ECLI:NL:GHARL:2026:4921

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
200.354.466
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610b BWArt. 7:625 BWArt. 7:680a BWArt. 5:7 Atw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over loonbetaling en arbeidsomvang na vrijstelling van werk met behoud van loon

De werknemer was in dienst bij Power Flower en werkte structureel meer uren dan contractueel was overeengekomen. Na een periode van vrijstelling van werk met behoud van loon eindigde de arbeidsovereenkomst van rechtswege. De werknemer vorderde achterstallig loon, wettelijke verhoging en een transitievergoeding.

De kantonrechter kende vrijwel alle vorderingen toe, maar Power Flower ging in hoger beroep tegen de hoogte van de loonvordering en de wettelijke verhoging. Het hof bevestigde dat de arbeidsomvang moest worden vastgesteld op basis van de feitelijke gewerkte uren, inclusief structureel overwerk, maar beperkte de loonbetaling aan een 48-urige werkweek conform de Arbeidstijdenwet in plaats van de 40 uur of 38 uur uit de cao.

Het hof oordeelde dat de cao de werknemer niet beschermt tegen overschrijding van de wettelijke arbeidstijd, waardoor de wettelijke norm leidend is. Verder werd de wettelijke verhoging gematigd tot 20% vanwege het ontbreken van kwaadwilligheid. De transitievergoeding en overige vorderingen werden bevestigd. De werknemer moet eventueel teveel ontvangen loon terugbetalen. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Het hof wijzigt het vonnis deels door loonbetaling te baseren op een 48-urige werkweek en matigt de wettelijke verhoging tot 20%.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.466
zaaknummer rechtbank Gelderland 11298597
arrest van 28 juli 2026
in de zaak van
Stichting NCC Power Flower
die is gevestigd in Apeldoorn
hierna: Power Flower
advocaat: mr. D. Buisman
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. H.H. Jansen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Power Flower heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis [1] dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, (hierna: de kantonrechter) op 5 februari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep (met grieven)
  • de memorie van antwoord
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 7 november 2025 is gehouden

2.De kern van de zaak

2.1.
[geïntimeerde] heeft een paar jaar voor Power Flower gewerkt. Na een langere periode van non-actiefstelling en een kortere periode van ziekte is de arbeidsovereenkomst uiteindelijk niet verlengd en zo tot een einde gekomen. Partijen zijn het oneens over de afrekening. Het gaat om loon en een transitievergoeding.
2.2.
[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat Power Flower haar nog ruim € 30.000 aan achterstallig loon moet betalen, met een deugdelijke specificatie en met wettelijke verhoging van 50%, buitengerechtelijke kosten en rente. Daarnaast heeft [geïntimeerde] gevorderd dat Power Flower aan haar een transitievergoeding van € 3.804,18 bruto moet betalen, met een deugdelijke eindafrekening (van niet-genoten vakantiedagen) en proceskosten.
2.3.
De kantonrechter heeft vorderingen vrijwel geheel toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van alles wat Power Flower ter voldoening aan het vonnis heeft voldaan, met de proceskosten in beide instanties.
2.4.
Het hof zal beslissen dat de loonvordering en de wettelijke verhoging tot een lager bedrag dan wel percentage worden toegewezen en licht dat hierna toe. Voor het overige luidt de beslissing hetzelfde. Het hof laat het vonnis van de kantonrechter dus deels in stand en beslist voor een deel anders.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Wat is er gebeurd?
3.1.
De kantonrechter heeft de feiten vastgesteld. Daarover bestaat geen discussie, dus het hof zal van dezelfde feiten uitgaan. Voor de duidelijkheid worden die hier nog eens op een rij gezet.
3.2.
Op 8 januari 2022 is [geïntimeerde] op basis van een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van zes maanden bij Power Flower in dienst getreden in de functie van algemeen medewerker. De arbeidsovereenkomst is op 7 juli 2022 met een jaar verlengd. Het loon bedraagt € 14,00 bruto per uur, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en 9,6% toeslag vakantie-uren.
3.3.
Power Flower exploiteert een koffieshop in Apeldoorn. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao voor het horeca- en aanverwante bedrijf (hierna: de cao) van toepassing.
3.4.
