ECLI:NL:GHARL:2026:604

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
200.362.179
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 349a lid 2 FwArt. 350 lid 3 aanhef en onder c Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting wettelijke schuldsaneringsregeling met verlenging wegens niet-informeren over buitenlandse bankrekening

De rechtbank Gelderland had de tussentijdse beëindiging van de wsnp ten aanzien van appellant toegewezen op verzoek van de bewindvoerder, vanwege het niet melden van een Bulgaarse bankrekening waarop ruim €6.500 was bijgeschreven. Appellant stelde hoger beroep in tegen dit vonnis en verzocht om voortzetting van de wsnp met verlenging van de looptijd.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en het verzoek tot tussentijdse beëindiging afgewezen. Het hof oordeelde dat appellant toerekenbaar tekortgeschoten is in zijn verplichtingen door het niet informeren over de buitenlandse bankrekening, maar dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Appellant heeft toegelicht dat hij dacht dat de bewindvoerder op de hoogte was en dat de gelden bestemd waren voor reizen naar zijn zieke moeder.

De bewindvoerder bevestigde dat het feit dat appellant alsnog melding maakte van de bankrekening in zijn voordeel spreekt. De boedelachterstand moet worden ingelopen, waarvoor de looptijd van de wsnp wordt verlengd tot uiterlijk 5 maart 2028. Appellant krijgt een laatste kans en moet zich strikt houden aan zijn verplichtingen, waaronder het tijdig informeren van de bewindvoerder en het voorkomen van nieuwe schulden.

Uitkomst: De wsnp wordt voortgezet met een verlenging van maximaal twee jaar vanwege het niet informeren over een buitenlandse bankrekening.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.362.179
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen [nummer]
arrest van 3 februari 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. C.C.W. Plaat

1.De procedure bij de rechtbank

1.1.
De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de rechtbank) heeft in het vonnis van 5 september 2024 ten aanzien van [appellant] de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: wsnp) uitgesproken. Daarbij is [naam1] tot bewindvoerder benoemd (hierna: de bewindvoerder).
1.2.
In het vonnis van 27 november 2025 heeft de rechtbank het verzoek van de bewindvoerder om de toepassing van de wsnp ten aanzien van [appellant] tussentijds te beëindigen toegewezen en bepaald dat de toepassing van de wsnp vier weken nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan eindigt.
2. De procedure bij het hof
2.1.
In het op 3 december 2025 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 27 november 2025. Hij heeft het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en te bepalen dat de toepassing van de wsnp ten aanzien van hem wordt voortgezet, met een verlenging van de looptijd.
2.2.
Het hof heeft kennisgenomen van:
- het beroepschrift;
- het bericht van 30 december 2025 van de bewindvoerder;
- het bericht van 21 januari 2026 namens [appellant] ;
- het bericht van 22 januari 2026 namens [appellant] .
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026, waarbij [appellant] is verschenen, bijgestaan door mr. Plaat. Verder is de bewindvoerder verschenen.

