ECLI:NL:HR:2025:724

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2025
Publicatiedatum
8 mei 2025
Zaaknummer
24/02090
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Prejudiciële beslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 392 RvArt. 393 lid 1 RvArt. 822 lid 1 RvArt. 827 lid 1 RvArt. 1:395a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Prejudiciële beslissing over bijdrage levensonderhoud jongmeerderjarige in echtscheidingsprocedure

De zaak betreft de vraag of een jongmeerderjarige (18-20 jaar) een verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie kan indienen binnen de echtscheidingsprocedure van zijn ouders. De rechtbank Rotterdam stelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de toepasselijkheid van art. 822 lid 1 onder Pro c en art. 827 lid 1 onder Pro g Rv.

De Hoge Raad overweegt dat ouders verplicht zijn bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen (art. 1:404 BW Pro) en in de kosten van levensonderhoud en studie van jongmeerderjarigen (art. 1:395a BW). De jongmeerderjarige heeft een eigen aanspraak op deze bijdrage en dient zelf om vaststelling te verzoeken.

De Hoge Raad stelt vast dat art. 822 en Pro 827 Rv niet voorzien in het bepalen van een bijdrage voor jongmeerderjarigen binnen voorlopige voorzieningen of nevenvoorzieningen in echtscheidingsprocedures. Dit komt doordat deze bepalingen zien op voorzieningen tussen echtgenoten over minderjarige kinderen, terwijl de aanspraak van de jongmeerderjarige een eigen recht betreft. Ook de analogie met art. 827 lid 1 onder Pro g Rv faalt omdat de bijdrage niet samenhangt met de gevolgen van de echtscheiding.

De Hoge Raad besluit dat verzoeken tot bijdrage in kosten levensonderhoud en studie van jongmeerderjarigen niet binnen de echtscheidingsprocedure kunnen worden behandeld op grond van genoemde artikelen. Wel kan de rechter een dergelijk verzoek gelijktijdig behandelen met de echtscheidingsprocedure indien het verzoek wordt gedaan op grond van art. 1:395a BW en art. 223 Rv Pro, waarbij een ouder gemachtigd door de jongmeerderjarige dit kan indienen.

De prejudiciële vragen worden ontkennend beantwoord.

Uitkomst: Verzoeken tot bijdrage in kosten levensonderhoud en studie van jongmeerderjarigen kunnen niet binnen de echtscheidingsprocedure op grond van art. 822 of 827 Rv worden behandeld.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/02090
Datum9 mei 2025
PREJUDICIËLE BESLISSING
In de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER in eerste aanleg,
hierna: de vrouw,
niet verschenen in de prejudiciële procedure,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in eerste aanleg,
hierna: de man,
niet verschenen in de prejudiciële procedure.

1.De prejudiciële procedure

Bij tussenvonnis in de zaak C/10/675871/ FA RK 24-2172 van 22 mei 2024 heeft de rechtbank Rotterdam op de voet van art. 392 Rv Pro prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.
Partijen hebben geen schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv Pro ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen zoals weergegeven in de conclusie onder 9.2-9.4 en 9.6-9.7.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
Deze zaak gaat over de vraag of een verzoek tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor een jongmeerderjarige – dat is een meerderjarige van 18, 19 of 20 jaar – kan worden gedaan binnen de echtscheidingsprocedure van diens ouders.
2.2
De Hoge Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
(i) De vrouw en de man zijn in 2000 met elkaar gehuwd. Zij zijn de ouders van een jongmeerderjarige en twee minderjarigen.
(ii) De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding gedaan.
(iii) Bij verzoekschrift inzake voorlopige voorzieningen op voet van art. 822 Rv Pro heeft de vrouw onder meer verzocht de minderjarigen aan haar toe te vertrouwen, en te bepalen dat de man een bedrag inzake de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal betalen.
(iv) De man heeft onder meer verzocht om op het door hem aan de vrouw te betalen bedrag inzake de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, in mindering te brengen de bijdrage die de vrouw zal betalen inzake de kosten van levensonderhoud en studie voor de – bij de man woonachtige – jongmeerderjarige.
(v) De man heeft een door de jongmeerderjarige verleende volmacht overgelegd om namens haar op te treden in de onderhavige voorlopige-voorzieningenprocedure. De (advocaat van de) vrouw heeft een door de jongmeerderjarige verleende volmacht overgelegd om haar in de echtscheidingsprocedure te vertegenwoordigen.
2.3
De rechtbank [1] heeft de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:
1. Valt de jongmeerderjarige onder de reikwijdte van art. 822 lid Pro 1, onder c, Rv?
2. Kan de werkwijze van deze rechtbank in de echtscheidingsprocedure, waarbij het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van de jongmeerderjarige ontvankelijk is wanneer de jongmeerderjarige de ouder die dit verzoek als nevenvoorziening indient daartoe heeft gemachtigd, zoals in de geest van de parlementaire geschiedenis van art. 827 Rv Pro en de gedachte dat art. 827 lid Pro 1, onder f (nieuw onder g), Rv is toegevoegd om afzonderlijke procedures te voorkomen, naar analogie in de voorlopige-voorzieningenprocedure worden toegepast?