Op 16 mei 2023 heeft de leidinggevende van [geïntimeerde] bij Power Flower (verder aan te duiden als Power Flower) per WhatsApp-bericht aan [geïntimeerde] geschreven:
“het was een goed gesprek. Ik denk in oplossingen en waardeer wat mensen doen voor mij, voor de organisatie. Vandaar dat ik keuzes maak, zodat iedereen naar tevredenheid kan functioneren. Vandaar het volgende gesprek en even rust voor jou. Je hebt langere periode hard en veel gewerkt. Je kinderen tekort gedaan, vanwege het werk, dus nu eventjes extra tijd voor hun en rust voor jezelf. Dit werkt altijd verhelderend en dan gaan we verder praten.”
3.5.
Op 17 mei 2023 heeft Power Flower daar per WhatsApp-bericht aan toegevoegd:
“Ik weet wat ik doe, dus geduld en geniet van de extra tijd met je moeder, kids, familie, vrienden. Je hebt langere periode veel en hard gewerkt. Ik heb je gezegd dat je gewoon doorbetaald wordt.”
3.6.
Op 7 juli 2023 is de arbeidsovereenkomst met 18 maanden verlengd. Daarbij heeft Power Flower aan [geïntimeerde] geschreven dat de overeenkomst onder dezelfde voorwaarden zal worden voortgezet.
3.7.
Op 22 juli 2024 is [geïntimeerde] gezien door de bedrijfsarts. In de daarvan opgemaakte rapportage staat, voor zover hier van belang:
“Geen sprake meer van ziekte of gebrek ingaande 22 juli 2024.
(…)
Einddoel van de re-integratie
- Werkhervatting in eigen functie
Advies
Werknemer is op non actief sinds 13 mei 2023, Wegens een arbeidsconflict. In midden 2024 even door niet werk gerelateerde klachten sprake geweest van arbeidsongeschiktheid door ziekte of gebrek. Nu is dat niet meer zo. (…) Het gaat nu weer om een arbeidsconflict met de daarbij behorende klachten. De begeleiding zal worden beëindigd.”
3.8.
Op 13 augustus 2024 heeft Power Flower [geïntimeerde] uitgenodigd om op 15 augustus 2024 op gesprek te verschijnen. [geïntimeerde] heeft geantwoord dat zij die dag niet kan, omdat zij met haar moeder naar het ziekenhuis moet voor hartonderzoeken. Power Flower heeft daarop op 17 augustus 2024 geantwoord dat [geïntimeerde] “
het maar moet laten weten als het beter met haar moeder gaat”, zodat er een nieuwe afspraak gepland kan worden.
3.9.
Begin november 2024 hebben Power Flower en [geïntimeerde] elkaar gesproken. Power Flower heeft tijdens dat gesprek aangegeven dat de arbeidsovereenkomst niet verlengd wordt.
3.10.
Begin december 2024 heeft Power Flower [geïntimeerde] opgeroepen om werkzaamheden te verrichten voor Middelink Wonen, waarna [geïntimeerde] enkele dagen werkzaamheden voor Middelink Wonen heeft verricht.
3.11.
De arbeidsovereenkomst is op 5 januari 2025 van rechtswege geëindigd.
Waar gaat het om in hoger beroep?
3.12.
De bezwaren (grieven) die Power Flower heeft opgeworpen tegen het vonnis zien op allereerst op de loonvordering. Power Flower is het niet eens met de arbeidsomvang waarvan de kantonrechter is uitgegaan en evenmin met de overuren die in de veroordeling zijn betrokken. Daarnaast komt Flower Power op tegen de toegekende wettelijke verhoging, die zij (net als de loonvordering zelf) gematigd wil zien.
Arbeidsomvang
3.13.
In de eerste 15 maanden na haar indiensttreding op 8 januari 2022 heeft [geïntimeerde] veel meer gewerkt dan de 40 uur per week zoals in de arbeidsovereenkomst was vastgelegd, daarover is geen discussie. Vervolgens heeft Power Flower haar op 16 mei 2023 vrijgesteld van werk met behoud van loon. Tot het einde van haar dienstverband op 5 januari 2025 heeft [geïntimeerde] niet meer gewerkt en Power Flower heeft het loon doorbetaald op basis van een 38-urige werkweek. De vraag is nu wat Power Flower over die periode aan loon had moeten betalen. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat het loon bestaat uit een bruto uurloon, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en 9,6% toeslag vakantie-uren.