3.De motivering van de beslissing in hoger beroep

De beslissing
3.1.
Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen. Het verzoek tot tussentijdse beëindiging zal worden afgewezen en de toepassing van wsnp zal worden voortgezet met een verlenging van de looptijd met maximaal twee jaar.
Het verzoek en het oordeel van de rechtbank
3.2.
Volgens de bewindvoerder heeft [appellant] het bestaan van een Bulgaarse bankrekening verzwegen. Op die bankrekening is in de periode van 16 augustus 2024 tot 11 juli 2025 ruim € 6.500 bijgeboekt. Dat bedrag moet toekomen aan de boedel. Het is voor [appellant] echter niet haalbaar dat bedrag binnen de reguliere looptijd van de wsnp te voldoen. Daarnaast wijst de bewindvoerder op een betaling van de Bulgaarse bankrekening van € 1.789,52 onder vermelding van ‘ [omschrijving] ’ (hierna: [naam2] ) ongeveer twee weken voor de toelating tot de wsnp. Hieruit volgt volgens de bewindvoerder dat [appellant] inkomsten heeft verzwegen en vermogensbestanddelen buiten de boedel heeft gehouden. Daarnaast heeft [appellant] een boedelachterstand en een nieuwe schuld laten ontstaan.
3.3.
De rechtbank heeft het verzoek van de bewindvoerder om de wsnp van [appellant] tussentijds te beëindigen toegewezen. Volgens de rechtbank is sprake van een ernstige tekortkoming en kan [appellant] dat worden verweten.
Het juridisch kader
3.4.
De wsnp kent een aantal (strikte) verplichtingen. Zo heeft de schuldenaar de verplichting om de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de regeling (hierna: de informatieverplichting). Als de schuldenaar een of meer van zijn uit de wsnp voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt, kan de rechter de toepassing van de wsnp beëindigen (artikel 350 lid 3 aanhef Pro en onder c Fw). De rechter kan ook de termijn verlengen gedurende welke de wsnp van toepassing is (artikel 349a lid 2 Fw).
De beoordeling door het hof
3.5.
Nadat [appellant] is toegelaten tot de wsnp heeft de bewindvoerder hem gevraagd om de IBAN-nummers van zijn bankrekeningen. [appellant] heeft de bewindvoerder toen niet geïnformeerd over het bestaan van zijn Bulgaarse bankrekening. Gedurende de looptijd van de wsnp en kort daarvoor (op 16 en 27 augustus 2024) ontving hij daarop in totaal een bedrag van € 6.674,92. Dat bedrag, waarvan [appellant] niet heeft weersproken dat als hij de bankrekening wel had gemeld aan de bewindvoerder, dat ten goede was gekomen van de boedel, heeft [appellant] niet aan de boedel afgedragen.
3.6.
Het niet informeren van de bewindvoerder over het bestaan van de Bulgaarse bankrekening zou voldoende aanleiding kunnen geven om de wsnp van [appellant] tussentijds te beëindigen. Op de mondelinge behandeling bij de rechtbank is [appellant] niet verschenen en hij heeft in die procedure geen verweer gevoerd. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] wel een toelichting gegeven. Daarbij heeft hij het hof ervan kunnen overtuigen dat hem een laatste kans moet worden geboden om zijn regeling voort te zetten. Daarvoor is het volgende redengevend.
3.7.
[appellant] heeft verklaard dat hij in de veronderstelling was dat de bewindvoerder op de hoogte was van het bestaan van de Bulgaarse bankrekening en dat de vraag naar IBAN-nummers om Nederlandse bankrekeningen ging. De Bulgaarse bankrekening was volgens [appellant] bekend bij de schuldhulpverlener van de gemeente en de bewindvoerder heeft het dossier van hem overgenomen na de toelating tot de wsnp. Daarnaast was de bankrekening bekend bij de Belastingdienst. [appellant] verklaarde dat hij op die bankrekening geld van zijn vader ontving om te reizen naar zijn zieke moeder in Bulgarije. [appellant] was zich er niet van bewust dat hij die gelden had moeten afdragen aan de boedel of dat hij hierover moest overleggen met de bewindvoerder. Toen er door één van zijn schuldeisers beslag werd gelegd op de Bulgaarse bankrekening heeft [appellant] daarvan zelf melding gemaakt bij de bewindvoerder. Ook verklaarde hij dat hij dat niet had gedaan als hij dacht dat de bewindvoerder de bankrekening niet kende en hij die bankrekening voor hem verborgen had willen houden. De bewindvoerder beaamde op de mondelinge behandeling dat het feit dat [appellant] hem alsnog heeft geïnformeerd over de bankrekening in zijn voordeel spreekt.
3.8.
