ECLI:NL:GHARL:2026:581

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
200.355.886/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:392 BWArt. 1:156 lid 1 BWArt. 1:400 lid 1 BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over aanpassing kinder- en partneralimentatie na echtscheiding

De rechtbank Midden-Nederland had bepaald dat de man vanaf 27 september 2024 kinder- en partneralimentatie aan de vrouw moest betalen. Zowel de man als de vrouw gingen in hoger beroep tegen deze beschikking. De man wilde de alimentatieverplichtingen verlagen, terwijl de vrouw hogere bedragen vorderde.

Het hof heeft de draagkracht van de man beoordeeld, waarbij rekening is gehouden met zijn actuele inkomen en werkelijke woonlasten. Het hof constateerde dat de man door zijn eigen handelen inkomensverlies leed, maar inmiddels weer een inkomen heeft dat bijna zijn oude niveau bereikt. Het hof hield geen rekening met zwart inkomen, omdat dit strafbaar is en niet van de man kan worden verlangd.

De behoefte van het kind is vastgesteld en de man moet zijn volledige draagkracht inzetten voor kinderalimentatie, aangezien er geen omgang of zorgkorting is. De partneralimentatie is afgewezen omdat de man geen draagkracht meer heeft na de kinderalimentatie. De vrouw moet de te veel ontvangen alimentatie terugbetalen, mede gezien haar overwaarde uit de verkoop van de woning.

Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en bepaalde nieuwe bedragen voor kinderalimentatie, met ingang van 27 september 2024 en na de 18e verjaardag van het kind. Het verzoek tot partneralimentatie werd afgewezen.

Uitkomst: Het hof past de kinderalimentatie aan en wijst het verzoek tot partneralimentatie af wegens onvoldoende draagkracht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.886
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 580990)
beschikking van 3 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker](de man),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. S.W.F. Rouwette,
en
[verweerster](de vrouw),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. E.A. Prins,
en
[kind1] ( [kind1] ),
die woont in [woonplaats2] .

1.Samenvatting

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft bij beschikking van 21 maart 2025 bepaald dat de man vanaf 27 september 2024 kinder- en partneralimentatie moet betalen aan de vrouw. Het hof beslist past de door de rechtbank berekende hoogte van de te betalen kinderalimentatie aan en wijst het verzoek tot betaling van partneralimentatie af. Het hof legt hierna uit waarom.

2.2. De feiten

2.1.
Het huwelijk van de man en de vrouw is [in] 2024 ontbonden door echtscheiding.
2.2.
De man en de vrouw zijn de ouders van [kind1] , geboren [in] 2007 en [kind2] , geboren [in] 2004. [kind1] en [kind2] wonen bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 30 januari 2024 in een voorlopige voorzieningenprocedure
tussen partijen heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de datum van die
beschikking € 130,- per maand aan kinderalimentatie voor [kind1] aan de vrouw moet betalen.
Het verzoek van de vrouw over de partneralimentatie is toen afgewezen.
In de echtscheidingsbeschikking van 14 juni 2024 is geen nevenvoorziening getroffen voorde kinderalimentatie voor [kind1] , evenmin voor de partneralimentatie.
2.4.
Bij beschikking van 30 januari 2024 in een provisionele voorzieningenprocedure
tussen [kind2] en de man heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de datum van
die beschikking € 130,- per maand moet betalen aan [kind2] , als bijdrage in zijn kosten van
levensonderhoud en studie.
Bij beschikking van 13 juni 2024 in een (bodem)procedure tussen [kind2] en de man heeft de
rechtbank bepaald dat de man met ingang van de datum van die beschikking € 130,- per
maand moet bijdragen in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind2] .