Volgens [geïntimeerde] heeft zij sinds juni 2023 te weinig loon uitbetaald gekregen. Het gaat haar om niet uitbetaalde toeslag vakantie-uren, niet uitbetaalde overuren, loon tijdens ziekte en onterecht ingehouden wachtdagen. Ten aanzien van de overuren stelt [geïntimeerde] dat zij in de periode van februari 2023 tot en met mei 2023 gemiddeld 78,68 uur per maand heeft overgewerkt. Dat is op zichzelf niet in geschil, wel is in geschil wat dit betekent voor de arbeidsomvang en de loonvordering.
3.14.
De kantonrechter heeft hierover het volgende overwogen. Er is sprake van een situatie waarin de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau bevindt dan de oorspronkelijk overeengekomen arbeidsduur, omdat [geïntimeerde] structureel meer uren werkte dan de 40 uren per week die waren overeengekomen. Daarmee is sprake van een rechtsvermoeden in de zin van artikel 7:610b BW, dat door Power Flower niet is weerlegd. Vast staat namelijk dat [geïntimeerde] over de periode februari 2022 tot en met mei 2023 gemiddeld 78,68 uur per maand extra heeft gewerkt en ook dat die uren maandelijks aan [geïntimeerde] zijn uitbetaald. Het beroep van Power Flower op de in de cao opgenomen regeling inzake overuren gaat niet op, omdat de extra gewerkte uren steeds direct zijn uitbetaald en dus nooit beschouwd zijn als opgebouwde overuren die later worden gecompenseerd in tijd-voor-tijd uren. Daarom telt het gemiddelde van 78,68 uur extra per maand gewerkte uren mee bij het vaststellen van de arbeidsomvang en heeft [geïntimeerde] recht op uitbetaling van die uren.
3.15.
In hoger beroep voert Power Flower allereerst aan dat de bedongen arbeidsomvang dient te worden berekend over de periode tot de vrijstelling van werk, maar dan met inbegrip van de maand januari 2022, waarin [geïntimeerde] geen overuren heeft gemaakt.
3.16.
Het hof overweegt het volgende. Art. 7:610b BW bepaalt dat indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand wordt vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling blijkt dat, indien deze periode niet representatief is, ook een andere, meer representatieve periode dan de in de wet opgenomen periode van drie maanden in aanmerking kan worden genomen. Een geslaagd beroep op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst een bepaalde arbeidsomvang inhoudt. Met het weerlegbare rechtsvermoeden van art. 7:610b BW is beoogd de positie van de werknemer te versterken en wordt de werkgever gestimuleerd om onzekere elementen in de aan te gane arbeidsverhouding te voorkomen. [geïntimeerde] doet in hoger beroep evenals bij de kantonrechter een beroep op artikel 7:610b BW en ook in hoger beroep is niet weersproken dat [geïntimeerde] over de periode februari 2022 tot en met mei 2023 gemiddeld 78,68 uur per maand extra heeft gewerkt en ook dat die uren maandelijks aan [geïntimeerde] zijn uitbetaald. Dat de gehanteerde periode slechts representatief zou zijn als ook januari 2022 (de gedeeltelijke eerste werkmaand van [geïntimeerde] en dus haar inwerkperiode) daarin wordt betrokken volgt het hof niet. Argumenten daarvoor zijn niet aangedragen. Daarmee kan het oordeel van de kantonrechter in zoverre worden gevolgd. Dat ligt anders voor de vraag wat in deze zaak de betekenis is van de Horeca-cao en de wettelijke begrenzingen van de arbeidstijd.
Cao en Arbeidstijdenwet
3.17.
Power Flower voert aan dat bij het bepalen van het aan [geïntimeerde] verschuldigde loon van een werkweek van 38 dan wel 48 uur moet worden uitgegaan en beroept zich daarbij allereerst op de cao (zoals die gold over de gehele periode waarin de arbeidsovereenkomst heeft bestaan). Hierin zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen.
(…) 1.23 Referteperiode en Normale arbeidstijd:
1. De referteperiode is een periode van 12 aaneengesloten maanden en loopt parallel aan het kalenderjaar (1 januari t/m 31 december) of aan het vakantiejaar (1 juni t/m 31 mei). De werkgever mag er ook voor kiezen om
een andere periode van 12 maanden als referteperiode aan te houden. Deze keuze moet dan voor alle werknemers in de onderneming gelden en opgenomen zijn in de individuele arbeidsovereenkomst.
