ECLI:NL:GHARN:1998:AA1236

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
24 september 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98/0015
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Legesverordening 1993Besluit proceskosten fiscale proceduresArtikel 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering legesheffing bouwvergunning wegens onjuiste belastingplichtige

Belanghebbende kocht een bouwkavel van de gemeente Arnhem, die op grond van de koopovereenkomst verplicht was schone grond te leveren. De gemeente liet een bodemonderzoek uitvoeren, waarvan het rapport pas bij de overdracht van de kavel aan belanghebbende beschikbaar kwam, na de legesheffing.

De gemeente bracht belanghebbende leges in rekening voor de bouwvergunningaanvraag, inclusief een bedrag voor het beoordelen van het bodemrapport. Belanghebbende had echter zelf geen aanvraag gedaan voor deze beoordeling; de gemeente had het rapport op eigen initiatief overgelegd.

Het hof oordeelt dat belanghebbende ten onrechte als belastingplichtige is aangemerkt voor deze dienst, omdat deze niet ten behoeve van hem is verleend. De legesverordening van 1993 was van toepassing, niet die van 1995.

Het hof vernietigt de uitspraak van het hoofd gemeentelijke belastingen, vermindert het gevorderde bedrag van de factuur van 21 maart 1995 van ƒ 1.802 tot ƒ 1.267 en gelast vergoeding van het betaalde griffierecht.

Uitkomst: Het gerechtshof vermindert de legesheffing en vernietigt de eerdere uitspraak wegens onjuiste belastingplichtige.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
zevende enkelvoudige belastingkamer
nr. 98/0015
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : X
te : Z
ambtenaar : hoofd afdeling gemeentelijke belastingen van Arnhem (hierna: het hoofd)
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift tegen gevorderd bedrag
soort belasting : leges bouwaanvraag
dagtekening kennisgeving : 10 maart 1995
mondelinge behandeling : op 10 september 1998 te Arnhem door mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier
waarbij verschenen : belanghebbende alsmede de woordvoerders van het hoofd
gronden:
1. De ambtenaar voert op goede gronden aan dat belanghebbende in diens bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
2. Voorts voert de ambtenaar terecht aan dat de onderhavige heffing niet kan steunen op de Legesverordening 1995, nu deze eerst na de heffing is goedgekeurd en bekendgemaakt. Ten tijde van de voormelde kennisgevingen was de Legesverordening 1993 van kracht.
3. Belanghebbende heeft van de gemeente Arnhem een bouwkavel gekocht.
4. De gemeente heeft op grond van de koopovereenkomst de verplichting schone grond te leveren.
5. Met het oog op haar onder 4 bedoelde verplichting heeft de gemeente een onderzoek ingesteld naar de bodemkwaliteit van de kavel. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport dat pas bij de overdracht van de kavel aan belanghebbende ter beschikking is gesteld en pas toen bij hem bekend is geworden. De grondoverdracht vond plaats na de legesheffing.
6. Aan belanghebbende is bij facturen van 10 februari 1995 (nummer 1) en 21 maart 1995 (nummer 2) met gemeenschappelijk kenmerk BT.01 in totaal ƒ 3 215 aan leges in rekening gebracht.
7. Bij de uitspraak waarvan beroep, waarbij belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, heeft het hoofd ambtshalve een vermindering verleend van ƒ 535, zodat aan leges resteert ƒ (3 215 – 535 =) 2 680.
8. Op basis van de Legesverordening 1993 en de daarbij behorende tarieventabel zou volgens het hoofd ƒ 3 199 aan leges moeten worden geheven, waarin begrepen een bedrag van ƒ 1 054 voor ‘een aanvraag tot het beoordelen van de resultaten van een onderzoeksrapport inzake de gesteldheid van de bodem, als bedoeld in de bouwverordening’ (onderdeel 7.4.2.1 van de tarieventabel zoals deze is gewijzigd bij raadsbesluit van 6 december 1993, nr. 93.017988, goedgekeurd door gedeputeerde staten van Gelderland op 3 februari 1994 onder nummer WE93.87864/BV322).
9. Belanghebbende bestrijdt de juistheid van de heffing van een bedrag voor een aanvraag als bedoeld onder 8 onder meer omdat – naar het hof begrijpt – dat in strijd is met de onder 4 bedoelde overeenkomst.
10. Belanghebbende heeft zelf geen aanvraag als bedoeld onder 8 gedaan. De gemeente heeft zelf het rapport overgelegd bij de behandeling van belanghebbendes bouwvergunningaanvraag. De gemeente is op eigen initiatief overgegaan tot het laten opmaken van het rapport en had daartoe geen opdracht van belanghebbende gekregen.
11. Onder de zo-even beschreven omstandigheden kan belanghebbende niet worden aangemerkt als degene te wiens behoeve de dienst als bedoeld onder 8 is verleend. Hierbij is niet van belang of voordat tot verlening van een bouwvergunning kan worden overgegaan de resultaten van een onderzoek naar de bodemgesteldheid dienen te worden beoordeeld op grond van bepalingen in de Woningwet en de gemeentelijke bouwverordening.
12. Belanghebbende is dus ten onrechte aangemerkt als de belastingplichtige in de zin van artikel 2 van Pro de Legesverordening 1993.
13. Het beroep is gegrond. Voor dit geval zijn partijen het erover eens dat de factuur met nummer 2 en datum 21-03-95 ten bedrage van ƒ 1 802 moet worden verminderd tot ƒ 1 267.
proceskosten:
In beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten fiscale procedures kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
beslissing:
Het gerechtshof:
– vernietigt de uitspraak van het hoofd;
– vermindert het in de factuur van 21 maart 1995 gevorderde bedrag tot ƒ 1 267;
– gelast het hoofd aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van ƒ 80,– te vergoeden.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken te Arnhem op 24 september 1998 door mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheer, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van de voormelde kamer,
(W.J.N.M. Snoijink) (F.J.P.M. Haas)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 oktober 1998