealiseerd, en dan nog maar ten dele, bij de verwerving door [broer1] van perceel 6507. Aan [broer1] is toen ook een onverdeeld aandeel in perceel 6512 in eigendom overgedragen. Er is echter geen mandeligheid gevestigd tussen hem en de Gemeente. Bij de eigendomsovergangen van de percelen 6513 (51B, TCE Holding) en 6508 (51E, [broer2] ), en overigens ook van perceel 6500 (49D, Stawo Beheer B.V.) en vermoedelijk ook de overige zes percelen, zijn de onverdeelde aandelen weliswaar verkocht maar is slechts een volmacht verleend aan het notariskantoor om de leveringshandeling voor het onverdeelde aandeel te verrichten. Wanneer het notariskantoor over zou moeten gaan tot gebruikmaking van de volmacht en op grond van wiens instructie dat zou moeten gebeuren, is onduidelijk gebleken. Uit de in 3.9 weergegeven tekst van de volmacht blijkt niet dat het notariskantoor de verplichting heeft om gebruik te maken van de volmacht. Deze in de notariële leveringsakte omschreven volmacht voor het verrichten van de leveringshandeling moet objectief worden uitgelegd. Het komt daarbij aan op de in de notariële akte van levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in deze akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de volmacht. Op basis van deze objectieve uitleg concludeert het hof dat in de leveringsakte, ook die aan TCE Holding, geen verplichting van het notariskantoor is opgenomen om gebruik te maken van de volmacht. [de broers] verdedigen overigens (niet langer) dat op TCE Holding een obligatoire verplichting rust om het onverdeelde aandeel te verwerven en mee te werken aan de vestiging van mandeligheid op perceel 6512.
4.4.
[de broers] verdedigen dat TCE Holding tegenover hen onrechtmatig handelt door niet mee te werken aan verwerving van het onverdeelde aandeel in en vestiging van mandeligheid op perceel 6512. Zou TCE Holding daaraan immers niet meewerken, dan zou het gerechtvaardigd vertrouwen van [de broers] worden beschaamd. Zij mochten er volgens hen op vertrouwen dat TCE Holding de aan de verschillende leveringsaktes ten grondslag liggende gedachte dat op perceel 6512 een mandeligheid zou worden gevestigd, zou honoreren. Door dat na te laten, handelt TCE Holding onrechtmatig tegenover [de broers]
4.5.
TCE Holding stelt zich op het standpunt dat aan haar geen onverdeeld aandeel van 10% in perceel 6512 is overgedragen. [de projectontwikkelaar] die perceel 6513 en dit aandeel aan de vof heeft verkocht, was daartoe immers niet beschikkingsbevoegd. Het hof merkt hierover op dat perceel 6513 door [de projectontwikkelaar] is verkocht aan JHOLD en op 17 januari 2017 aan JHOLD is geleverd, waarbij aan het notariskantoor een volmacht is verleend om de leveringshandeling ten aanzien van het aandeel in perceel 6512 te verrichten. [de projectontwikkelaar] heeft op 30 april 2018 perceel 6513 en het 1/10-aandeel nogmaals verkocht, ditmaal aan de vof. Beide onroerende zaken zijn vervolgens aan de vof geleverd op 27 juni 2018, met de aantekening dat [de projectontwikkelaar] het verkochte in eigendom zal verkrijgen door de inschrijving in het Kadaster van een afschrift van een akte van levering
“op heden voor mij, notaris, te verlijden”(zie 3.11 tot en met 3.15). De hier bedoelde akte is niet overgelegd. Van wie [de projectontwikkelaar] en onder welke voorwaarden de vof daarom perceel 6513 en het 1/10 aandeel heeft verkregen blijft onduidelijk. Partijen hebben daarover geen nadere informatie verstrekt, zij het dat TCE Holding ter zitting bij het hof heeft verklaard dat JHOLD van perceel 6513 af wilde om een andere kavel te kunnen kopen. Of JHOLD rechthebbende was van 1/10 aandeel in perceel 6512 en of zij dat aandeel heeft geleverd aan [de projectontwikkelaar] is niet gebleken, zodat ook niet is gebleken dat [de projectontwikkelaar] het aandeel in eigendom heeft overgedragen aan de vof. Omdat daarmee niet is vast komen te staan dat de vof rechthebbende van het 1/10 aandeel was, is ook niet komen vast te staan dat TCE Holding de eigendom van dit aandeel heeft verworven. Dit betekent dat het hof TCE Holding zal volgen in haar stelling dat zij geen rechthebbende is op 1/10 aandeel in perceel 6512. Hoewel de stellingen van [de broers] op dit punt niet helemaal duidelijk zijn, lijken zij er ook vanuit te gaan dat TCE Holding geen rechthebbende op dit aandeel is. Dit brengt mee dat dit aandeel eerst aan TCE Holding zou moeten worden overgedragen, alvorens TCE Holding zou kunnen meewerken aan de vestiging van mandeligheid op perceel 6512. [de broers] heeft dit laatste ter zitting bij het hof bevestigd.
