ECLI:NL:GHARL:2026:4946

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
200.368.220
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:954 BWArt. 350 SvArt. 3.1.1 PiFiArt. 5.2.1 PiFiArt. 4.5.3 Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzekeraar mag samenwerking met letselschadebureau beëindigen bij gegronde redenen

Trias c.s. en haar bestuurders gingen in hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter die de beëindiging van de samenwerking door ASR en de registraties in diverse registers had bevestigd. ASR had de samenwerking opgezegd vanwege onvoldoende vertrouwen in de professionaliteit en integriteit van Trias c.s., na meerdere waarschuwingen en een onvoldoende verbeterplan.

Het hof bevestigde dat een verzekeraar in beginsel niet lichtvaardig een belangenbehartiger mag weigeren, maar dat goede redenen, zoals ernstige tekortkomingen en onbetrouwbaarheid, dit rechtvaardigen. ASR had sinds eind 2023 meerdere dossiers beoordeeld met structurele fouten en misstanden, die Trias c.s. onvoldoende had weggenomen.

De interne registraties in de Gebeurtenissenadministratie en het Interne Verwijzingsregister mochten blijven voor Trias c.s., maar niet voor de bestuurders [appellant4] en [appellant5], van wie de registratie werd vernietigd wegens onvoldoende grond. De externe registraties in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister waren onrechtmatig en werden ingetrokken. De proceskosten werden gecompenseerd tussen partijen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de beëindiging van de samenwerking door ASR, vernietigt de registratie van bestuurders in interne registers en verklaart de externe registraties onrechtmatig.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.368.220
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 607625
arrest in kort geding van 28 juli 2026
in de zaak van

1.Trias Legal B.V.

die is gevestigd in Rotterdam

2. Fides Letselschade B.V.

die is gevestigd in Rotterdam

3. Fides Legal B.V.

die is gevestigd in Sint Willebrord, gemeente Rucphen

4. [appellant4]

die woont in [woonplaats]

5. [appellant5]

die woont in [woonplaats]
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als eisers
hierna: appellanten, ieder afzonderlijk: [appellant4] , [appellant5] , Trias Legal, Fides en Fides Legal en appellanten 1 tot en met 3 samen: Trias c.s. (vrouwelijk enkelvoud)
advocaat: mr. M.P. Dol
tegen
ASR Schadeverzekeringen N.V.
die is gevestigd in Utrecht
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: ASR
advocaat: mr. P. Oskam

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Trias c.s., [appellant4] en [appellant5] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de voorzieningenrechter) op 24 maart 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep met grieven;
  • de memorie van antwoord.
1.2
Op 22 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
1.3
Naar aanleiding van vragen van het hof met betrekking tot de uitvoering van de toezeggingen namens ASR (vgl. hierna 4.2) hebben partijen met het hof gecorrespondeerd. Deze e-mails zijn aan het procesdossier in hoger beroep toegevoegd.

2.De kern van de zaak

2.1
Trias c.s. treedt op als belangenbehartiger van slachtoffers van letselschade. Zij werkt voor diverse verzekeraars, waaronder ASR.
2.2
In april 2025 heeft ASR schriftelijk aan Trias c.s. laten weten dat zij ontevreden is over de wijze waarop Trias c.s. haar werkzaamheden in dossiers van ASR uitvoert en haar aangemaand haar werkwijze te verbeteren, bij gebreke waarvan ASR de samenwerking zal verbreken. De daarop volgende correspondentie tussen partijen en een bespreking van november 2025 hebben bij ASR onvoldoende vertrouwen opgewekt in de professionaliteit, integriteit en zorgvuldigheid van de belangenbehartiging door Trias c.s. In haar brief van 29 januari 2026 heeft ASR de samenwerking opgezegd en Trias c.s., [appellant5] en [appellant4] opgenomen in diverse interne en externe registers.
2.3
Daarop hebben appellanten deze procedure ingeleid en bij de voorzieningenrechter onder meer gevorderd dat de samenwerking wordt hervat en de registraties worden beëindigd. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen en appellanten veroordeeld in de proceskosten.
2.4
Appellanten zijn daartegen opgekomen in hoger beroep. Doel van het hoger beroep is dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen, dan wel de samenwerking voor een proefperiode van drie jaar wordt hervat, met veroordelingen van ASR in de proceskosten in beide instanties. ASR heeft zich daartegen verweerd.
2.5
Het hoger beroep slaagt deels. Daarvoor geldt het volgende.