2. De normale arbeidstijd per referteperiode bedraagt 1.976 uren. Dat betekent een gemiddelde arbeidstijd van 38 uren per week bij voltijd.
3. Afwijking: in de arbeidsovereenkomst kan worden vastgelegd dat de arbeidstijd per referteperiode meer bedraagt dan de normale arbeidstijd. Hierbij moeten de grenzen uit de arbeidstijdenregelgeving wel in acht
worden genomen.
(…)
3.13
Overwerk
1. Het kan voorkomen dat je op verzoek van je werkgever werkzaamheden hebt verricht waardoor je in de referteperiode meer uren werkt dan de normale arbeidstijd, de arbeidstijd bij aanwezigheidsdiensten of een
langere afgesproken arbeidstijd.
2. De uren waarmee de normale arbeidstijd, de arbeidstijd bij aanwezigheidsdiensten of een langere afgesproken werktijd wordt overschreden, is overwerk.
3. Je werkgever kan jou binnen de referteperiode niet verplichten meer dan 10% aan overwerk te verrichten, uitgaande van de normale arbeidstijd. Komt het totaal aantal gewerkte uren boven de 2.173 uur dan mag je een
verzoek tot overwerk weigeren.
3.14
Overwerkcompensatie
Voor vastgestelde overwerkuren geldt als compensatie:
A. Tijd voor tijd: voor elk overwerkuur één uur doorbetaald vrije tijd.
B. Als tijd voor tijd binnen 3 maanden na vaststelling van overwerk niet mogelijk is, moet je werkgever de overwerkuren uiterlijk in de maand na afloop van deze periode uitbetalen tegen 100% van het uurloon voor elk
overwerkuur dat je gemaakt hebt.
C. Indien je dienstverband voortijdig eindigt en overwerkuren niet meer gecompenseerd kunnen worden in tijd voor tijd worden overwerkuren uitbetaald. (…)
3.18.
Volgens Power Flower brengt de normatieve werking van de cao met zich dat zich uitsluitend twee situaties kunnen voordoen inzake de (vermoedelijke) bedongen arbeidsomvang van [geïntimeerde] . De bedongen arbeid kan gelijk zijn aan de normale arbeidstijd van 38 uren per week (artikel 1.23 lid 2). Ofwel, de bedongen arbeid kan gelijk zijn aan een ander aantal uren per week indien dit aantal is 'vastgelegd’ in de individuele arbeidsovereenkomst en overeenkomstig de grenzen van arbeidstijdenwetgeving is (artikel 1.23 lid 3).
3.19.
Van belang is dus het bepaalde in artikel 5:7 van Pro de Arbeidstijdenwet (Atw).
De regeling van de arbeidstijd van volwassen werknemers gaat uit van maximaal 12 uur per dienst, 60 uren per week en gemiddeld 48 uur in elke periode van 16 aaneengesloten weken (zie art. 5:7, tweede lid, Atw). Vervolgens wordt aangegeven dat een volwassen werknemer per 4 aaneengesloten weken gemiddeld 55 uur per week mag werken (zie art. 5:7, derde lid, Atw). Hiervan mag bij collectieve regeling worden afgeweken maar dan wel binnen de hiervoor aangegeven grenzen – 12 uur per dienst, 60 uur per week en 48 uur per week gemiddeld over 16 weken – (zie art. 5:7, vierde lid, Atw).
3.20.
Naar het oordeel van het hof slaagt op dit punt het beroep van Power Flower op de cao niet, maar het beroep op de Atw wel. In dit geval is sprake van een arbeidsovereenkomst waarin een arbeidsomvang van 40 uur is afgesproken, dat is dus 2 uur meer dan wat in de cao als “normale arbeidstijd” is opgenomen (38 uur per week). Bovendien was er sprake van structureel overwerk tot (omgerekend) een totaal van zo’n 56,40 uur per week. Daaraan staat de cao op zichzelf niet in de weg, gelet op het bepaalde in lid 3 van artikel 1.23 van de cao. Het staat de werknemer op grond van de cao vrij om meer overwerk te aanvaarden dan 10% of tot een totaal van meer dan 2.173 uur. Die keuze laat de cao aan de werknemer, anders gezegd: daartegen beschermt de cao de werknemer niet. Dit ligt anders bij begrenzing van de arbeidstijd in de Atw. Dat betreft een wettelijke norm die strekt tot bescherming van de werknemer en de bedongen arbeidsomvang kan deze norm niet te buiten gaan.
