ECLI:NL:GHARN:1998:AA1292
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- N.E. Haas
- Matthijssen
- F.J.P.M. Haas
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verliesverrekening leningkwijtschelding dochteronderneming
Belanghebbende, een meubelproducent, richtte in 1992 een dochteronderneming op in Zuid-Amerika om daar een afzetmarkt te ontwikkelen. De dochter had een lening bij een bank, die belanghebbende in 1993 overnam. Vanwege negatieve resultaten en wettelijke vereisten in Argentinië werd een deel van de lening in twee gedeelten onder voorwaarden kwijtgescholden. Belanghebbende nam deze kwijtschelding als verliespost op in haar belastingaangifte over 1990.
De inspecteur accepteerde deze verliespost niet, stellende dat de kwijtschelding niet onherroepelijk was en de dochteronderneming het bedrag niet als winst had opgenomen. Belanghebbende voerde aan dat het om een commerciële voorziening ging en dat de kwijtschelding als informele kapitaalstorting moest worden gezien.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 13b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 het prijsgegeven bedrag bij de moedermaatschappij tot de winst moet worden gerekend, omdat de kwijtschelding niet onherroepelijk was en geen belastbare winst bij de dochter had geleid. Het subsidiaire standpunt van belanghebbende faalde eveneens. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de inspecteur bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt bevestigd.