4.6.
[de broers] hebben aan het hof onvoldoende duidelijk gemaakt waarom TCE Holding onrechtmatig zou handelen door geen gebruik te maken van haar mogelijkheden om het 1/10 aandeel in perceel 6512 te verwerven en mee te werken aan vestiging van mandeligheid, nog afgezien van de vraag dat zij dan misschien de medewerking van JHOLD nodig zou hebben om het aandeel van haar in eigendom te verwerven. Het was weliswaar de bedoeling van de Gemeente en [de projectontwikkelaar] dat de eigenaar van perceel 6513 zou meewerken aan vestiging van mandeligheid, maar zoals in 4.3 al opgemerkt staat nergens dat de eigenaren van de percelen verplicht zijn aan dit een en ander mee te werken. Naar het oordeel van het hof staat het TCE Holding vrij al dan niet deelgenoot te worden in perceel 6512 en mee te werken aan vestiging van mandeligheid. Dat betekent wellicht dat zij niet de verplichtingen heeft die uit mandeligheid voortvloeien en mogelijk minder kosten maakt, maar ook dat zij geen invloed heeft op beslissingen die de deelgenoten nemen. Hierna zal blijken dat TCE Holding zekere risico’s neemt door af te zien van het deelgenootschap in perceel 6512.
4.7.
Het voorgaande betekent dat de vordering van [de broers] tot verlening van medewerking door TCE Holding aan de vestiging van mandeligheid op perceel 6512 terecht door de rechtbank is afgewezen en dat grief 1 ongegrond is. De vraag of het voor toewijzing van die vordering noodzakelijk is de Gemeente en de andere eigenaren van bedrijfspanden op te roepen hoeft niet meer te worden onderzocht en ook niet of van de toestemming van de eigenaar van perceel 6500 (49D) is gebleken. Grief 2 behoeft daarom geen bespreking.
De bepaling van de grens tussen de percelen 6512 en 6513
4.8.
Het Kadaster heeft de grens tussen de percelen 6512 en 6513 voorlopig bepaald. [de broers] vorderen dat het hof op basis van artikel 5:47 Burgerlijk Pro Wetboek de grens tussen beide percelen definitief bepaalt. TCE Holding heeft als verweer gevoerd dat het hier om een rechtens ondeelbare rechtsverhouding gaat en dat daarom de Gemeente als deelgenoot van perceel 6512 in de procedure had moeten worden betrokken (het beroep op de exceptio plurium litis consortium). Omdat [broer1] daarvoor niet heeft gezorgd, is hij niet-ontvankelijk in zijn vordering. Het hof verwerpt dit verweer, omdat uit artikel 3:171 BW Pro volgt dat iedere deelgenoot namens de gemeenschap vorderingen kan instellen. De beslissing van de rechter bindt ook de deelgenoot die niet deelneemt aan de procedure (Hoge Raad 24 april 1992, NJ 1992/461). TCE Holding heeft ter zitting bij het hof aangevoerd dat uit de regeling omtrent de bepalingen en voorwaarden voor de mandelige zaak volgt dat een procedure als hier aan de orde slechts kan worden gestart door alle deelgenoten gezamenlijk. Uit artikel A.4 van de bepalingen en voorwaarden volgt inderdaad dat rechtshandelingen als het aanhangig maken van een procedure bij de civiele rechter over de mandelige zaak slechts kunnen worden verricht door alle deelgenoten gezamenlijk (zie 3.6, hierboven). TCE Holding heeft echter onvoldoende toegelicht waarom deze bepalingen die betrekking hebben op de situatie nadat de mandeligheid is gevestigd, ook nu al gelden, nog voordat de mandeligheid is gevestigd. Het hof gaat daarom aan dit verweer voorbij.