3.Feiten

3.1.
Trias c.s. houdt zich bezig met de belangenbehartiging van slachtoffers van letselschade. [appellant4] is bestuurder van Trias Legal en Fides. [appellant5] is bestuurder van Fides en Fides Legal.
3.2.
Op 13 november 2024 heeft tussen Trias c.s. en ASR een gesprek plaatsgevonden over de buitengerechtelijke kosten (BGK) die Trias c.s. in rekening brengt bij ASR. Vervolgens heeft Trias c.s. in februari 2025 een concept-verzoekschrift inzake een deelgeschil met ASR gedeeld waarin zij ook het BGK beleid van ASR aan de orde stelde.
3.3.
Bij brieven van 4 april 2025 heeft ASR aan Trias c.s. meegedeeld dat zij ontevreden is over het niveau van haar dienstverlening. Daarbij heeft ASR aan de hand van een aantal door Trias c.s. behandelde dossiers gewezen op - in haar ogen - structurele tekortkomingen van Trias c.s. In deze brieven heeft ASR het voornemen kenbaar gemaakt om de samenwerking te beëindigen omdat Trias c.s. een werkwijze hanteert die niet bij past bij wat volgens ASR van een zorgvuldig belangenbehartiger mag worden verwacht. Alvorens hier definitief op te beslissen, is Trias c.s. in de gelegenheid gesteld te reageren.
3.4.
In haar brief van 1 mei 2025 heeft Trias c.s. getracht opheldering en tegenwicht te bieden. Daarnaast sprak zij de wens uit tot het maken van gezamenlijke werkafspraken, met name ten aanzien van de vergoeding van de BGK.
3.5.
Op 4 juli 2025 reageerde ASR op de reactie van Trias c.s. Zij heeft laten weten dat zij er door de reactie van Trias c.s. niet van overtuigd is geraakt dat de door Trias c.s. gehanteerde werkwijze voldoet aan de daaraan te stellen eisen en professionele standaarden.
Op 17 oktober 2025 heeft Trias c.s. schriftelijk gereageerd.
3.6.
Op 20 november 2025 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek werd door Trias c.s. een proefperiode voorgesteld om beide partijen in de gelegenheid te stellen beterschap te tonen. ASR heeft om een verbeterplan verzocht aan de hand waarvan zij zich zou beraden over of een proefperiode aan de orde kon zijn. Het verbeterplan van Trias c.s. is op 27 november 2025 aan ASR gezonden.
3.7.
ASR heeft Trias c.s op 29 januari 2026 laten weten dat zij nog steeds onvoldoende vertrouwen heeft in de professionaliteit, integriteit en zorgvuldigheid van Trias c.s. als belangenbehartiger. Het verbeterplan bood volgens ASR onvoldoende waarborg voor een kwaliteitsverbetering. Het verbeterplan was onvoldoende concreet en ASR miste zelfinzicht en reflectie van Trias c.s. op het eigen handelen. Er werd door ASR geen intrinsieke motivatie bij Trias c.s. gezien voor de nodige veranderprocessen. Dit resulteerde bij ASR in een dermate groot gebrek aan vertrouwen in Trias c.s. dat zij op 29 januari 2026 heeft besloten om Trias c.s. niet langer als belangenbehartiger van slachtoffers van letselschade te accepteren. Volgens ASR was er sprake van opzettelijke misleiding vanwege het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie en het indienen of in stand laten van onrechtmatige schadeclaims, dit met het doel om ASR te bewegen uitkeringen te doen waar geen recht op bestaat. Deze gedragingen vormden volgens ASR een bedreiging voor de financiële belangen van benadeelden en van financiële instellingen zoals ASR.
3.8.
In het kader hiervan heeft ASR Trias c.s., [appellant4] en [appellant5] voor de duur van acht jaren geregistreerd in haar Gebeurtenissenadministratie en het Intern Verwijzingsregister (IVR). Daarnaast heeft ASR Trias c.s. en [appellant4] geregistreerd in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister (EVR) voor (na aanpassing) de duur van vijf jaren en heeft ASR hiervan een melding gedaan bij het CBV en het Nivre.
3.9.
Sinds ASR heeft aangekondigd niet langer met Trias c.s. te willen samenwerken ligt een aantal van de door Trias c.s. behandelde lopende zaken stil. Sommige slachtoffers doen rechtstreeks zaken met ASR en sommigen hebben een andere belangenbehartiger ingeschakeld.
3.10.
De registraties en de meldingen brengen voor Trias c.s. met zich mee dat een deel van haar omzet is weggevallen. Een deel van haar personeel heeft het dienstverband inmiddels opgezegd omdat zij door de reputatieschade niet langer aan Trias c.s. verbonden wil zijn. Andere verzekeraars werken, in afwachting van de uitkomst van deze procedure waar het de externe registraties betreft, nog wel met Trias c.s. samen.
3.11.
Met deze vaststelling van de feiten behoeft grief 1 verder geen behandeling meer.

