ECLI:NL:GHARL:2026:858

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
P25/335
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:3 SvArt. 6:6:23a SvArt. 6:6:23b SvArt. 38z Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging tenuitvoerlegging gedragsbeïnvloedingsmaatregel wegens onvoldoende recidiverisico

De betrokkene is door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden en opgelegd een gedragsbeïnvloedingsmaatregel (gvm-maatregel) voor twee jaar. Het openbaar ministerie vorderde de tenuitvoerlegging van deze maatregel, welke door de rechtbank werd gelast. Betrokkene stelde zich op het standpunt dat de procedure niet correct was en dat de maatregel onterecht werd uitgevoerd omdat niet voldaan was aan de wettelijke criteria.

Het hof heeft het beroep van betrokkene behandeld en overwogen dat de procedurele bezwaren niet tot niet-ontvankelijkheid leiden. Inhoudelijk oordeelde het hof dat uit de stukken, waaronder rapporten van Tactus Verslavingszorg en het Pieter Baan Centrum, niet ondubbelzinnig blijkt dat betrokkene een ernstig risico op herhaling van een misdrijf vormt waarvoor een gvm-maatregel kan worden opgelegd. De psychiatrische rapportage kon geen verband leggen tussen de psychopathologie en de tenlastegelegde zedendelicten, en er is geen recente medische verklaring die de noodzaak van behandeling onderbouwt.

Het hof concludeert dat de wettelijke criteria voor tenuitvoerlegging van de gvm-maatregel niet zijn vervuld. Tevens verduidelijkt het hof wat onder een medische verklaring wordt verstaan in dit kader. Gelet hierop vernietigt het hof de beslissing van de rechtbank en wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Uitkomst: De tenuitvoerlegging van de gedragsbeïnvloedingsmaatregel wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwd recidiverisico en het ontbreken van een recente medische verklaring.

Uitspraak

P25/335
Beslissing van 12 februari 2026
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende aan de [adres] ,
verder te noemen: de betrokkene.
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 15 april 2025. Deze beslissing houdt in de tenuitvoerlegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (
hierna: gvm-maatregel) voor de duur van twee jaren.
Het hof heeft gelet op dezelfde stukken als de rechtbank en daarnaast onder meer op:
  • het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
  • de beslissing waarvan beroep;
  • de akte van 18 april 2025 waarbij de betrokkene beroep heeft ingesteld;
  • het advies tenuitvoerlegging GVM van Tactus Verslavingszorg van 21 november 2025;
  • het aanvullend advies van Tactus Verslavingszorg van 14 januari 2026.
Het hof heeft ter zitting van 29 januari 2026 gehoord de advocaat-generaal, mr. I.M. Muller, en de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Groothuismink (waarnemend voor mr. R. Oude Breuil), advocaat te Enschede.
Verder heeft hof ter zitting als deskundige gehoord:
- [naam] , als reclasseringswerker verbonden aan GGZ Tactus [plaats] .