4.9.
Omdat [broer2] geen mede-eigenaar van perceel 6512 is, heeft hij geen belang bij en geen aanspraak op vaststelling van de erfgrens tussen 6512 en 6513. De rechtbank heeft zijn vordering daarom terecht afgewezen, zij het dat het hof voor die afwijzing dus een ander argument hanteert.
4.10.
Voor de duidelijkheid wordt de kadastrale kaart met voorlopige grensaanduiding van de percelen 6512 en 6513 hier nogmaals weergegeven:
4.11.
[broer1] verdedigt dat de erfgrens tussen beide percelen pal langs de zijgevel van het pand van TCE Holding loopt, en vervolgens in een rechte lijn doorloopt tot aan de Anthonie Fokkerstraat. Een dergelijke definitieve grens valt samen, althans ligt dichtbij de voorlopige grens die het Kadaster heeft bepaald. Als deze grens wordt aangehouden, klopt de opgegeven oppervlakte van het perceel van TCE Holding van 310 m2 en ook die van perceel 6512: de in de notariële aktes vermeldde oppervlakte van 2 are en 63 centiare zou bij een nameting 259,4 m2 zijn. [broer1] heeft erop mogen vertrouwen dat de definitieve erfgrens is zoals door hem beschreven. TCE Holding voert aan dat de definitieve erfgrens drie meter uit de zijgevel van haar pand loopt. Zij onderbouwt dit verweer met de argumenten dat de voor artikel 5:47 BW Pro vereiste onzekerheid ontbreekt, dat haar een perceel met zeven parkeerplaatsen is verkocht en dat er maar vier overblijven, als de erfgrens loopt zoals [broer1] verdedigt. TCE Holding beroept zich ook op verkrijgende verjaring van de strook waarop de parkeerplaatsen zijn gerealiseerd, nu zij bezitter te goeder trouw is. Daarbij heeft zij zich op dit onderdeel aan het oordeel van het hof gerefereerd tijdens de zitting bij het hof. Verder zou het inconsequent zijn om haar de drie parkeerplaatsen langs de zijgevel te onthouden, terwijl het recht tegenover haar liggende perceel 6500 (nr. 49D) wel drie parkeerplaatsen langs haar zijgevel heeft. Bovendien steekt er op de eerste verdieping van haar pand een overbouw uit over perceel 6512. Zou de erfgrens lopen langs het tracé dat [broer1] verdedigt, dan had het voor de hand gelegen dat er een erfdienstbaarheid of opstalrecht zou zijn gevestigd die deze overbouw zou hebben gelegaliseerd, maar dat is niet gebeurd.
4.12.
Door de realisering van het bedrijventerrein Briellaerd Noord zijn er nieuwe (kadastrale) percelen ontstaan, waarvan het Kadaster – in ieder geval – de erfgrens tussen de percelen 6512 en 6513 voorlopig heeft bepaald. Vermoedelijk is het Kadaster ervan uitgegaan dat de buren via een aanwijs met behulp van het Kadaster de erfgrens samen zouden preciseren. Omdat [broer1] en TCE Holding het niet eens zijn over het verloop van de erfgrens, zal het hof de definitieve erfgrens vaststellen. Nu de erfgrens slechts een voorlopige is, is de voor artikel 5:47 BW Pro vereiste onzekerheid aanwezig. Het hof beslist overeenkomstig de stellingen van [broer1] dat de erfgrens loopt op het punt waar de zijgevel van het pand van TCE Holding de bestrating raakt en in een rechte lijn doorloopt tot het punt waar beide percelen grenzen aan perceel sectie E nummer 6096, zoals weergegeven op de kadastrale kaart die als productie 12 bij dagvaarding is overgelegd. De argumenten van TCE Holding wegen onvoldoende zwaar om anders te beslissen. Perceel 6513 is op 17 januari 2017 aan JHOLD als eerste eigenaar van de kavel geleverd. Eventueel bezit te goeder trouw kan niet eerder zijn aangevangen dan op die datum. Dat betekent dat aan de voor verkrijgende verjaring van onroerende zaken vereiste termijn van tien jaar bezit te goeder trouw niet is voldaan. Dat [de projectontwikkelaar] bij de verkoop van perceel 6513 het aantal parkeerplaatsen te rooskleurig heeft voorgesteld weegt onvoldoende zwaar tegenover het feit dat de voor beide percelen opgegeven oppervlaktes passen bij een erfgrens die pal langs de zijgevel loopt. Dat het inconsequent is dat TCE Holding geen drie parkeerplaatsen langs haar zijgevel in eigendom