4.Het oordeel van het hof

Spoedeisend belang
4.1
Uit de gedingstukken en de aard van de vorderingen blijkt dat van een spoedeisend belang aan de zijde van appellanten als oorspronkelijk eisers onverminderd sprake is.
Omvang van het beroep: wat ligt nog ter beoordeling voor?
4.2
Tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft ASR aan Trias c.s., [appellant4] en [appellant5] de volgende toezeggingen gedaan:
Op 23 juni 2026 wordt de EVR-registratie van Trias c.s. en dhr. [appellant4] door ASR verwijderd in die zin dat de EVR-registratie per 23 juni 2026 eindigt;
Uiterlijk 24 juni 2026 zal de CIS databank op dit onderdeel zijn bijwerkt;
Op 23 juni 2026 zal ASR aan CBV mededelen dat de EVR registratie tav Trias c.s. en [appellant4] met ingang van 23 juni 2026 is verwijderd en per die datum is geëindigd;
Op 23 juni 2026 zal ASR aan Nivre mededelen dat de EVR registratie tav Trias c.s. en [appellant4] met ingang van 23 juni 2026 is verwijderd en per die datum is geëindigd;
Medewerkers van ASR zullen handmatig controleren of de onder 1 tot en met 4 gedane toezeggingen zijn uitgevoerd en juist in de genoemde systemen en registers zijn verwerkt.
4.3
In juli 2026 heeft ASR het hof en de advocaat van appellanten desgevraagd bericht dat zij de toezeggingen 1 tot en met 5 op 23 juni 2026 heeft uitgevoerd. Hoewel de advocaat van appellanten daarvan een rechtstreekse schriftelijke bevestiging wilde ontvangen, heeft hij namens appellanten genoegen genomen met deze mededeling aan het hof en aan hem. Hiermee heeft ASR aan de vorderingen II en III zoals door appellanten geformuleerd in de inleidende dagvaarding (die op dit punt is gehandhaafd in hoger beroep) voldaan. Aan die vorderingen komt dus in die zin het (spoedeisend) belang te ontvallen en hetzelfde geldt voor het gevorderde onder IV, waarbij appellanten vorderen dat zij afschriften en meldingen van de registraties ontvangen. Nu de registraties zijn ingetrokken op 23 juni 2026 hebben appellanten geen belang meer bij het ontvangen van afschriften en meldingen van de oorspronkelijke registraties.
4.4
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad [1] levert een veroordeling in eerste aanleg in de proceskosten voor die partij een voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak. Dat geldt tevens indien de appelrechter in kort geding oordeelt dat spoedeisend belang ontbreekt bij de in hoger beroep te beoordelen vordering. De appelrechter dient ook in een dergelijk geval te beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daartoe moet hij onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep (afgezien van de omstandigheid dat het spoedeisend belang inmiddels is komen te vervallen).
Dit betekent dat het hof de grieven 10 en 11, die zien op de externe registraties tegen die achtergrond wel in zijn beoordeling zal meenemen, ook al kunnen de vorderingen die daarmee samenhangen (II en III van de dagvaarding) niet meer worden toegewezen. Die beoordeling is opgenomen vanaf rechtsoverweging 4.25 van dit arrest.
A. Beëindiging samenwerking
4.5
Uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of ASR in januari 2026 de samenwerking met Trias c.s. mocht beëindigen in die zin dat zij haar niet langer als belangenbehartiger accepteerde voor lopende en nieuwe dossiers van benadeelden, is het volgende.
4.6
In de kern gaat het geschil tussen partijen over de vraag of een verzekeraar verplicht is om de schade van een benadeelde te regelen met de door de benadeelde gekozen belangenbehartiger. Uitgangspunt is dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Een slachtoffer van letselschade mag in beginsel zelf bepalen door wie hij zijn belangen wil laten behartigen om tot afwikkeling van zijn schade te komen. Het is in beginsel niet aan de verzekeraar, of een ander, om eisen te stellen of beperkingen op te leggen aan de door de benadeelde te kiezen belangenbehartiger.
4.7
Dit uitgangspunt geldt echter niet onverkort. Op de verzekeraar van iemand die (mogelijk) letselschade heeft veroorzaakt. rust een verantwoordelijkheid om de schadeafhandeling voortvarend en correct te laten verlopen (vgl. de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL). Deze verantwoordelijkheid geldt in de eerste plaats jegens de benadeelde, die zich op grond van de WAM en artikel 7:954 BW Pro rechtstreeks tot de verzekeraar kan wenden. Met deze verantwoordelijkheid is ook een meer algemeen belang gemoeid. De invulling van die verantwoordelijkheid kan in het gedrang komen als de door de benadeelde gekozen belangenbehartiger zelf aan een voortvarende en correcte afwikkeling in de weg staat. Onder omstandigheden kan de verzekeraar in een zodanig geval tot de conclusie komen dat hij niet langer met die belangenbehartiger wil samenwerken. Uit het hiervoor weergegeven uitgangspunt vloeit voort dat de verzekeraar niet lichtvaardig tot die conclusie mag komen.
4.8
Gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat het een verzekeraar slechts vrij staat om een belangenbehartiger te weigeren als de verzekeraar daarvoor goede redenen heeft. Daarvan zal met name sprake zijn indien er gegronde redenen zijn om te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en de benadeelde vanwege de belangenbehartiger niet goed zal verlopen of onnodige vertraging zal oplopen, omdat de belangenbehartiger er blijk van heeft gegeven:
  • niet (voldoende) betrouwbaar te zijn, bijvoorbeeld door onjuiste informatie te verstrekken, en/of
  • klaarblijkelijk niet te beschikken over de kennis en ervaring die noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van de benadeelde in het schaderegelingsproces, en/of
  • onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten in rekening te brengen.
4.9
Ook de voorzieningenrechter heeft dit uitgangspunt bij haar beoordeling vooropgesteld in 4.7 van het vonnis. Daartegen zijn geen grieven gericht. Wel zijn grieven gericht tegen de wijze van toepassing van dat uitgangspunt in dit geschil.
4.1
Bij de beoordeling van de door ASR aan Trias c.s. verweten gedragingen, die aan de beëindiging van de samenwerking ten grondslag liggen, is allereerst van belang of die gedragingen per vennootschap (Trias, Fides en Fides Legal) moeten worden beoordeeld of dat, zoals ASR heeft bepleit, er sprake is van een dermate grote organisatorische verwevenheid tussen de vennootschappen dat deze als één mogen worden beoordeeld. De voorzieningenrechter is van die organisatorische verwevenheid uitgegaan (in rov. 4.5 van het vonnis). Met grief 2 komen appellanten daartegen op.
4.11
Naar het voorlopig oordeel van het hof kan dit in het midden blijven nu ASR per entiteit/B.V. tekortkomingen in de behandeling heeft geconstateerd, met Trias c.s. heeft besproken en in haar brieven heeft genoemd. Aan de basis van de beëindiging liggen tussen de 20 en 30 dossiers ten grondslag. Van elk van de ondernemingen van Trias c.s. zijn dossiers door ASR beoordeeld en per vennootschap (dus zowel van Trias, Fides als van Fides Legal) is aangegeven welke tekortkomingen zijn aangetroffen. Daar komt bij dat die tekortkomingen in veel van de genoemde dossiers op elkaar lijken en betrekking hebben op de essentie van de behandeling, kennis en kunde van een belangenbehartiger in letselschades.
4.12
In de op de constateringen van ASR volgende correspondentie tussen ASR en Trias c.s. (onder meer in de brieven van ASR van 4 juli 2025 en de reacties van Trias c.s. van 1 mei 2025 en 17 oktober 2025) en het gesprek hierover van 20 november 2025 heeft Trias c.s. de zorgen van ASR onvoldoende kunnen wegnemen. Het door Trias c.s. ingediende verbeterplan van 27 november 2025 was volgens ASR te algemeen van aard en onvoldoende om het vertrouwen in Trias c.s. te herstellen, waarna ASR de samenwerking met Trias c.s. bij brief van 29 januari 2026 heeft verbroken.
4.13
Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft ASR in januari 2026 tot beëindiging van de samenwerking mogen overgaan. ASR heeft over een langere periode (namelijk sinds eind 2023) een aantal dossiers verzameld waarin haar medewerkers - zoals ASR het kwalificeert - tekortkomingen en misstanden in de behandeling van dossiers door Trias c.s. en haar medewerkers hebben benoemd. Door ASR is geconstateerd dat het veelal dezelfde onderwerpen betreffen (door ASR “een rode draad” en structurele misstanden genoemd) zoals het niet doorgeven van pre-existente klachten bij benadeelden, het niet volledig in beeld brengen en delen van de medische voorgeschiedenis van een benadeelde, geen of foutieve informatie verstrekken over de causaliteit tussen de bij ASR verzekerde gebeurtenis en de gevorderde schade, het niet rekening houden met het (resterend) eigen risico van de benadeelde en te weinig informatie verstrekken over de hoogte van de schade. Nu dat onderwerpen zijn die essentieel zijn bij de behandeling van (verzekerde) schade door een belangenbehartiger, heeft ASR daaraan groot gewicht voor haar beslissing mogen toekennen. Daarbij komt dat Trias c.s een groot aantal van de verweten gedragingen als (feitelijk) juist heeft erkend, maar deze heeft gekwalificeerd als slordigheden, vergissingen van haar medewerkers danwel fouten van de benadeelden. Met die reactie heeft Trias c.s. zich onvoldoende rekenschap gegeven van het feit dat die fouten juist zien op de essentie van het werk van een belangenbehartiger in letselschadezaken.
Tevens acht het hof van belang dat ASR – onbetwist - heeft gesteld dat zij Trias c.s. in een aantal van de genoemde dossiers in een vroeg stadium op fouten heeft gewezen, vragen heeft gesteld om opheldering te krijgen over onduidelijkheden, omissies, tegenstrijdigheden en ontbrekende onderbouwingen in bestaande dossiers en bij de start van nieuwe dossiers schriftelijk heeft gewezen op wat zij van Trias c.s in elk dossier verwacht teneinde verbeteringen te bewerkstelligen. Dit heeft echter niet mogen baten.
4.14
ASR heeft in de voorbereiding van het besluit om de samenwerking te verbreken voldoende rekening gehouden met de belangen van Trias c.s. door haar bij voortduring in de gelegenheid te stellen haar werkwijze aan te passen, opheldering te verschaffen in concrete dossiers en de gevraagde informatie eerder en beter geordend in te dienen.