Standpunten

Het standpunt van de betrokkene
Primair is het verweer gevoerd dat de procedure rond de ontvangst van de vordering en de dagbepaling van het onderzoek van de zaak niet conform het bepaalde in artikel 6:6:3 van Pro het Wetboek van Strafvordering heeft plaatsgevonden, en dat het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De ondertekening voor ontvangst van de vordering en de dagbepaling zijn gedaan en ondertekend door een griffier, terwijl de dagbepaling gedaan had moet worden door een rechter.
Ook inhoudelijk is de betrokkene het niet eens met de tenuitvoerlegging van de gvm-maatregel. De tenuitvoerlegging van de gvm-maatregel kan worden gelast als er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de betrokkene wederom een misdrijf zal begaan waarvoor een gvm-maatregel kan worden opgelegd, of wanneer dit noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen. Aan dit vereiste is niet voldaan. Betrokkene heeft geen contact gezocht met de slachtoffers en hij kwam niet eerder in aanraking met justitie vanwege zedenfeiten. Toch stelt de reclassering dat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de betrokkene wederom een zedenmisdrijf pleegt. De risicotaxatie-instrumenten die de reclassering heeft gebruikt gaan echter mede uit van risico op algemene recidive, terwijl dit niet de tenuitvoerlegging van de gvm-maatregel rechtvaardigt. Daarnaast blijkt uit het rapport van het Pieter Baan Centrum, dat destijds in de onderliggende strafzaak is opgemaakt, dat de rapporteurs geen verband tussen de geconstateerde psychopathologie met de tenlastegelegde feiten hebben kunnen onderbouwen. De rechtbank heeft weliswaar een hoog recidive-risico aangenomen, maar heeft dat vooral gebaseerd op instabiliteit op het gebied van huisvesting en dagbesteding. De betrokkene beschikt echter sinds zijn invrijheidsstelling wel over een woning en dagbesteding. Er is geen hulpvraag, en er is ook geen medische verklaring die de noodzaak van behandeling onderbouwt. De betrokkene moet niet behandeld worden, puur omdat hij maar behandeld moet worden. De raadsvrouw heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van de gvm-maatregel af te wijzen.
De toelichting van de ter zitting gehoorde deskundige
De deskundige heeft aangegeven dat het grootste zorgpunt is gelegen in het feit dat het bij de betrokkene ontbreekt aan zelfinzicht met betrekking tot de indexdelicten die heel ernstig zijn geweest. Het risicotaxatie-instrument is duidelijk en hieruit volgt dat sprake is van een hoog recidive-risico. De betrokkene moet intensief op zedenproblematiek worden behandeld om tot een recidivereductie te komen. Dat de betrokkene daar niet aan wil meewerken omdat hij dan mogelijk zijn werk en woning verliest is niet waar het om draait. De behandeling kan niet op een andere manier worden vormgegeven en de deskundige denkt eerder aan een verdere opschaling van de behandeling dan een afschaling. De hulpvraag van de betrokkene moet worden vastgesteld bij een eerste intakegesprek.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De betrokkene stond bekend als een zeer actieve veelpleger die tot kort voor de pleegdatum van de feiten waarvoor de gvm-maatregel is opgelegd een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders heeft ondergaan. De feiten waarvoor de gvm-maatregel is opgelegd betreffen echter andere feiten, namelijk zedendelicten. Hoewel de betrokkene zegt zijn best te doen en hard aan het werk te zijn om zijn leven op orde te krijgen voor zichzelf en zijn kinderen, liggen de zorgen van het openbaar ministerie in deze zedendelicten. Om de risico’s op deze delicten te voorkomen is behandeling nodig. Voor een klinische opname is een medische verklaring nodig. Voor het geval het hof van oordeel is dat ook voor de gevorderde behandeling een medische verklaring vereist is ligt er een recent reclasseringsrapport en kan die met het rapport van het Pieter Baan Centrum uit 2023 als zodanig worden aangemerkt. De reclassering handhaaft het advies tot tenuitvoerlegging van de gvm-maatregel en het openbaar ministerie ziet geen reden om tot een andere beslissing te komen dan de rechtbank, zodat die beslissing kan worden bevestigd.