heeft, maar perceel 6500 wel, moge zo zijn. Op de kadastrale kaart is echter te zien dat de erfgrens tussen de percelen 6512 en 6500 niet pal langs de zijgevel van het pand op perceel 6500 loopt, maar een aantal meters uit die zijgevel, zodat de parkeerplaatsen op perceel 6500 zijn gesitueerd. Ten slotte weegt het ontbreken van een erfdienstbaarheid van overbouw of opstalrecht ook onvoldoende zwaar tegenover de duidelijke voorlopig aangegeven erfgrens met de bijpassende oppervlaktes. Ook tezamen genomen leiden de argumenten van TCE Holding niet tot een andere conclusie. Het hof ziet ten slotte ook geen aanleiding om de grens zodanig te bepalen dat de drie parkeerplaatsen gaan behoren tot perceel 6513 onder toekenning van een schadevergoeding aan de eigenaren van perceel 6512 (artikel 5:47 lid 3 BW Pro). Dit alles brengt mee dat deze vordering van [broer1] zal worden toegewezen, in de formulering zoals hieronder in het dictum zal worden opgenomen.
De vordering tot ontruiming van perceel 6512 door TCE Holding
4.13.
Ten slotte vorderen [de broers] ontruiming van de parkeerplaatsen door TCE Holding en een verbod ten laste van TCE Holding om van deze parkeerplaatsen gebruik te maken. Zij baseren die vorderingen kennelijk op het eigendomsrecht van perceel 6512. Dat brengt mee dat [broer2] ook bij deze vordering geen belang heeft en dat de rechtbank daarom terecht zijn vordering heeft afgewezen.
4.14.
TCE Holding voert aan dat de vordering niet kan worden toegewezen omdat perceel 6512 moet worden bestempeld als openbare weg. Omdat het perceel een openbare weg is, kan haar niet worden verboden gebruik te maken van de gemarkeerde parkeerplaatsen langs de zijgevel van haar pand. De weg is openbaar toegankelijk en kent geen toegangsbeperkingen. Op grond van artikel 3:14 BW Pro mag een eigenaar van een openbare weg niet die rechtshandelingen verrichten die afbreuk doen aan het openbare karakter van de weg. Op grond van artikel 14 Wegenwet Pro moet de rechthebbende op een openbare weg alle verkeer dulden, waaronder is begrepen het verkeer dat de openbare weg gebruikt om er te parkeren.
4.15.
Om te kunnen vaststellen of de toegangs- en ontsluitingsweg een openbare weg is, moet eerst worden beoordeeld of die een weg is in de zin van de Wegenwet. De Wegenwet heeft betrekking op verkeersbanen die een functie vervullen ten behoeve van het afwikkelen van het openbare verkeer en die derhalve naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 5 maart 2001, ECLI:NL:RVS:2008:BC6035). De toegangs- en ontsluitingsweg is een doodlopende weg en is, voor zover zij gaat over perceel 6512, eigendom van [broer1] en de Gemeente en voor zover het het gedeelte betreft dat verder van de Anthonie Fokkerstraat ligt, van de eigenaren van de percelen 6505 (51C), 6507 (51D), 6508 (51E), 6509 (51G), 6510 (51H) en 6511 (51J), telkens voor het gedeelte dat voor hun bedrijfspanden ligt. Deze eigenaren zorgen voor het onderhoud van de toegangs- en ontsluitingsweg. De weg wordt gebruikt door deze eigenaren (exclusief de Gemeente voor wie het kennelijk de bedoeling is om haar eigendom over te dragen aan de negen eigenaren van de bedrijfspanden 49D en 51 tot en met 51C en 51E tot en met 51J) en door de percelen 6513 (51B) en 6500 (49D). Daarnaast wordt zij gebruikt door de gebruikers van de tien opslagboxen (D1 tot en met D10) tegenover de nrs. 51C tot en met 51J ten behoeve van wie een recht van overpad is gevestigd om te komen van en te gaan naar de Anthonie Fokkerstraat. De toegangs- en ontsluitingsweg vormt geen doorgaande verbinding naar wegen of paden achter de weg. Dit brengt mee dat de weg geen algemene verkeersfunctie vervult en dat zij naar aard en functie geen grote, onbepaalde publieksgroep dient. Daaruit volgt weer dat de toegangs- en ontsluitingsweg geen weg in de zin van de Wegenwet is. Het hof hoeft daarom niet te onderzoeken of er van openbaarheid sprake is. Dit verweer van TCE Holding verwerpt het hof.
