ECLI:NL:GHARL:2026:904

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.359.433
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en toewijzing gezag aan vader in belang van minderjarige

De moeder en vader oefenden gezamenlijk gezag uit over hun in 2019 geboren kind. Sinds juni 2023 staat de minderjarige onder toezicht van een gecertificeerde instelling en verblijft bij de vader, terwijl de moeder beperkt contact heeft onder begeleiding.

De rechtbank had het gezamenlijk gezag beëindigd en het gezag aan de vader toegekend, met directe uitvoerbaarheid. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht het gezamenlijk gezag te herstellen. De vader en de raad voor de kinderbescherming steunden het besluit van de rechtbank.

Het hof oordeelde dat de moeder onvoldoende in staat is om haar gezagsverantwoordelijkheden adequaat te vervullen, mede door slechte bereikbaarheid en het ontbreken van verbetering ondanks begeleiding. De vader draagt de dagelijkse zorg en het is in het belang van het kind dat hij snel en zelfstandig beslissingen kan nemen. Het hof bevestigde daarom de beschikking van de rechtbank, waarmee het gezag aan de vader wordt toegekend en het gezamenlijk gezag wordt beëindigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de beëindiging van het gezamenlijk gezag en kent het gezag toe aan de vader in het belang van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.433
(zaaknummer rechtbank Gelderland 435925)
beschikking van 17 februari 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. D.A.J. Spierings
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. C.E. Mulder.
Als informant is aangemerkt:
De gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verder te noemen: de GI.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 25 juni 2025, uitgesproken onder zaaknummer 435925. Het hof zal deze beschikking verder ook noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 18 september 2025;
- het verweerschrift met producties;
- een journaalbericht van mr. Spierings van 12 januari 2026 met producties;
- een journaalbericht van mr. Spierings van 14 januari 2026 met productie;
- een journaalbericht van mr. Spierings van 19 januari 2026 met productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 20 januari 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige] , die geboren is [in] 2019 te [geboorteplaats] . Tot aan de bestreden beschikking hadden de ouders samen het gezag over [minderjarige] .
3.2
[minderjarige] staat sinds 28 juni 2023 onder toezicht van de GI.
3.3
[minderjarige] verblijft sinds 3 juli 2023 bij de vader. Zij ziet de moeder anderhalf uur in de week onder begeleiding van Curess.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is het gezamenlijk gezag van de vader en de moeder beëindigd en is bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen wordt uitgeoefend door de vader. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat deze beslissing direct kan worden uitgevoerd (ook als één van de ouders daarvan in hoger beroep gaat).
4.2
De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de vader en de moeder gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen.
4.3
De vader voert verweer en hij vraagt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

5.De motivering van de beslissing

Wat in de wet staat
5.1
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek staat dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Standpunten
5.2.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Volgens de moeder is er geen onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders en is het ook niet in het belang van [minderjarige] dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd. Volgens de moeder blijkt nergens uit dat niet te verwachten is dat de situatie binnen een aanvaardbare termijn voldoende verbetert. Verbetering is volgens de moeder ook niet nodig, want zij is al goed bereikbaar en reageert adequaat op de berichten van de vader. De moeder ziet [minderjarige] wekelijks en zij kan goed aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. Beëindiging van het gezag van de moeder is volgens haar dan ook een te ingrijpende maatregel.
5.3.
De vader vindt het in het belang van [minderjarige] dat hij alleen het gezag over haar uitoefent. Volgens de vader is de moeder slecht bereikbaar, reageert zij niet adequaat op zijn berichten en is zij afhankelijk van haar begeleiding. De moeder heeft volgens de vader niet laten zien dat zij hier verandering in kan brengen. De situatie van de moeder is na de bestreden beschikking alleen maar verslechterd. De moeder heeft het evaluatiegesprek met Curess al diverse keren afgezegd en de hulpverlening voor de moeder is helemaal gestopt. De vader stelt dat de situatie veel stress bij hem veroorzaakt, dit is volgens de vader niet goed voor [minderjarige] .
5.4.
De raad heeft het hof geadviseerd om de bestreden beschikking te bevestigen. Volgens de raad is sprake van een langdurig patroon waarin het de moeder niet voldoende lukt om aan te sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. De moeder wil graag betrokken zijn bij het leven van [minderjarige] en zich daarvoor inzetten, maar zij is snel overvraagd waardoor dit haar niet lukt. Deze situatie veroorzaakt veel stress en spanning bij de vader. De raad vindt het in het belang van [minderjarige] dat de vader voortvarend beslissingen over haar kan nemen.
Hoe oordeelt het hof?
5.5.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat alleen de vader het gezag over [minderjarige] moet hebben. Het hof legt hierna uit waarom.
5.6.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat [minderjarige] al geruime tijd bij de vader woont en hij de volledige opvoeding en verzorging van [minderjarige] draagt. Daar past volgens de rechtbank bij dat hij snel moet kunnen handelen en praktische zaken moet kunnen regelen. Maar de moeder is slecht bereikbaar of reageert laat op berichten van de vader. Zij geeft ook niet altijd toestemming voor gezagsbeslissingen en het lukt haar niet om actief haar verantwoordelijkheden te nemen die horen bij het zijn van een ouder met gezag.
Tussen [minderjarige] en de moeder is sprake van een regelmatige maar beperkte vorm van omgang. De moeder maakt [minderjarige] onvoldoende mee in de dagelijkse verzorging en ontwikkeling om gezagsbeslissingen voldoende te kunnen wegen. De rechtbank heeft – gezien alle begeleiding die de moeder al heeft gehad – niet de verwachting dat er op een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn voldoende verandering komt in de situatie. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat de vader alleen het gezag over haar heeft. Dit zal volgens de rechtbank voor rust en duidelijkheid zorgen.
5.7.
Tijdens de zitting bij het hof is gebleken dat er sinds de bestreden beschikking geen verandering (in positieve zin) heeft plaatsgevonden in de door de rechtbank omschreven situatie. Zo is de ambulante begeleiding van de moeder (tijdelijk) gestopt, is er nog geen duidelijkheid over de huisvesting van de moeder en is er nog steeds sprake van een beperkt contact tussen de moeder en [minderjarige] . Daardoor is het voor de moeder lastig om in te schatten wat [minderjarige] nodig heeft. Door overvraging lukt het de moeder bovendien niet om actief een rol als gezaghebbende ouder en de daarbij horende verantwoordelijkheden in te vullen.
Ook de vader is kwetsbaar omdat hij alleen de dagelijkse zorg voor [minderjarige] draagt en veel spanning en onrust ervaart door de situatie met de moeder. Het is van groot belang dat de vader fysiek en emotioneel beschikbaar blijft voor [minderjarige] omdat hij de hoofdopvoeder van [minderjarige] is. Wanneer de vader alleen de beslissingen over [minderjarige] kan nemen ontstaat rust in de opvoedingssituatie van [minderjarige] bij de vader. Daarbij komt dat toewijzing van het verzoek van de vader dat hij alleen het gezag heeft, een verdere strijd tussen de ouders over beslissingen ten aanzien van [minderjarige] voorkomt (of tenminste beperkt). Het hof vindt het voor [minderjarige] belangrijk dat nu rust en duidelijkheid ontstaan en dat de ouders hun energie gebruiken voor het positief vormgeven van de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder. Het hof zal de bestreden beschikking bevestigen (bekrachtigen).

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 25 juni 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, J.H. Lieber en R. Krijger, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op 17 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.