Het oordeel van het hof

Vernietiging
Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen, omdat het tot een andere beslissing komt.
Procesverloop
De betrokkene is bij uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 juni 2023 wegens, kort gezegd, poging tot verkrachting, poging tot opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving en verduistering veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (gvm-maatregel) opgelegd.
De executie van de opgelegde gevangenisstraf heeft blijkens de gegevens van de Justitiële Documentatie – na aftrek van voorarrest – plaatsgevonden van 15 juli 2023 tot 22 april 2025.
Op 21 maart 2025 heeft de officier van justitie bij schriftelijke vordering de tenuitvoerlegging gevorderd van de opgelegde gvm-maatregel voor de duur van twee jaren.
De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij beslissing van 15 april 2025 de tenuitvoerlegging gelast van de door de rechtbank Overijssel op 30 juni 2023 opgelegde gvm-maatregel voor de duur van twee jaren.
Daarbij heeft de rechtbank – naast de (algemene) voorwaarden om mee te werken aan het vaststellen van zijn identiteit en het meewerken aan reclasseringstoezicht – een aantal (bijzondere) voorwaarden gesteld, te weten (kort gezegd):
  • de verplichting zich te laten behandelen door Transfore en/of JusTact of een soortgelijke zorgverlener;
  • de verplichting zich te laten begeleiden door het FACT team van Transfore of een soortgelijke zorgverlener;
  • geen gebruik van drugs en meewerken aan controle daarop door middel van urineonderzoek;
  • meewerken aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de betrokkene.
De vervangende hechtenis voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, is door de rechtbank bepaald op twee weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.
De tenuitvoerlegging van de gvm-maatregel is op het moment van de beslissing van de rechtbank direct gaan lopen en is van rechtswege dadelijk uitvoerbaar.
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de rechtbank van 15 april 2025 beroep ingesteld.
Verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer
Geconstateerd wordt dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de gvm-maatregel is ondertekend door een officier van justitie op 21 maart 2025. Dit is meer dan dertig dagen voor het eindigen van de detentie op 22 april 2025 en dus tijdig.
Het ondertekenen voor ontvangst op de griffie en de dagbepaling zijn beide gedaan door een medewerker van het openbaar ministerie, die benoemd is tot waarnemend griffier van de rechtbank, niet zijnde een rechter. Er is geen reden om te twijfelen aan die benoeming tot waarnemend griffier en de rechtmatigheid daarvan, maar artikel 6:6:3, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de dagbepaling moet worden gedaan door een rechter. De vraag is of dit consequenties moet hebben, en zo ja welke. Het hof overweegt dat artikel 6:6:3, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering beoogt te bewerkstelligen dat de rechter in een vroeg stadium een vordering niet ontvankelijk kan verklaren vanwege haar kennelijke ongegrondheid. Deze bepaling strekt daarom niet tot bescherming van de belangen van de veroordeelde. Ook is de niet naleving van dit voorschrift niet met nietigheid bedreigd. Het hof volstaat hierdoor met de enkele constatering dat het voorschrift niet is nageleefd en zal hier geen rechtsgevolg aan verbinden. Om deze reden verwerpt het hof het niet-ontvankelijkheidsverweer.
Wettelijk kader
De wettelijke grondslag voor de tenuitvoerlegging van de maatregel is te vinden in de artikelen 6:6:23a en 6:6:23b van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
Wat betreft het algemene kader van de beoordeling van de vordering tot tenuitvoerlegging van de gvm-maatregel verwijst het hof naar zijn eerder beslissing van 31 juli 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5550).
In de onderhavige zaak zijn in het bijzonder de onderhavige bepalingen van belang:
Artikel 6:6:23a Sv luidt, voor zover van belang:
De maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan niet ten uitvoer worden gelegd, tenzij het openbaar ministerie een vordering tot tenuitvoerlegging indient bij de rechter die in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd.
De vordering moet worden ingediend uiterlijk dertig dagen voor de beëindiging van de terbeschikkingstelling dan wel dertig dagen voor ommekomst van de termijn, bedoeld in artikel 6:1:18, dan wel dertig dagen voordat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt beëindigd. Het openbaar ministerie is in een later ingediende vordering niettemin ontvankelijk indien het aannemelijk maakt dat de grond, bedoeld in artikel 6:6:23b, eerste lid, zich eerst nadien heeft voorgedaan.
Bij de vordering legt het openbaar ministerie een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies over van een reclasseringsinstelling. Indien de gevorderde voorwaarde betrekking heeft op behandeling of opname in een zorginstelling, wordt tevens een medische verklaring overgelegd waaruit de noodzaak van behandeling of opname blijkt.

(…)