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De vrouw heeft de rechtbank verzocht:
voor de periode tot 4 oktober 2025
- te bepalen dat de man € 554,- per maand aan kinderalimentatie voor [kind1] aan haar
moet betalen, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, dan
wel het moment van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;
- te bepalen dat de man € 578,- bruto per maand aan partneralimentatie aan haar moet
betalen, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, dan wel het
moment van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;
voor de periode vanaf 4 oktober 2025
- te bepalen dat de man € 620,- per maand aan kinderalimentatie voor [kind1] aan haar
moet betalen;
- te bepalen dat de man € 473,- bruto per maand aan partneralimentatie aan haar moet
betalen.
3.2
De man heeft de rechtbank verzocht de verzoeken van de vrouw af te wijzen en te bepalen dat hij aan de vrouw € 130,- per maand aan kinderalimentatie voor [kind1] moet betalen, bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel een zodanige bijdrage met ingang van zodanige datum vast te stellen zoals de rechtbank juist acht.
3.3.
De rechtbank heeft op 21 maart 2025 beslist dat de man vanaf 27 september 2024 een bedrag van € 463,- per maand en vanaf 1 januari 2025 een bedrag van € 493,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1] . Over de partneralimentatie heeft de rechtbank beslist dat de man vanaf 27 september 2024 een bedrag van € 444,- per maand en vanaf 1 januari 2025 een bedrag van € 473,- per maand moet betalen aan de vrouw.
4.1.
De procedure bij het hof
4.1.
De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk de verzoeken van de vrouw afwijst en in plaats daarvan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1] en in het levensonderhoud van de vrouw bepaalt als het hof juist acht.
4.2.
De vrouw is het ook niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij vraagt het hof
de verzoeken van de man af te wijzen en subsidiair, voor zover het hof de grieven van de vrouw in het incidenteel appel niet zou volgen, de beschikking van 21 maart 2025 van de rechtbank te bevestigen.
In haar incidentele appel verzoekt zij het hof
bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 21 maart 2025 van de rechtbank te vernietigen, en:
1. te bepalen dat de man dient te voldoen:
-tot het 18e levensjaar van [kind1] :
voor kinderalimentatie € 588,00 per maand
voor partneralimentatie € 1.379,00 bruto per maand
-vanaf 14-10-2025
voor alimentatie jongmeerderjarige € 620,00 per maand
voor partneralimentatie € 1.379,00 bruto per maand.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift van 20 juni 2025
  • het verweerschrift met incidenteel hoger beroep van 18 juli 2025
  • het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van 4 september 2025
  • een journaalbericht van mr. Rouwette van 30 oktober 2025 met producties
  • een journaalbericht van mr. Prins van 31 oktober 2025 met producties
  • een journaalbericht van mr. Prins van 3 november 2025 met producties
  • een journaalbericht van mr. Prins van 26 november 2025 met producties
  • een journaalbericht van mr. Rouwette van 8 december 2025 met productie
4.4.
De zitting bij het hof was op 16 december 2025. Aanwezig waren:
  • de man met zijn advocaat
  • de vrouw met haar advocaat.
4.5
[kind1] was niet aanwezig bij de zitting. Hij heeft bij brief van 5 augustus 2025 het hof laten weten wat hij vindt van de kinderalimentatie. Tijdens de procedure is [kind1] 18 jaar geworden en hij heeft zijn moeder gemachtigd om namens hem op te treden voor zover het de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie betreft. [1]