Zo heeft ASR zich veel moeite getroost om in een aantal door Trias c.s. behandelde dossiers de feiten die nodig zijn voor de beoordeling van de vorderingen van benadeelden boven tafel te krijgen, zoals bijvoorbeeld in het dossier van de student (benadeelde) die via Fides Legal vergoeding van zijn door het ongeval opgelopen studievertraging vorderde. Uit de door Fides Legal ingediende stukken bleek niet van de studievertraging, maar juist dat de student zijn opleiding al had beëindigd op het moment van het ongeval. Pas geruime tijd later - na herhaalde vragen van ASR aan Fides Legal- is boven tafel gekomen dat de student zijn studie op dat moment nog niet had beëindigd. Dit heeft ASR veel tijd en moeite gekost, mede omdat door Fides Legal een ongestructureerd dossier van 125 pagina’s bij ASR is ingediend.
Een ander voorbeeld is de zaak van een benadeelde die op het intakeformulier van Trias Legal heeft ingevuld dat zij aan reuma leed. Die informatie heeft Trias Legal niet aan ASR doorgegeven, terwijl de benadeelde na het ongeval last had van ernstige nekpijn, schouderpijn en hoofdpijn en zich niet meer soepel kon bewegen. Daardoor heeft Trias Legal ASR de kans ontnomen om direct te onderzoeken in hoeverre de klachten van de benadeelde ook samenhingen met de medische voorgeschiedenis (reuma) dan wel met het ongeval.
Een derde voorbeeld betreft de zaak van de benadeelde die twee keer in korte tijd bij een ongeval was betrokken en daarvoor te maken had met twee verschillende verzekeraars (bij het tweede ongeval was dat ASR). Door Trias Legal werden beide zaken van de benadeelde behandeld. Aan ASR deed Trias Legal na het tweede ongeval de mededeling dat de benadeelde ten tijde van dat ongeval klachtenvrij was, terwijl zij aan de andere verzekeraar meldde dat de benadeelde nog klachten als gevolg van het eerste ongeval had.
Tenslotte heeft Fides in (twee verschillende) dossiers van een dakloze benadeelde, die twee ongevallen meemaakte, de kosten van huishoudelijke hulp gedeclareerd en voor een bepaalde periode ook nog dubbel.
4.15
Tegen die achtergrond is het hof voorlopig van oordeel dat ASR voldoende heeft gedaan om de samenwerking met Trias c.s. naar een kwalitatief voldoende niveau te krijgen en dat zij Trias c.s. vanaf eind 2023 in dat kader voldoende in de gelegenheid heeft gesteld de belangenbehartiging te verbeteren door hen bij herhaling te wijzen op de “rode draad” aan verwijten in de door Trias c.s. behartigde dossiers, haar in concrete gevallen er op te wijzen wat in een dossier anders of beter moet en Trias c.s., na een briefwisseling en een gesprek in november 2025, de gelegenheid te geven via een verbeterplan eind 2025 concreet aan te geven welke maatregelen zij gaat nemen om op een kwalitatief voldoende niveau de belangen van benadeelden te behartigen en te voorkomen dat er fouten worden gemaakt bij het indienen van dossiers en de daarin opgenomen schades.
ASR heeft het door Trias c.s in november 2025 gepresenteerde verbeterplan in het licht van de concrete verwijten per vennootschap en per dossier redelijkerwijs als onvoldoende kunnen kwalificeren: het is te algemeen van aard doordat het nauwelijks meer noemt dan verbeterpunten die in feite al de (basis-)eisen vormen die aan elke belangenbehartiger mogen worden gesteld. In het verbeterplan is onvoldoende concreet aandacht besteed aan de wijze waarop Trias c.s de concrete en veelal niet betwiste verwijten op het punt van de essentiële onderwerpen van belangenbehartiging (vgl. 4.13 - 4.15 van dit arrest) in de toekomst gaat vermijden. Bovendien ontbreken tastbare aanknopingspunten om te kunnen toetsen of Trias c.s. aan die punten voldoet. Dat Trias c.s wellicht meende met een verbeterplan in deze vorm te kunnen volstaan omdat dit slechts gold als eerste voorstel neemt deze bezwaren niet weg. Integendeel, daaruit volgt eerder dat Trias c.s. onvoldoende doordrongen was van de urgentie van de onderhavige problematiek.
4.16
Alles bijeen genomen heeft ASR in redelijkheid kunnen menen dat er goede redenen zijn om de samenwerking met Trias c.s. te beëindigen, een en ander als bedoeld in 4.8 van dit arrest. Om tot dit besluit te komen, heeft ASR bovendien voldoende oog gehad voor de gerechtvaardigde belangen van Trias c.s. bij voortzetting van de samenwerking.
Naast al het voorgaande maakt ASR aan Trias c.s. het verwijt dat zij te hoge tarieven hanteert voor de buitengerechtelijke werkzaamheden in de dossiers en dat zij de werkzaamheden bij declaraties voor buitengerechtelijke kosten structureel onvoldoende specificeert. Met Trias c.s is het hof voorlopig van oordeel dat daarop de beëindiging van de samenwerking niet kan worden gebaseerd, nu dat een kwestie is tussen verzekeraar en belangenbehartiger en de benadeelden daar in beginsel buiten staan.
Nu de beëindiging van de samenwerking op veel meer argumenten/verwijten van ASR aan Trias c.s is gebaseerd, is dat echter onvoldoende om tot een ander (voorlopig) oordeel te komen voor wat betreft de beëindiging van de samenwerking.
4.17
