In de eerste plaats is er sprake van een bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] doordat zij in de tijd dat zij nog bij haar moeder woonde getuige is geweest van huiselijk geweld tussen haar moeder en de partner van haar moeder. Daarnaast gebruikte haar moeder drugs en maakte zij op andere volwassenen een verwarde indruk. De situatie voor [minderjarige] bij de moeder thuis was dan ook onveilig en onvoorspelbaar voor haar. [minderjarige] woont sinds de uithuisplaatsing in december 2022 niet meer met haar moeder samen en heeft haar moeder sindsdien onregelmatig gezien. Gedurende die periode heeft de moeder in strijd met een contactverbod geprobeerd [minderjarige] mee te nemen. [minderjarige] laat ongeremd gedrag zien, is soms moeilijk stuurbaar en heeft concentratieproblemen. Er is volgens de Raad een verhoogde kans dat dit samenhangt met moeilijkheden op het gebied van trauma en hechting, die een gevolg zijn van wat [minderjarige] heeft meegemaakt. Er worden op school en door oma zorgen gezien op zowel sociaal als cognitief vlak. [minderjarige] kan ongeremd zijn in het contact met volwassenen en anderen kinderen, is moeilijk aan te sturen en te begrenzen en heeft moeite om zich te concentreren en zich op een taak te richten. Hierdoor lukt het haar niet voldoende om tot leren te komen. Het is voorstelbaar dat dit gedrag van [minderjarige] niet los staat van de (gehechtheids)ervaringen die zij in haar jonge leven heeft opgedaan. Zij heeft meerdere ervaringen gehad waarin haar moeder als belangrijke (gehechtheids)relatie niet alleen een bron van bescherming maar ook een bron van angst en dreiging kon zijn. Toen [minderjarige] bij oma kwam wonen betekende dit een gehechtheidsbreuk en ook daarna zijn er in het contact met moeder bedreigende dingen gebeurd voor [minderjarige] . Het is goed mogelijk dat [minderjarige] door deze ervaringen meer alert is geraakt op haar omgeving (dreigt er misschien gevaar) en dat het voor haar moeilijker is om vanuit ontspanning tot (sociaal) leren te komen.
Daarnaast lukt het de moeder niet om de verantwoordelijkheden te nemen die horen bij het ouderschap. Bij de moeder is sprake van langdurige problematiek, waarvan de moeder zelf zegt dat er sprake is van trauma. Uit het rapport van de Raad blijkt dat sprake is van (het vermoeden van) drugsgebruik en psychische problematiek. Verder heeft de moeder verschillende gewelddadige relaties gehad. Zij is in 2023 haar huis uitgezet. De GI heeft in
de eerste helft van 2023 Video-interactiebegeleiding - Gehechtheid van De Rading aan de
moeder aangeboden. Maar het lukte te moeder niet om dit traject goed te volgen en af te
maken. Daarom is dat traject beëindigd. Vanaf maart 2024 is de moeder meermalen
gedetineerd geraakt. Een perspectiefonderzoek van [naam] kwam niet van de grond omdat
daarvoor als voorwaarde gold dat de moeder op vrije voeten was en een eigen woonruimte
had. Het is haar verder na een detentieperiode niet gelukt om gebruik te maken van het
aanbod van een plek in een beschermd-wonen-omgeving. Videobellen met [minderjarige] — wanneer de moeder niet gedetineerd was - lukte niet goed omdat de moeder de afspraken wisselend
nakwam. De moeder is kortom sinds december 2022 onvoldoende in staat (gebleken) voor
zichzelf, en daarmee ook voor [minderjarige] , een stabiel leefklimaat te creëren. Zij heeft haar leven
niet zo kunnen opbouwen dat ruimte ontstond om weer meer zorg te dragen voor [minderjarige] . Wel
is de moeder tijdens detentieperioden volgens de pleegmoeder en de GI beter aanspreekbaar
dan als zij op vrije voeten is.
De rechtbank verwacht niet dat de moeder binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare
termijn in staat is op een goede manier invulling te geven aan haar gezag, en dat zij niet de
verantwoordelijkheid kan dragen die het hebben van gezag met zich meebrengt. De
‘aanvaardbare termijn’ is de periode waarbinnen voor [minderjarige] duidelijk moet zijn waar zij zal
opgroeien. Er is geen zicht op verbetering van de situatie op korte termijn. De moeder is nu
gedetineerd in een Penitentiaire Inrichting op grond van de ISD-maatregel. De moeder heeft
op de zitting verklaard dat zij traumaverwerking heeft aangevraagd en denkt op korte termijn een eerste intakegesprek te hebben. Het gaat om een klinische behandeling van drie dagen. Daarna hoopt ze snel buiten de Penitentiaire Inrichting te kunnen gaan wonen. Zij staat open voor (verdere) hulpverlening. De rechtbank verwacht niet dat de moeder binnen een tijdsbestek van een aantal maanden en dus binnen de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] in staat is het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Dit omdat de problematiek van de moeder al lang
bestaat en er sprake is van een combinatie van drugsproblematiek en psychische
problematiek. Het gaat niet alleen om traumaverwerking, maar ook om het tot stand brengen
van praktische zaken, zoals huisvesting en werk. De rechtbank verwacht dat het traject dat de moeder zal moeten doorlopen om niet alleen zelf stabiel te zijn, maar ook een stabiele
woonsituatie te creëren, veel meer tijd in beslag zal nemen. Dat is voor [minderjarige] te lang. Zij
woont al meer dan de helft van haar leven niet meer bij haar moeder. Het is voor haar
noodzakelijk dat duidelijk wordt bij wie ze zal opgroeien.