Artikel 6:6:23b Sv luidt, voor zover van belang:
1.
De rechter kan de tenuitvoerlegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking gelasten indien:
a.
er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan waarvoor de rechter een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan opleggen; of
b.
dit noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen.
2.
De rechter kan bij de last één of meer van de volgende voorwaarden opnemen:
a.
een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;
b.
opneming van de veroordeelde in een zorginstelling;
c.
een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling;
(…)
Beoordeling
Oplegging van de maatregel
In het onderhavige geval is de betrokkene door de rechtbank Overijssel wegens, kort gezegd, poging tot verkrachting, poging tot opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving en verduistering veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden en is aan hem de gvm-maatregel opgelegd. Ten aanzien van de gvm-maatregel heeft de rechtbank destijds in het opleggingsvonnis het volgende overwogen:
‘De rechtbank zal daarnaast een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of
vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om aan verdachte ook na afloop van de gevangenisstraf de nodige maatregelen op te leggen indien dat in verband met dan bestaande risico’s noodzakelijk is. Het hoge risico op recidive en de bij verdachte aanwezige persoonlijkheidsproblematiek maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank ook ná de gevangenisstraf een vorm van behandeling en toezicht nodig is. Welke vorm van behandeling en toezicht dat moet zijn valt op dit moment niet goed te beoordelen. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan. Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Aan verdachte wordt daarnaast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen. De rechtbank zal daarom overgaan tot oplegging van deze maatregel.’
Tijdige vordering
In het onderhavige geval is voldaan aan de in artikel 6:6:23a, eerste en tweede lid, Sv gestelde voorwaarde dat het openbaar ministerie uiterlijk dertig dagen voordat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt beëindigd een vordering tot tenuitvoerlegging indient bij de rechter die in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd.
Criterium
De tenuitvoerlegging van de gvm-maatregel kan alleen worden gelast indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan waarvoor de rechter een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan opleggen, of dit noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen.
De gvm-maatregel kan ingevolge artikel 38z Wetboek van Strafrecht worden opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, indien de betrokkene – voor zover in casu relevant – wordt veroordeeld wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.
Uit het adviesrapport van Tactus Verslavingszorg van 20 maart 2025, en de aanvullende informatie van Tactus Verslavingszorg van 21 november 2025 en van 14 januari 2026, blijkt weliswaar van zorgen over een mogelijke recidive van de indexdelicten, maar zonder dat dit in die rapporten door gedragsdeskundigen wordt onderbouwd.
In het rapport van het Pieter Baan Centrum van 5 juni 2023 hebben de gedragsdeskundig rapporteurs vanuit de geconstateerde psychopathologie geen verband kunnen onderbouwen met de tenlastegelegde feiten, en daarom geen onderbouwde uitspraak gedaan over het recidiverisico met betrekking tot seksueel geweld:
"Vanuit de geconstateerde psychopathologie kan geen verband onderbouwd worden met deze ten laste gelegde feiten. De diagnose andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken kon in classificerend opzicht wel worden gesteld, maar desondanks is er weinig zicht gekomen op forensisch relevante persoonlijkheidskenmerken zoals bijvoorbeeld de agressieregulatie, frustratietolerantie en de impulscontrole, zoals eerder beschreven. Er kan geen delictscenario worden opgesteld en er is geen eerder patroon van seksueel geweld. Meer specifiek is niet duidelijk geworden of, en zo ja in welke mate, betrokkene vanuit zijn pathologie ten tijde van het ten laste gelegde beperkt is geweest in het maken van afwegingen en keuzes, en of hierbij ook meer situationele aspecten van relevante of doorslaggevende invloed zijn geweest. De conclusie is dan ook dat er op basis van het onderhavige onderzoek en de beperkingen van dit onderzoek geen doorwerking is te onderbouwen ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 1 tot en met 3. Vanwege het ontbreken van zicht op een mogelijke rol van de psychopathologie in deze ten laste gelegde feiten (indien bewezen), kunnen onderzoekers geen advies formuleren met
betrekking tot het toerekenen van deze feiten.
