ECLI:NL:GHARL:2026:937

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
21-003660-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 11a OpiumwetArt. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit lachgas en voorbereidingshandelingen hennepkwekerij

Verdachte werd in hoger beroep geconfronteerd met ten laste gelegde feiten van het aanwezig hebben van een hoeveelheid lachgas en het voorhanden hebben van diverse voorwerpen bestemd voor een hennepkwekerij. De politierechter had verdachte eerder veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een taakstraf van 200 uur.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter vanwege een andere bewijswaardering. Hoewel de exacte hoeveelheid lachgas niet kon worden vastgesteld, achtte het hof op basis van een steekproef en verklaringen van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat hij een aanzienlijke hoeveelheid lachgas in zijn loods had. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte voorwerpen bezat die bestemd waren voor het plegen van strafbare feiten volgens de Opiumwet.

Het hof hield rekening met de aard en ernst van de feiten, het strafblad en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder psychische problematiek. Gelet hierop legde het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 80 uur op, te vervangen door 40 dagen hechtenis.

Het hof sprak verdachte vrij van onderdelen van de tenlastelegging die niet bewezen konden worden verklaard en nam geen beslissing over het beslag omdat verdachte afstand had gedaan van de inbeslaggenomen goederen.

De straf is gebaseerd op de Opiumwet en relevante artikelen uit het Wetboek van Strafrecht, en het arrest werd uitgesproken op 17 februari 2026 door het hof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een taakstraf van 80 uur wegens bezit van lachgas en voorbereidingshandelingen voor een hennepkwekerij.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003660-25
Uitspraakdatum: 17 februari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen , van 13 maart 2025 met parketnummer 18-024496-25 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfsplaats hier te lande,
ingeschreven aan de [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 3 februari 2026 is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
  • oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan als bijzondere voorwaarde verbonden een meldplicht bij de reclassering;
  • oplegging van een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.J.H. Lina, hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 13 maart 2025, waartegen het beroep is gericht, verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
De politierechter heeft een beslissing genomen over de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, goederen. Op de zitting van het hof heeft verdachte afstand gedaan van alle inbeslaggenomen goederen. Het hof zal daarom geen beslissing nemen over het beslag.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 2 november 2024 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad 756,78 kilogram, althans een hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II
2.
hij op of omstreeks 2 november 2024 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten
- meerdere bloempotten,
- een verpakkingen wortelgroeistimulans,
- een verpakking top hardener,
- een verpakking enzymen,
- een verpakking bloeistimulator,
- twee verpakkingen basisvoeding,
- een verpakking eco protector,
- een verpakking all flower,
- een verpakking soil upgrade,
- een verpakking bloei pro,
- twee afdekzeilen, drie filters,
- een tuinslang,
- een elektrakabel,
- een hogedrukspuit,
- zeven ventilatoren,
- drie weegschalen,
- twee meterkasten,
- meerdere transformatoren,
- een kweektent,
- meerdere lampen,
- meerdere armaturen verlichting,
- meerdere stalen buizen,
- meerdere plastic koppelstukken,
- meerdere aluminium ventilatieslangen,
- drie waterzeilen, twee dompelpompen,
- een verlengsnoer,
- een drainage slang,
- en/of vier ventilatieboxen,
waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 1 stelt de advocaat-generaal dat een hoeveelheid lachgas van 250,56 kilogram kan worden bewezenverklaard.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, nu niet uit het dossier blijkt dat de inhoud van de aangetroffen tanks daadwerkelijk lachgas betreft. Bovendien kan de precieze hoeveelheid lachgas niet worden vastgesteld.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde dient te worden veroordeeld op grond van de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Ten aanzien van feit 1 overweegt het hof in het bijzonder als volgt. Het hof ziet geen reden om te betwijfelen dat de inhoud van de gevonden tanks lachgas betreft. Verdachte heeft zowel bij de politie als op de zitting van het hof verklaard te hebben gehandeld in lachgas en nog volle lachgastanks in zijn loods te hebben gehad.
Het hof overweegt verder dat de exacte hoeveelheid lachgas niet is vast te stellen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de loods van verdachte 116 lachgastanks zijn aangetroffen met een gele dop. Niet is vast te stellen dat al deze tanks helemaal vol met lachgas zijn. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, leidt dit er niet toe dat verdachte moet worden vrijgesproken. Uit een steekproef van 10 uit voormelde 116 lachgastanks komt naar voren dat deze tenminste 20 kilogram lachgas bevatten. Het hof gaat er vanwege deze steekproef vanuit dat in totaal een veelvoud van 20 kilogram lachgas in de 116 tanks zit. Het hof acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk ‘een hoeveelheid lachgas’ aanwezig heeft gehad.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op 2 november 2024 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft een hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
2.
hij op 2 november 2024 te [plaats] voorwerpen voorhanden heeft gehad, te weten
- meerdere bloempotten,
- een verpakkingen wortelgroeistimulans,
- een verpakking top hardener,
- een verpakking enzymen,
- een verpakking bloeistimulator,
- twee verpakkingen basisvoeding,
- een verpakking eco protector,
- een verpakking all flower,
- een verpakking soil upgrade,
- een verpakking bloei pro,
- twee afdekzeilen, drie filters,
- een tuinslang,
- een elektrakabel,
- een hogedrukspuit,
- zeven ventilatoren,
- drie weegschalen,
- twee meterkasten,
- meerdere transformatoren,
- een kweektent,
- meerdere lampen,
- meerdere armaturen verlichting,
- meerdere stalen buizen,
- meerdere plastic koppelstukken,
- meerdere aluminium ventilatieslangen,
- drie waterzeilen, twee dompelpompen,
- een verlengsnoer,
- een drainage slang,
- en vier ventilatieboxen,
waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een forse hoeveelheid lachgas en het voorhanden hebben van voorwerpen waarvan hij wist dat deze bestemd waren voor een hennepkwekerij. Het is een feit van algemene bekendheid dat softdrugs een gevaar opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van dergelijke verdovende middelen vaak gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit waarvan anderen overlast ervaren en waardoor de samenleving schade wordt toegebracht. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van deze problematiek.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 29 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte, op een enkele overtreding na, niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij het moeilijk vindt zijn leven op te bouwen. Hij heeft vanwege psychische problematiek moeite met het vinden en uitvoeren van werk. Verdachte zoekt al langere tijd psychische hulp, maar wordt geconfronteerd met lange wachttijden en problemen met de verzekering.
Het hof neemt als uitgangspunt voor de straf de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs van het Openbaar Ministerie. Voor het aanwezig hebben van meer dan 40 kilogram lachgas is het uitgangspunt een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand en een taakstraf van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis. Het hof ziet, vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte, aanleiding om een hogere voorwaardelijke gevangenisstraf en een lagere onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen.
Alles afwegende acht het hof het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, en een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, passend en geboden.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 3, 11 en 11a van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. A.F. van Kooij, mr. G.A. Versteeg en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 februari 2026.