5.De overwegingen voor de beslissing

Wat staat in de wet?
5.1.
Ouders zijn verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud aan hun minderjarige kinderen (artikel 1:392 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
De rechter kan partneralimentatie vaststellen voor de echtgenoot die niet voldoende inkomsten heeft voor levensonderhoud en daarin in redelijkheid ook zelf niet kan voorzien (artikel 1:156 lid 1 BW Pro).
5.3.
Kinderen en stiefkinderen die jonger zijn dan eenentwintig jaren, hebben op grond van artikel 1:400 lid 1 BW Pro voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden, indien de draagkracht van de onderhoudsplichtige onvoldoende is om volledig in het levensonderhoud van alle gerechtigden te voorzien. Daarom zal het hof eerst beoordelen of en welke bijdrage de man dient te leveren in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen en daarna pas ingaan op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie.
Hoe oordeelt het hof?
Aanhechten draagkrachtberekeningen
5.4.
Het hof zal bij de bespreking van de behoefte en draagkracht de daarbij behorende berekeningen aan deze beschikking hechten en tot uitgangspunt nemen. Het hof bespreekt hierna alleen die uitgangspunten waarover partijen van mening verschillen.
Ingangsdatum
5.5.
Er zijn geen grieven gericht tegen de ingangsdatum, zodat het hof evenals de rechtbank uitgaat van 27 september 2024 als ingangsdatum.
Kinderalimentatie
5.6.
De richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie van de Expertgroep Alimentatienormen zullen worden toegepast.
hoogte behoefte kind
5.7.
De bij de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van [kind1] van € 551,- in 2024 en € 587,- in 2025 is niet in geschil en staat daarmee vast.
draagkracht man
5.8.
Bij het bepalen van het aandeel van de man in de behoefte van het kind dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot het kind staat in de beoordeling te worden betrokken.
5.9.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de man. Evenals de rechtbank acht het hof aannemelijk dat de man vanwege zijn veroordeling zijn inkomen dat hij verdiende als docent bij [naam1] niet meer kan verdienen. Door het handelen van de man is hij in bewaring gesteld en heeft hij een locatieverbod gekregen. Daardoor is hij zijn baan bij [naam1] kwijtgeraakt en kan hij niet meer in deze baan terugkeren. De man heeft zichzelf in deze positie gemanoeuvreerd terwijl hij zich tegenover de vrouw en [kind1] had moeten onthouden van deze gedragingen. Het hof gaat dan ook uit van het door de man in redelijkheid te verdienen inkomen.
Daarvoor verdiende de man een inkomen als leidinggevende bij een autobedrijf (vanaf 1 maart 2021 tot 30 juni 2023). De man heeft verklaard dat deze baan te hoog gegrepen was en hij er daarom mee is gestopt.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat de man na zijn straf en reclassering weer werk heeft gevonden. Op 1 augustus 2024 is hij gaan werken bij een ander autobedrijf voor € 2.673,- bruto per maand. Inmiddels is het inkomen van de man gestegen en bedraagt zijn bruto loon sinds oktober 2025 € 3.100,-. Met dit inkomen heeft hij zijn “oude” inkomen bijna weer hersteld. Het hof acht het daarom redelijk met dit inkomen rekening te houden voor de bepaling van de kinder- en partneralimentatie met ingang van 27 september 2024.
Anders dan de rechtbank houdt het hof geen rekening met inkomen uit zwart werk. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de man en de vrouw verklaard dat dit zwarte inkomen tijdens de relatie nodig was om te kunnen voorzien in hun drugsverslaving. De vrouw lijkt te betogen dat de man maar weer zwart moet gaan bijverdienen. Omdat ‘zwart werken’ nu eenmaal strafbaar is, kan dat natuurlijk niet van de man worden gevraagd. Als de vrouw zou willen betogen dat de man meer zou moeten werken dan hij thans doet, slaagt dat betoog evenmin: de man werkt inmiddels fulltime en meer kan niet van hem worden gevergd.
Daarbij komt dat de vrouw haar stelling dat de man nog steeds zwart werkt na de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens de bijgevoegde draagkrachtberekening heeft de man met voornoemd inkomen een netto besteedbaar inkomen van € 2.658,- per maand.
5.10.
De rechtbank is bij het bepalen van de draagkracht uitgegaan van het woonbudget. Het hof zal echter uitgaan van de werkelijke woonlast omdat deze aanmerkelijk lager is dan de forfaitaire woonlast waarmee standaard wordt gerekend. De man heeft immers aangevoerd dat hij maandelijks € 640,- betaalt aan stageld voor zijn caravan. Het hof zal daarmee rekening houden omdat sprake is van een tekort aan totale draagkracht om in de behoefte van [kind1] te voorzien. Rekening houdend met de bijdrage voor [kind2] van € 130,- per maand, komt het hof op een draagkracht van de man van € 394,- per maand. [2]
5.11.
De draagkracht van de vrouw is niet in geschil en bedraagt € 138,- per maand.
5.12.
De totale draagkracht van de ouders is niet voldoende om in de behoefte van [kind1] te voorzien. De man dient zijn volledige draagkracht aan te wenden voor een bijdrage in de kosten van [kind1] , want er is geen sprake van omgang en een zorgkorting. Dit betekent dat hij aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1] vanaf 27 september 2024 € 394,- per maand dient te betalen.