3.Beantwoording van de prejudiciële vragen

3.1
De prejudiciële vragen stellen aan de orde of een verzoek tot het bepalen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor de jongmeerderjarige als bedoeld in art. 1:395a BW, bij wege van voorlopige voorziening kan worden gedaan (i) op de voet van art. 822 lid Pro 1, aanhef en onder c, Rv, of (ii) naar analogie op de voet van art. 827 lid Pro 1, aanhef en onder g, Rv.
3.2
Op grond van art. 1:404 BW Pro zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Een vergelijkbare verplichting bestaat voor ouders voor de kosten van levensonderhoud en studie van hun jongmeerderjarige kinderen (art. 1:395a BW). De jongmeerderjarige heeft, anders dan de minderjarige, een eigen aanspraak op betaling van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie vanaf het moment van meerderjarigheid (art. 1:408 lid 1 BW Pro). De jongmeerderjarige die wenst dat de rechter een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie bepaalt, dient daar dan ook in beginsel zelf om te verzoeken. [2]
3.3.1
In een echtscheidingsprocedure kunnen echtgenoten de rechter verzoeken tussen hen voorlopige voorzieningen (art. 821-826 Rv) en nevenvoorzieningen (art. 827 Rv Pro) te treffen. Op grond van art. 822 lid Pro 1, aanhef en onder c, Rv kan de rechter onder meer bepalen aan wie van de echtgenoten ieder minderjarig kind van de echtgenoten tezamen zal worden toevertrouwd, en het bedrag bepalen dat de andere echtgenoot voor de verzorging en opvoeding van ieder minderjarig kind moet betalen. Een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen van de echtgenoten kan eveneens bij wege van nevenvoorziening in een echtscheidingsprocedure worden bepaald (art. 827 lid Pro 1, aanhef en onder c, Rv).
3.3.2
Art. 827 lid Pro 1, aanhef en onder g, Rv bepaalt dat de rechter andere voorzieningen kan treffen dan bedoeld in art. 827 lid Pro 1, aanhef en onder a tot en met f, Rv, mits deze voldoende samenhang vertonen met het verzoek tot echtscheiding, en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met deze restcategorie voor ogen heeft gehad dat bijkomende voorzieningen kunnen worden verzocht zonder dat daarvoor afzonderlijke procedures behoeven te worden gevoerd. Wat betreft de in art. 827 lid Pro 1, aanhef en onder g, Rv genoemde voorwaarden wordt in de toelichting op de bepaling opgemerkt dat andere nevenvoorzieningen voldoende samenhang vertonen met het verzoek tot echtscheiding indien zij aansluiten bij de regeling van de gevolgen van de echtscheiding. [3]
3.4.1
Art. 822 lid 1 Rv Pro en art. 827 lid 1 Rv Pro voorzien niet in de mogelijkheid om bij wege van voorlopige voorziening respectievelijk nevenvoorziening een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van jongmeerderjarige kinderen te bepalen.
3.4.2
Een voorziening tot het bepalen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van jongmeerderjarige kinderen kan ook niet naar analogie worden gerekend tot de voorzieningen bedoeld in art. 822 lid Pro 1, aanhef en onder c, Rv en art. 827 lid Pro 1, aanhef en onder c, Rv. Deze voorzieningen zien op het bepalen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen, die moet worden betaald aan de echtgenoot aan wie de kinderen zijn toevertrouwd. Daarmee betreft het voorzieningen die tussen de echtgenoten worden getroffen. Een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie is een aanspraak van de jongmeerderjarige zelf jegens zijn of haar ouders (zie hiervoor in 3.2). Het bepalen van die bijdrage strekt dan ook niet tot het treffen van een voorziening tussen de echtgenoten.
3.4.3
Tot slot kan een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van een jongmeerderjarige ook niet op de voet van art. 827 lid Pro 1, aanhef en onder g, Rv als nevenvoorziening worden bepaald. Zoals hiervoor is overwogen, gaat het om een aanspraak van de jongmeerderjarige op zijn of haar ouders. De echtscheiding heeft op die aanspraak geen effect. Het bepalen van die bijdrage sluit dan ook niet aan bij de regeling van de gevolgen van de echtscheiding. In het verlengde hiervan kan een verzoek tot vaststelling van die bijdrage evenmin naar analogie van art. 827 lid Pro 1, aanhef en onder g, Rv in de voorlopige-voorzieningenprocedure op de voet van art. 822 Rv Pro worden gedaan.
3.5
Uit het voorgaande volgt dat beide prejudiciële vragen ontkennend moeten worden beantwoord.
3.6
Het voorgaande staat niet eraan in de weg dat de rechter een op de voet van art. 1:395a BW gedaan verzoek van de jongmeerderjarige tot het bepalen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie gelijktijdig behandelt met verzoeken die in de echtscheidingsprocedure tussen de ouders van de jongmeerderjarige worden gedaan. Daarbij maakt het geen verschil of de jongmeerderjarige zelf of een door de jongmeerderjarige daartoe gemachtigde ouder het verzoek op de voet van art. 1:395a BW doet.
Een verzoek van de jongmeerderjarige of een ouder die daartoe door de jongmeerderjarige is gemachtigd, om bij wege van voorlopige voorziening een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie te bepalen, is aan te merken als een verzoek op de voet van art. 223 Rv Pro. [4] De rechter kan ook dit verzoek – dat alleen gedaan kan worden als ook een verzoek op de voet van art. 1:395a BW is gedaan – gelijktijdig behandelen met verzoeken in de echtscheidingsprocedure, waaronder een eventueel in de echtscheidingsprocedure op de voet van art. 822 Rv Pro gedaan verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

4.Beslissing

De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen ontkennend.
Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
9 mei 2025.

Voetnoten

1.Rechtbank Rotterdam 22 mei 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:4732.
2.Kamerstukken II 1978/79, 15417, nr. 3, p. 10.
3.Kamerstukken II 1999/2000, 26862, nr. 3, p. 10.
4.Vgl. HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533, rov. 3.4.