Ook een belangenafweging tussen enerzijds de belangen van Trias c.s om te komen tot herstel van de samenwerking met ASR en anderzijds de belangen van ASR om de samenwerking te kunnen beëindigen na de door haar geuite verwijten, maakt dat niet anders. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat Trias c.s. tot het moment waarop het hof heeft beslist over de rechtmatigheid van de externe meldingen (EVR, Nivre en CBV) dossiers behandelt van andere schadeverzekeraars en daarmee omzet genereert. Die omzet ligt weliswaar lager dan voordat ASR de samenwerking beëindigde, maar is niet zodanig laag dat de vennootschappen dreigen om te vallen. Gezien de toezeggingen ter zitting bij het hof dat ASR de externe meldingen bij/in het EVR, Nivre en CBV met onmiddellijke ingang (per 23 juni 2026) zal intrekken en gelet op het hierna te geven oordeel dat die meldingen onrechtmatig waren (zie verder onder 4.25 e.v.), acht het hof niet aannemelijk dat de (financiële) positie van Trias c.s. hierdoor verder zal verslechteren, nu de andere verzekeraars hun samenwerking laten afhangen van het voortduren van de externe meldingen door ASR.
Aldus acht het hof de belangen van Trias c.s. bij die stand van zaken ondergeschikt aan de belangen van ASR, mede ten behoeve van haar verzekerden en andere benadeelden met een claim op haar, om op een goede, efficiënte en transparante afwikkeling van schadedossiers te komen.
4.18
Met de voorzieningenrechter is het hof voorlopig van oordeel dat appellanten geen belang meer hebben bij hun vordering om ASR te verbieden tarieven te hanteren van € 50,- en € 80,- voor de werkzaamheden van de medewerkers van Trias c.s.
Deze vordering (onder VII) heeft immers een voorwaardelijk karakter, namelijk
“bij het voortzetten van de samenwerking”. Die voorwaarde wordt in dit kort geding niet vervuld.
B. Tussenconclusie beëindiging samenwerking
4.19
Nu de grieven van appellanten op dit onderdeel geen doel treffen, zal het hof de uitspraak van de voorzieningenrechter op dit onderdeel bekrachtigen en de vorderingen van appellanten, na de wijziging van eis in hoger beroep, afwijzen.
C. Interne Registers
4.2
De voorzieningenrechter heeft in (rov. 4.13 en 4.14) van het vonnis de vorderingen met betrekking tot de Gebeurtenissenregistratie en het daaraan gekoppelde Interne Verwijzings Register (IVR) afgewezen omdat naar haar oordeel is voldaan aan de voorwaarden voor deze registraties. Daartegen komen appellanten op met grief 9.
Zij bestrijden niet het door de voorzieningenrechter tot uitgangspunt genomen kader, maar menen dat aan de voorwaarden in dit geval niet is voldaan.
4.21
Het hof stelt -in navolging van de voorzieningenrechter- bij zijn beoordeling het volgende voorop. Verzekeraars hanteren bij de verwerking van (persoons)gegevens de “Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars”. In deze code (hierna: de Gedragscode) is bepaald hoe verzekeraars, moeten omgaan met (persoons)gegevens die zij binnen hun eigen organisaties verwerken.
4.22
Artikel 4.5.3. van de Gedragscode bepaalt dat verzekeraars een Gebeurtenissenadministratie bijhouden ter waarborging van de veiligheid en integriteit van de dienstverlening en de sector. Daarnaast kan een verzekeraar besluiten de (persoons)gegevens uit de Gebeurtenissenadministratie op te nemen in het IVR. In het IVR nemen verzekeraars uitsluitend (persoons)gegevens op van (rechts)personen die een risico vormen voor de veiligheid en/of integriteit van de verzekeraar of de groep van ondernemingen waartoe de verzekeraar behoort.
Een Gebeurtenis wordt in (artikel 10 van Pro) de code gedefinieerd als:
“Gebeurtenis is een voorval dat de aandacht verlangt van een Verzekeraar vanwege een (mogelijk) effect op de veiligheid en integriteit van de bedrijfsvoering, werknemers, klanten, overige relaties en de verzekeringsbranche. Hieronder valt bijvoorbeeld mogelijke fraude of ander laakbaar of onrechtmatig gedrag, potentiële en daadwerkelijke vorderingen, onder meer ten aanzien van een met een Verzekeraar gesloten overeenkomst en het niet nakomen van contractuele verplichtingen of andere (toerekenbare) tekortkomingen.”
4.23
Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft ASR niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van [appellant4] en [appellant5] aan de eisen van de Gedragscode voor opname in Gebeurtenissenadministratie en het IVR is voldaan. In de processtukken van haar zijde heeft ASR op dit onderdeel alle appellanten over één kam geschoren en geen onderscheid gemaakt tussen enerzijds de ondernemingen Trias Legal, Fides en Fides Legal waarmee zij samenwerkte en anderzijds de natuurlijke personen [appellant4] en [appellant5] . Voor deze generieke benadering bestaat geen grond.
In zoverre slaagt grief 9.
4.24
Ten aanzien van de opname van Trias c.s. in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR volgt het hof de beoordeling door de voorzieningenrechter (in rov. 4.13 en 4.14) en maakt die beoordeling tot de zijne.
Daaraan voegt het hof toe dat niet goed valt in te zien hoe ASR zonder deze interne registraties andere ondernemingen uit de groep waartoe zij behoort, kan waarschuwen om geen zaken te doen met Trias c.s. Nu het ASR naar het voorlopig oordeel van het hof was toegestaan in januari 2026 de samenwerking met Trias c.s. te beëindigen, brengt haar (bedrijfs)belang en dat van de andere ondernemingen binnen de groep, die grotendeels dezelfde activiteiten uitoefenen, mee dat ASR deze interne registraties voor Trias c.s mag doen. In zoverre faalt grief 9.
D. Externe Registers
4.25
Zoals volgt uit de rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.4 van dit arrest, is in verband met de intrekking van de externe registraties op 23 juni 2026 aan de vorderingen II, III en IV van appellanten, het (spoedeisend) belang komen te ontvallen. Dat betekent dat deze vorderingen in hoger beroep niet kunnen worden toegewezen.
