ECLI:NL:GHARN:1998:AA1222
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt aftrek studiekosten kunstzinnige therapie als beroepsopleiding
In deze zaak stond centraal of de studiekosten van de echtgenote van belanghebbende voor een opleiding kunstzinnige therapie in 1995 konden worden aangemerkt als aftrekbare beroepskosten volgens artikel 46, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
De echtgenote was in 1988 geconfronteerd met kanker en had ontslag genomen uit haar oude baan. In 1995 begon zij een 4,5 jaar durende opleiding aan de Stichting *A te *Q, die zij na het eerste jaar staakte. Belanghebbende stelde dat de opleiding werd gevolgd met het oog op een nieuwe beroepsuitoefening en dat er een reële verwachting was dat de verworven kennis economisch productief zou zijn.
Het hof oordeelde dat belanghebbende aannemelijk had gemaakt dat aan de criteria uit het arrest van de Hoge Raad van 24 september 1997 was voldaan, namelijk dat de studie werd ondernomen ter verbetering van de maatschappelijke positie en dat de kennis economisch productief gemaakt kon worden. De omstandigheid dat de opleiding werd gestaakt deed hieraan niet af, omdat de beoordeling plaatsvindt op het moment van het doen van de uitgaven.
De inspecteur had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de studie om louter persoonlijke redenen werd gevolgd. Het beroep van belanghebbende werd daarom gegrond verklaard, de aanslag verminderd en de proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag vanwege aftrek van studiekosten voor de kunstzinnige therapieopleiding.