4.16.
Uit dit alles volgt weer dat [broer1] als mede-eigenaar van perceel 6512 in beginsel het recht heeft te verbieden dat een derde als TCE Holding gebruik van zijn perceel maakt. TCE Holding heeft ook niet verdedigd dat aan [broer1] deze aanspraak niet toekomt, bijvoorbeeld door aan te voeren dat [broer1] misbruik van zijn bevoegdheid als eigenaar zou maken. Het is ook niet nodig dat komt vast te staan dat TCE Holding door de manier waarop zij haar auto’s parkeert langs haar zijgevel op ontoelaatbare manier hinder berokkent aan [broer1] . Behandeling van grief 3 kan daarom achterwege blijven. Het hof zal daarom de vordering van [broer1] aldus toewijzen dat het TCE Holding wordt verboden op perceel 6512 motorrijtuigen en aanhangers te parkeren. Het verbod zal gelden voor bestuurders en werknemers van TCE Holding. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd als hieronder aangegeven. Dit verbod strekt zich niet uit tot het via de roldeur in de zijgevel laden en lossen van materialen die voor de bedrijfsvoering van TCE Holding nodig zijn. [broer1] en eventuele latere mede-eigenaren van perceel 6512 dienen er bovendien op toe te zien dat de toegang tot de roldeur niet wordt geblokkeerd door geparkeerde auto’s. Vanzelfsprekend dient TCE Holding de tijd voor het laden en lossen kort te houden.
De conclusie
4.17.
Het hoger beroep van [broer1] slaagt deels. Omdat TCE Holding grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof TCE Holding tot betaling van de proceskosten van [broer1] zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [1] De vorderingen van [broer2] zijn terecht afgewezen, zij het dat het hof die afwijzing baseert op een andere grondslag. [broer2] zal daarom worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep van TCE Holding, welke kosten het hof begroot op nihil. De vordering van [broer1] tot terugbetaling van de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling zal worden toegewezen, evenals de daarover gevorderde rente.

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 14 augustus 2024, voor zover gewezen tussen [broer2] en TCE Holding;
5.2.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 14 augustus 2024, voor zover gewezen tussen [broer1] en TCE Holding en beslist als volgt:
5.3.
bepaalt de grens tussen de percelen kadastraal bekend gemeente Barneveld sectie E nummer 6512 en sectie E nummer 6513 aldus dat die grens vanaf het perceel kadastraal bekend gemeente Barneveld, sectie E nummer 6505 pal langs de zijgevel van het pand op perceel 6513 in een rechte lijn loopt op het punt waar de zijgevel de bestrating raakt, waarbij de rechte lijn doorloopt op die punten waar ramen, een loopdeur en een roldeur ingesprongen in de zijgevel zijn aangebracht, welke lijn recht doorloopt tot het punt waar beide percelen grenzen aan het perceel kadastraal bekend gemeente Barneveld sectie E nummer 6096;
5.4.
verbiedt TCE Holding motorrijtuigen en aanhangers van haar bestuurders en werknemers te parkeren op perceel 6512, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 5.000,-
5.5.
veroordeelt TCE Holding tot terugbetaling aan [broer1] van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg van € 2.082,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2024 tot aan de dag van terugbetaling;
5.6.
veroordeelt [broer2] tot betaling van de proceskosten van TCE Holding in hoger beroep die op nihil worden begroot;
5.7.
veroordeelt TCE Holding tot betaling van de volgende proceskosten van [broer1] , tot aan de uitspraak van de rechtbank:
€ 314,- aan griffierecht
€ 112,15 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan TCE Holding
€ 1.228,- aan salaris van de advocaat van [broer1] (2 procespunten x het toepasselijke tarief € 614)
en tot betaling van de volgende proceskosten van [broer1] in hoger beroep:
€ 362,- aan griffierecht
€ 115,22 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan TCE Holding
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van [broer1] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II)
5.8.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
5.9.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.10.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.C. Haasnoot, F.J. de Vries en S.B. Boorsma, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.