In verband met het belang dat appellanten hebben ten aanzien van de door de voorzieningenrechter ten laste van hen uitgesproken proceskostenveroordeling, zal het hof als gezegd in dat verband wel onderzoeken of de vorderingen die in eerste aanleg ter beoordeling voorlagen terecht zijn afgewezen
4.26
In haar vonnis heeft de voorzieningenrechter (onder rov 4.15 tot en met 4.19) het kader geschetst waarbinnen de rechtmatigheid van de meldingen van ASR in het Incidentenregister, het EVR, het Nivre en het CBV moet worden beoordeeld. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat deze meldingen terecht zijn gedaan, althans niet onrechtmatig zijn. Ten aanzien van de termijn waarvoor appellanten zijn aangemeld in het EVR heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat die moet worden teruggebracht naar vijf jaar (van acht jaar).
Met de grieven 10 en 11 komen appellanten hiertegen op.
Voor zover in grief 11 wordt bestreden dat de termijn van acht jaar nog niet is teruggebracht naar vijf jaar (voor het Incidentenregister en het EVR) blijkt uit prod. 34 bij de memorie van antwoord dat dat op 10 maart 2026 (dus voordat het vonnis van de voorzieningenrechter werd uitgesproken) alsnog is gebeurd. In zoverre faalt grief 11.
4.27
Appellanten komen met hun grieven 10 en 11 niet op tegen het door de voorzieningenrechter toegepaste juridisch kader. Wel bestrijden deze grieven dat aan de voorwaarden, zoals die daaruit voortvloeien, in dit geval is voldaan.
4.28
Het hof neemt - met de voorzieningenrechter - het volgende tot uitgangspunt.
In het Protocol incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2021 (hierna: PiFi) is onder meer geregeld in welke gevallen een financiële instelling (persoons)gegevens mag opnemen in het Incidentenregister en het EVR. Dit is een uitwerking van de geldende privacyregels. Op grond van artikel 3.1.1 PiFi mogen (persoons)gegevens in het Incidentenregister worden geregistreerd als sprake is van een incident in de zin van artikel 2 PiFi Pro:
“een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, (…)”
Artikel 2 noemt Pro daarbij als voorbeelden het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding.
4.29
Voor rechtmatige opname van (persoons)gegevens in het EVR bepaalt artikel 5.2.1 PiFi:
“De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en onder toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.
a. De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële Instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële Instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.
b. In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.
c. Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. (…)”
Om te voldoen aan het onder b. vermelde vereiste moet in beginsel sprake zijn van zodanig concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van art. 350 Sv Pro kunnen dragen. Als maatstaf geldt daarvoor dat de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld moeten opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan [3] .
4.3
ASR dient in het kader van dit kort geding aannemelijk te maken dat aan de vereisten voor opname in het Incidentenregister en het EVR is voldaan althans in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat aan deze vereisten is voldaan. Naar het voorlopig oordeel van het hof is ASR daarin niet geslaagd. De verwijten die ASR aan Trias c.s. maakt (en door haar worden gekwalificeerd als misstanden, het verstrekken van onvolledige en onjuiste informatie, het functioneren op een onvoldoende kwalitatief niveau) zijn ernstig (en zoals uit het voorgaande blijkt voldoende om de samenwerking met Trias c.s te mogen beëindigen). Bovendien hebben Trias c.s de feitelijke gang van zaken in de door ASR benoemde dossiers niet of onvoldoende betwist. De eigen kwalificatie van Trias c.s dat in de door ASR opgevoerde dossiers slechts sprake is van slordigheden danwel dat deze zijn terug te voeren op (onjuiste) informatie die zij van benadeelden hebben gekregen, doet geen recht aan de ernst van de geconstateerde tekortkomingen. Aan de hand van de stukken die ASR in dit kort geding heeft overgelegd kan echter vanwege het summiere karakter daarvan door het hof niet als voldoende aannemelijk worden aangenomen dat bij Trias c.s. sprake is van zodanige feiten en omstandigheden dat zij als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaringen in de zin van art. 350 Sv Pro kunnen dragen, dan wel een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld kunnen opleveren. Zo is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bij Trias c.s sprake is van fraude, opzettelijke misleiding of vervalsing van nota’s. Dat de kwaliteit van belangenbehartiging naar de mening van ASR onvoldoende is, zelfs zodanig ondermaats dat dit de beëindiging van de samenwerking rechtvaardigt, is hiervoor onvoldoende.
4.31