Omdat het niet duidelijk is of de beschreven pathologie van invloed is geweest bij de ten laste gelegde feiten, kunnen ondergetekenden geen uitspraak doen over een eventueel pathologisch bepaald recidiverisico voor een seksueel gewelddadig delict. Vanuit de pathologie hebben ondergetekenden hiervoor geen aanknopingspunten. Er mist een patroon van seksuele delicten en er mist met name zicht op motieven en drijfveren voor de huidige seksuele tenlastegelegde feiten (indien bewezen). Overigens is het ook niet mogelijk op de gestructureerde risicotaxatie-instrumenten voor seksueel gewelddadige recidive, STATIC-99R en STABLE, op een betrouwbare wijze te gebruiken. Het klinisch beeld met betrekking tot de vastgestelde stoornissen in relatie met het ten laste gelegde, indien bewezen, is niet helder. Met de STATIC-99R zou een statisch profiel opgesteld kunnen worden van betrokkene maar deze kan vervolgens niet gewogen worden tegen het klinisch beeld. Voor de STABLE geldt dezelfde beperking. De uitkomst zegt daarom niets over het daadwerkelijke risico in dit individuele geval. Dit alles maakt dat onderzoekers geen onderbouwde uitspraak kunnen doen over het recidiverisico met betrekking tot seksueel geweld.
Aangezien onderzoekers geen antwoord kunnen geven op de vraag naar het verband tussen de vastgestelde psychopathologie en de ten laste gelegde feiten (indien bewezen) en de kans op herhaling van soortgelijke feiten, is het vanuit forensisch gedragskundig oogpunt niet mogelijk een interventieadvies te formuleren teneinde dit (mogelijke) risico te beperken."
Nu uit de stukken niet ondubbelzinnig blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de betrokkene wederom een misdrijf zal begaan waarvoor de rechter een gvm-maatregel kan opleggen, of dat de tenuitvoerlegging van de gvm-maatregel noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen, moet de vordering worden afgewezen.
Medische verklaring; overweging ten overvloede
Omdat de rapporteurs van het Pieter Baan Centrum geen verband konden vaststellen tussen de vastgestelde psychopathologie en de indexdelicten en het recidiverisico hebben zij in hun rapport van 5 juni 2023 ook geen interventieadvies geformuleerd.
In de onderhavige zaak kwam de vraag aan de orde wat – indien aan het criterium voor tenuitvoerlegging van de gvm-maatregel wel zou zijn voldaan, en er een noodzaak is voor behandeling – kan worden aangemerkt als een medische verklaring.
Artikel 6:6:23a, derde lid, Sv schrijft voor dat bij de vordering een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies van een reclasseringsinstelling wordt overlegd, en – indien de gevorderde voorwaarde betrekking heeft op behandeling of opname in een zorginstelling – tevens
een medische verklaringwordt overgelegd waaruit de noodzaak van behandeling of opname blijkt.
Naar het oordeel van het hof is een medische verklaring, een verklaring van een arts, zoals bijvoorbeeld een psychiater, waarin wordt ingegaan op de noodzaak van behandeling of opname in een zorginstelling. Dit kan ook een verklaring van een arts uit een reeds betrokken kliniek zijn.
Uit de bewoordingen van artikel 6:6:23a, derde lid, Sv, leidt het hof bovendien af dat de medische verklaring recent dient te zijn.
Uit de Memorie van Toelichting bij de betreffende bepaling (Kamerstukken II, 2013/14, 33816, nr. 3, p. 30) leidt het hof verder af dat een medische verklaring ook voorgeschreven is ingeval van een ambulante behandeling:
“In de gevallen waarin wordt geconstateerd dat de delinquent gebaat zou zijn bij een behandeling, kan de rechter bepalen dat de betrokkene ambulant wordt behandeld, of, indien noodzakelijk, opname in een zorginstelling opleggen. Voorwaarde voor het verbinden van een van deze twee voorwaarden aan de zelfstandige maatregel is dat de noodzaak van behandeling of opname blijkt uit een medische verklaring.”
Ter zitting is door de advocaat-generaal het standpunt ingenomen dat het reclasseringsrapport van 20 maart 2025 en de pro Justitia-rapportage van het Pieter Baan Centrum van 5 juni 2023 als een medische verklaring kunnen worden aangemerkt. Door de raadsvrouw is het standpunt ingenomen dat deze rapportages niet als een medische verklaring kunnen worden aangemerkt.
Het hof heeft geconstateerd dat het reclasseringsrapport niet (mede) is opgesteld en ondertekend door een psychiater en daarom niet kan worden aangemerkt als een medische verklaring. De pro Justitia-rapportage is wel mede opgesteld en ondertekend door een psychiater en kan in beginsel worden aangemerkt als een medische verklaring. De pro Justitia-rapportage dateert echter van 5 juni 2023, en bevat derhalve geen recente informatie over de betrokkene. Om deze reden kan ook de pro Justitia-rapportage niet gelden als medische verklaring als bedoeld in artikel 6:6:23a, derde lid, Sv.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigtde beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 15 april 2025 met betrekking tot de betrokkene
[betrokkene].
Wijst afde vordering van het openbaar ministerie.
Aldus gedaan door
mr. A.B.A.P.M. Ficq, voorzitter,
mr. M. Keppels en mr. O.O. van der Lee, raadsheren,
en drs. J.L.M. Dinjens en drs. B. van Giessen, raden,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.C. van den Berg-Veltman, griffier,
en op 12 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.