Eén van de schuldeisers van [appellant] heeft kort na de toelating tot de wsnp contact opgenomen met de bewindvoerder, omdat hij het niet eens was met de toelating van [appellant] tot de wsnp. Volgens hem zou [appellant] in het buitenland bezittingen en banktegoeden hebben. Tussen de bewindvoerder en [appellant] is in discussie of zij naar aanleiding van die melding telefonisch hebben gesproken over het al dan niet bestaan van buitenlandse bezittingen. Volgens [appellant] heeft de bewindvoerder hem niet expliciet gevraagd naar buitenlandse bankrekeningen. Het was voor hem daarnaast niet duidelijk dat de bankrekening ook onder de door de bewindvoerder bedoelde ‘bezittingen’ viel. [appellant] verstond onder het woord ‘bezittingen’ eerder dingen als zaken of onroerend goed en die had hij niet, zo verklaarde hij op de mondelinge behandeling.
3.9.
Over de betaling van het bedrag van € 1.789,52 onder vermelding van ‘ [omschrijving] ’ heeft [appellant] uitgelegd dat hij die betaling heeft gedaan om zijn vader te helpen. Omdat zijn vader geen toegang had tot zijn zakelijke bankrekening heeft hij [appellant] gevraagd de betaling van de hypotheek van [naam2] , een familiebedrijf waarvan [appellant] vader bestuurder en aandeelhouder was, te voldoen. [appellant] heeft bij zijn vader aangegeven daarvoor geen geld te hebben (zo’n bedrag stond toen ook niet op de bankrekening). Zijn vader heeft vervolgens een klant van [naam2] gevraagd een factuur van ruim € 1.900 op de (Bulgaarse) bankrekening van [appellant] te voldoen, zodat [appellant] daarmee de hypotheek kon betalen. Die verklaring vindt steun in de bij- en afschrijvingen die te zien zijn op de overgelegde afschriften van de Bulgaarse bankrekening.
3.10.
[appellant] is door het niet informeren van de bewindvoerder over het bestaan van de Bulgaarse bankrekening toerekenbaar tekortschoten in de nakoming van zijn verplichtingen op grond van de wsnp. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, die pas bij de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn gebleken en ook de bewindvoerder desgevraagd hebben doen twijfelen aan [appellant] opzet, valt hem hiervan echter niet zo’n ernstig verwijt te maken dat de toepassing van de wsnp tussentijds moet eindigen. [appellant] moet de bedragen die hij op de Bulgaarse rekening heeft ontvangen wel alsnog aan de boedel afdragen. De looptijd van de wsnp zal daarom worden verlengd met maximaal twee jaar, tot 5 maart 2028, of zoveel minder als nodig is om de boedelachterstand van in totaal € 6.674,92 in te lopen.
3.11.
Er was daarnaast een achterstand ontstaan in de reguliere boedelafdracht, maar de bewindvoerder heeft op de mondelinge behandeling bevestigd dat die achterstand is ingelopen. De nieuwe schuld bij Nationale Nederlanden is ook afgelost. Van de betaling daarvan heeft [appellant] een betaalbewijs overgelegd. Die tekortkomingen staan daarom niet langer in de weg aan de voortzetting van de wsnp.
3.12.
[appellant] moet zich realiseren dat hij met deze beslissing een laatste kans krijgt om zijn schuldsaneringsregeling succesvol tot een einde te brengen. Van [appellant] wordt dan ook verlangd dat hij zich gedurende de resterende looptijd van zijn regeling stipt zal houden aan de uit de regeling voortvloeiende verplichtingen. Het hof wijst [appellant] er met nadruk op dat hij de bewindvoerder tijdig, gevraagd en ongevraagd, alle voor de wsnp relevante informatie moet verstrekken. Gedurende de verlenging van de looptijd van de wsnp moet de boedelbijdrage, na aftrek van salaris en kosten van de bewindvoerder, in het geheel worden aangewend om de boedelachterstand in te lopen. Er wordt in die periode niet meer voor de gezamenlijke schuldeisers gespaard. Wel blijven van toepassing, naast bovengenoemde informatieverplichting, de inspanningsverplichting en de verplichting om geen nieuwe (bovenmatige) schulden te laten ontstaan.
De conclusie
3.13.
Het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en het hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 27 november 2025 en beslist als volgt:
4.2.
wijst het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsanering alsnog af;
4.3.
bepaalt dat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] wordt voortgezet;
4.4.
verlengt de looptijd van deze regeling tot uiterlijk 5 maart 2028 of zoveel eerder als de achterstand in boedelafdracht van € 6.674,92 zal zijn ingelopen;
4.5.
bepaalt dat [appellant] tijdens de verlengde looptijd van zijn schuldsaneringsregeling het bewindvoerderssalaris moet blijven voldoen en daarnaast zijn inspanningsverplichting, informatieverplichting en de verplichting om geen nieuwe (bovenmatige) schulden te laten ontstaan moet nakomen.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, M.P.M. Hennekens en N.M. Brouwer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.