Tegen die achtergrond is het hof voorlopig van oordeel dat ASR onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat voor de registraties in het Incidentenregister en het EVR ten aanzien van Trias c.s aan de voorwaarden is voldaan. Daarbij kan in het midden worden gelaten of tussen Fides, Fides Legal en Trias een zodanige verwevenheid bestaat dat de verwijten aan de ene onderneming ook de andere onderneming(en) kan worden toegerekend. Uit het voorgaande volgt dat ook als van de totaliteit van de in dit geschil aan de ondernemingen verweten gedragingen wordt uitgegaan, dat onvoldoende is om aan de voorwaarden van deze externe registraties te voldoen.
4.32
Als gevolg hiervan komt ook de grondslag aan de meldingen bij het Nivre en CBV te vervallen, nu deze volgens ASR voortvloeien uit de registraties in het Incidentenregister en het EVR. Grief 10 slaagt in zoverre en dat betekent dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vorderingen van Trias c.s onder II en III heeft afgewezen.
4.33
Ten aanzien van de registratie van [appellant4] in het Incidentenregister en het EVR en de meldingen daarvan aan het CBV en het Nivre geldt het volgende. Nu deze volgens ASR voortvloeien uit de verweten gedragingen aan het adres van Trias c.s. en de rol van [appellant4] daarbij als bestuurder van Trias Legal en Fides, is ten aanzien hiervan evenmin aan de voorwaarden voor die registraties voldaan. Dat er naast de verwijten aan deze ondernemingen andere verwijten aan [appellant4] zijn die meebrengen dat wel aan de voorwaarden is voldaan, is niet gesteld of gebleken. De vorderingen onder II en III zijn door de voorzieningenrechter ook ten aanzien van [appellant4] dus ten onrechte afgewezen.
4.34
Een belangenafweging maakt dit (voorlopig) oordeel niet anders. De externe meldingen en registraties ten aanzien van Trias c.s. en [appellant4] zijn verstrekkend van aard en raken rechtstreeks de bedrijfsbelangen van Trias c.s en de privé- en zakelijke belangen van [appellant4] , zoals aannemelijk is geworden op basis van de verminderde omzetten en het verliezen van personeel in verband met reputatieschade. De gestelde belangen van ASR en die van de benadeelden (die ASR beoogt te beschermen) wegen daartegen niet op, te meer niet nu die belangen ook al worden beschermd door de beëindiging van de samenwerking met Trias c.s.
4.35
Nu de door appellanten gevorderde en door de voorzieningenrechter afgewezen rectificatie (VIII) alleen ziet op de intrekking en rectificatie van het bericht op de website van ASR van 29 januari 2026 ten aanzien van de beëindiging van de samenwerking en niet op de externe registraties en meldingen heeft de voorzieningenrechter dat terecht afgewezen.
E. Tussenconclusie registraties en meldingen
4.36
De opname van Trias c.s in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR kan in stand blijven en in die zin zal het hof het vonnis bekrachtigen. Ten aanzien van de opname van [appellant4] en [appellant5] in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR is naar het oordeel van het hof niet voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. Het hof zal dit onderdeel van het vonnis vernietigen en de gevorderde verwijdering ten opzichte van [appellant4] en [appellant5] toewijzen, nu zij daarbij nog steeds een spoedeisend belang hebben. Voor het opleggen van een dwangsom ziet het hof geen aanleiding, nu ASR op de mondelinge behandeling van het hof ook ten aanzien van de externe registers uit eigen beweging tot (het toezeggen van) verwijdering is overgegaan.
4.37
Het voorlopig oordeel van het hof dat de registraties in het Incidentenregister en het EVR en de meldingen daarvan aan het CBV en het Nivre met betrekking tot Trias c.s en [appellant4] niet aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoen, kan wegens het wegvallen van het spoedeisend belang in hoger beroep niet leiden tot een andere uitkomst van deze procedure. In die zin zal de afwijzing door de voorzieningenrechter van de vorderingen van appellanten op dit onderdeel in stand blijven. Dat geldt niet voor de proceskostenveroordeling in het bestreden vonnis voor zover die is gebaseerd op de afwijzing van dit deel van de vorderingen van appellanten.
Nu zij op dit punt materieel het gelijk aan hun zijde hebben, dient ASR de proceskosten hiervan voor haar rekening nemen. Het hof werkt dit verder uit in rechtsoverweging 4.39.
F. Slotsom
4.38
Het hoger beroep van appellanten slaagt deels. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en een deel van de vorderingen van appellanten toewijzen en de overige vorderingen afwijzen.
4.39
Nu partijen zowel in eerste aanleg als in het hoger beroep deels in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten van beide instanties compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.4
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 24 maart 2026 en doet opnieuw recht:
5.2
gebiedt ASR om binnen drie dagen na heden de interne registratie van de persoonsgegevens en andere informatie van [appellant4] en [appellant5] in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR te verwijderen en verwijderd te houden;
5.3
compenseert de kosten van beide instanties in die zin dat alle partijen hun eigen kosten dragen;
5.4
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M. Evers, G.J. Meijer en Th. Veling en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666 (Astellas).
2.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313 (Columbus).
3.HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720.