3.21.
Dit betekent dat Power Flower voor de periode hier in geschil (vanaf de vrijstelling van werk tot het einde van het dienstverband) gehouden is om [geïntimeerde] loon te betalen op basis van een 48-urige werkweek, overeenkomstig de maximaal toelaatbare arbeidsomvang op grond van de Atw. In zoverre kan de beslissing van de kantonrechter geen stand houden.
Uitbetaling overuren / tijd voor tijd
3.22.
Volgens Power Flower heeft zij, voorafgaand aan de vrijstelling van werk, altijd overuren aan [geïntimeerde] uitbetaald omdat deze overuren niet binnen drie maanden konden worden gecompenseerd met tijd voor tijd. Partijen hebben op dit punt altijd gehandeld in overeenstemming met artikel 3.13 van de cao, die normatieve werking heeft. De kantonrechter heeft dan ook ten onrechte aangenomen dat Power Flower de overuren nooit zou hebben beschouwd als overuren die later worden gecompenseerd in tijd-voor-tijd uren. [geïntimeerde] heeft vanaf juni 2023 (bijna) elke maand loon heeft ontvangen loon gelijk aan de normale arbeidsduur (38 uur) zonder arbeid te verrichten. Zij is dus al gecompenseerd met tijd-voor-tijd en van achterstallig loon is daarom geen sprake, aldus Power Flower.
3.23.
Het hof volgt het oordeel van de kantonrechter op dit punt. Uit niets blijkt dat in de periode voorafgaand aan de vrijstelling van werk ooit is bekeken of compensatie in tijd tot de mogelijkheden behoorde, de overuren werden immers steeds en zonder meer uitbetaald. Dat [geïntimeerde] nadien is vrijgesteld van werk met behoud van loon is een keuze van Power Flower geweest waarvan de gevolgen voor haar rekening dienen te blijven. Tijdens de periode waarin [geïntimeerde] vrijgesteld was van werk, hoefde zij geen werkzaamheden voor Power Flower te verrichten. Met enige compensatie in tijd heeft dat niets van doen.
Geen matiging loonvordering
3.24.
Volgens Power Flower is er aanleiding in het volgende om de loonvordering te matigen. Power Flower heeft zich als goed werkgever gedragen door maandelijks loon te blijven uitbetalen, gebaseerd op een voltijdse dienstbetrekking zonder overuren. Dit terwijl [geïntimeerde] niet heeft gewerkt en ook lang niet altijd beschikbaar is geweest voor werkzaamheden gedurende de vrijstelling van werk.
3.25.
Het hof begrijpt dat Power Flower zich hierbij beroept op het bepaalde in artikel 7:680a BW (loonmatiging). De rechter is tot die matiging slechts bevoegd als toewijzing van de loonvordering in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. De rechter moet met terughoudendheid van deze bevoegdheid gebruik maken en in zijn oordeel motiveren dat rekening is gehouden met alle bijzonderheden van het geval die maken dat toewijzing van de (volledige) loonvordering onaanvaardbaar is. Vooropgesteld zij dat Power Flower ervoor heeft gekozen om [geïntimeerde] vrij te stelllen van werk met behoud van loon, waarmee haar zelfgekozen verplichting tot loondoorbetaling is gegeven. Dat zij zich voor een groot deel (maar niet volledig) van die verplichting heeft gekweten leidt niet tot de conclusie dat er sprake was van zodanig goed werkgeverschap dat daarom het loon moet worden gematigd tot wat Power Flower daadwerkelijk aan loon heeft betaald. Zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen hoefde [geïntimeerde] tijdens de periode waarin vrijgesteld was van werk geen werkzaamheden voor Power Flower te verrichten en zich daar dus ook niet beschikbaar voor te stellen. Voor zover Power Flower ook in dit verband nog heeft bedoeld aan te voeren dat [geïntimeerde] tijdens haar arbeidsongeschiktheid (medio 2024) niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan, is daartoe ook in hoger beroep onvoldoende aangevoerd. De reden dat de rechter de bevoegdheid tot matiging terughoudend moet toepassen is gelegen in de omstandigheid dat het gaat om loon ten behoeve van het levensonderhoud van de werknemer. Gegeven deze strenge maatstaf en het voorgaande oordeelt het hof dat toewijzing van de loonvordering in dit geval niet tot onaanvaardbare gevolgen leidt.