Bijdrage na 18e verjaardag van [kind1] (4-10-2025)
5.13.
Partijen zijn het eens dat de behoefte van [kind1] in 2025 € 587,- bedraagt.
Rekening houdend met de bijdrage voor [kind2] van € 138,- per maand in 2025, komt het hof volgens bijgevoegde draagkrachtberekening uit op een draagkracht van € 381,- per maand.
Dit betekent dat de man aan [kind1] met ingang van 4 oktober 2025 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie € 381,- per maand dient te betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
5.14.
De man doet een beroep op de zogenoemde aanvaardbaarheidstoets. Met die toets wordt berekend of de betaling van alimentatie zou leiden tot een onaanvaardbare situatie bij de onderhoudsplichtige. Er is sprake van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. Het hof neemt daarbij de bijstandsnorm van € 1.283,83 tot uitgangspunt en stelt vast dat 95% daarvan een bedrag van € 1.219,64 bedraagt.
5.15.
De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat de man niet te vermijden lasten heeft. Het hof is van oordeel dat uit het onderstaande schema blijkt dat, ook als er gerekend wordt met de door de man opgevoerde lasten, de man voldoende ruimte heeft om de berekende bijdrage te voldoen. Het hof berekent de aanvaardbaarheidstoets als volgt.
NBI
€ 2.658
Bijstandsnorm alleenstaande 2024
€ 1.284,-
Af: wooncomponent 2024
€ 189,-
Af: normpremie ZVW 1014
€ 42,-
Bijstandsnorm minus woonlast en ZVWM
€ 1.053,-
95% daarvan
€ 1.000,35
Werkelijke woonlast
€ 640,-
Zorgverzekering
€ 145,95
Verzekering camper
€ 142,59
Wegenbelasting camper
€ 61,-
Totaal noodzakelijke lasten
€ 1.989,89
Resteert
€ 668,11
5.16.
Het hof stelt vast dat de man na aftrek van de noodzakelijke lasten nog € 688,11 per maand overhoudt en na aftrek van de berekende bijdrage in de kosten van [kind1] en [kind2] nog
€ 146,11. Het beroep op de aanvaardbaarheidstoets faalt.
Partneralimentatie
hoogte van de behoefte vrouw
5.17.
Partijen zijn het eens over behoefte van de vrouw van € 1.957,- in 2024.
Behoeftigheid
5.18.
Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven, om volledig in haar eigen behoefte te kunnen voorzien.
5.19.
De man voert aan dat bij het inkomen van de vrouw rekening gehouden dient te worden met de overheidsbijdrage die de vrouw ontvangt voor [kind1] . Het hof verwijst naar het rapport Alimentatienormen onder 3.3.1 waarin is bepaald dat ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder zijn, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.
5.20.
Uit de aangehechte berekeningen volgt dat de man een draagkrachtruimte heeft van
€ 355,- in 2024 en € 344,- in 2025. Rekening houdend met de bijdrage voor [kind2] en [kind1] resteert geen draagkracht voor een partneralimentatie.
Ingangsdatum
5.21.
Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. De gewijzigde verplichting kan ingaan op de datum dat de omstandigheden zijn gewijzigd, de onderhoudsgerechtigde op de hoogte raakte van de wijziging van omstandigheden, het oorspronkelijke verzoekschrift bij de rechtbank is ingediend of de bestreden beschikking is gegeven. Het wijzigen van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht is mogelijk, maar de rechter dient volgens vaste jurisprudentie daarbij terughoudendheid te betrachten, vanwege eventuele ingrijpende gevolgen van een dergelijke wijziging, met name doordat mogelijk een terugbetalingsverplichting voor de onderhoudsgerechtigde ontstaat.
5.22
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen verklaard dat de man de door de rechtbank vastgestelde kinder- en partneralimentatie heeft voldaan.
Uit het voorstaande blijkt dat de man geen draagkracht heeft voor de eerder vastgestelde kinder- en partneralimentatie en daarom moet het hof beoordelen of de vrouw de te veel ontvangen bijdragen dient terug te betalen aan de man. Aangezien de vrouw niet heeft aangevoerd dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de ontvangen bijdragen dient terug te betalen en zij € 100.000,- aan overwaarde uit de verkoop van de echtelijke woning heeft ontvangen, acht het hof het redelijk dat zij de te veel ontvangen bijdragen aan de man terugbetaalt. Temeer nu de man heeft aangevoerd dat hij geld heeft moeten lenen om aan zijn alimentatieverplichting te kunnen voldoen.

6.De slotsom

In het principaal en incidenteel hoger beroep
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen slagen de grieven deels. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7.Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van partijen en een verdeling van de kosten van de kinderen gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 maart 2025:
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind1] van 27 september 2024 tot 4 oktober 2025 € 394,- per maand zal betalen;
bepaalt dat de man aan [kind1] met ingang van 4 oktober 2025 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie € 381,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, M.H.F. van Vugt en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is door mr. M.H.F. van Vugt in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.