3.26.
Kortom: het loon dat, uitgaande van een 48-urige werkweek, nog niet aan [geïntimeerde] was uitbetaald moet alsnog aan haar worden voldaan en wordt niet geacht met tijd-voor-tijd te zijn gecompenseerd. In de inleidende dagvaarding is (onder 4 en in de bijbehorende productie 6) uiteen gezet hoe de loonvordering is berekend, uitgaande van de grotere arbeidsomvang (met 78,68 uren overwerk gemiddeld per maand). Deze berekening, die behalve ten aanzien van de arbeidsomvang niet is weersproken, zal in die zin moeten worden gecorrigeerd, uitgaande van een 48-urige werkweek over de betreffende periode.
Matiging wettelijke verhoging
3.27.
Power Flower pleit voorts voor het matigen van de door [geïntimeerde] gevorderde wettelijke verhoging, die door de kantonrechter tot 50% is toegewezen, en heeft hiertoe hetzelfde aangevoerd als hiervoor weergegeven onder 3.24. Het hof is van oordeel dat het gedrag van Power Flower als werkgever en het gedrag van [geïntimeerde] als werknemer geen reden vormen voor matiging van de wettelijke verhoging ten aanzien van de toe te wijzen loonvordering. Dit verweer strandt reeds op hetgeen hierboven onder 3.25 is overwogen.
3.28.
Gezien evenwel het karakter van prikkel als verbonden aan de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro overweegt het hof het volgende. In dit geval is geen sprake van ‘kwaadwillig’, namelijk willens en wetens zonder enige grond niet (volledig) voldoen aan de verplichting tot loonbetaling. Power Flower was overtuigd van haar standpunt dat zij gedurende de vrijstelling van werk niet gehouden was tot uitbetaling van de overuren aan [geïntimeerde] . Hoewel dat standpunt, zoals hierboven is te lezen, ook in hoger beroep niet geheel wordt gevolgd, kan niet gesproken worden van een visie waaraan een redelijke mate van juridische plausibiliteit ontbrak. Daarom acht het hof matiging van de wettelijke verhoging tot 20% in dit geval aangewezen en in die zin zal worden beslist.
De conclusie
3.29.
Het hoger beroep slaagt deels. De beslissing van de kantonrechter blijft in stand, behalve ten aanzien van de hoogte van de toe te wijzen loonvordering en de wettelijke verhoging. Op die punten zal het bestreden vonnis worden vernietigd en opnieuw worden beslist. Voor zover Power Flower door uitvoering te geven aan het bestreden vonnis te veel aan [geïntimeerde] heeft betaald, wordt [geïntimeerde] veroordeeld dit gedeelte aan Power Flower terug te betalen.
3.30.
Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder deels gelijk en ongelijk hebben gekregen.
3.31.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 5 februari 2025, behalve de beslissingen onder 5.1 onder a en c, die hierbij worden vernietigd en beslist in plaats daarvan als hierna volgt onder 4.2.:
4.2.
veroordeelt Power Flower, onder verstrekking van een deugdelijke loonspecificatie, tot betaling van:
( a) het achterstallig loon over de maanden juni 2023 tot en met 5 januari 2025, uitgaande van een 48-urige werkweek (zoals hiervoor overwogen onder 3.26) en
( c) de wettelijke verhoging van 20% op grond van artikel 7:625 over Pro (a) en over het bedrag van 490,08 netto (toegewezen onder 5.1 onder (b) van genoemd vonnis);
4.3.
veroordeelt [geïntimeerde] , voor zover door Power Flower ter uitvoering aan het vonnis aan haar meer is voldaan dan uit vorengaande volgt, tot terugbetaling van dat meerdere aan Power Flower;
4.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad en
4.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. K. Mans, J.H. Kuiper en P. Kruit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.