ECLI:NL:GHARN:1998:AA1292

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
20 mei 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
97/00511
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verliesverrekening leningkwijtschelding dochteronderneming

Belanghebbende, een meubelproducent, richtte in 1992 een dochteronderneming op in Zuid-Amerika om daar een afzetmarkt te ontwikkelen. De dochter had een lening bij een bank, die belanghebbende in 1993 overnam. Vanwege negatieve resultaten en wettelijke vereisten in Argentinië werd een deel van de lening in twee gedeelten onder voorwaarden kwijtgescholden. Belanghebbende nam deze kwijtschelding als verliespost op in haar belastingaangifte over 1990.

De inspecteur accepteerde deze verliespost niet, stellende dat de kwijtschelding niet onherroepelijk was en de dochteronderneming het bedrag niet als winst had opgenomen. Belanghebbende voerde aan dat het om een commerciële voorziening ging en dat de kwijtschelding als informele kapitaalstorting moest worden gezien.

Het hof oordeelde dat op grond van artikel 13b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 het prijsgegeven bedrag bij de moedermaatschappij tot de winst moet worden gerekend, omdat de kwijtschelding niet onherroepelijk was en geen belastbare winst bij de dochter had geleid. Het subsidiaire standpunt van belanghebbende faalde eveneens. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de inspecteur bevestigd.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt bevestigd.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
eerste meervoudige belastingkamer
nummer 97/00511
U i t s p r a a k
op het beroep van *X B.V. te *Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen *P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan haar afgegeven beschikking terugwenteling van verlies, aanslagnummer * en gedagtekend 31 december 1996.
1. Beschikking en bezwaar
1.1. De beschikking vermeldt een belastbaar bedrag (na verliesverrekening) voor 1990 van ƒ 3.959.917,--.
1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak van 20 maart 1997 de beschikking gehandhaafd.
2. Geding voor het hof
2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 14 april 1997 en aangevuld op 27 mei 1997.
2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen.
2.3. Bij de mondelinge behandeling op 17 maart 1998 te Arnhem zijn gehoord * gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur *.
3. Conclusies van partijen
3.1. Belanghebbende verzoekt vernietiging van de uitspraak en vermindering van het in de onderhavige beschikking voor 1990 vastgestelde belastbare bedrag primair tot ƒ 2.763.917,–, en subsidiair tot ƒ 3.893.701,–.
3.2. De inspecteur concludeert primair tot bevestiging van zijn uitspraak, en subsidiair tot vermindering van het belastbare bedrag tot ƒ 3.769.917,–.
4. De vaststaande feiten
4.1. Belanghebbende maakt deel uit van een groep welke *a-meubelen vervaardigt en verkoopt. Belanghebbende is hier te lande gevestigd. Ten einde in Zuid–Amerika een afzetmarkt te verkrijgen, heeft belanghebbende in de loop van 1992 *X-a SA (hierna: X-a) opgericht. Belanghebbende bezit alle aandelen ervan. Dit aandelenkapitaal beloopt $ 12.000.
4.2. In maart 1993 heeft de * bank, kantoor *Q aan *X-a een lening verstrekt van $ 2.550.000. Per 31 juli 1993 beliep deze lening $ 2.528.640.
Belanghebbende heeft deze lening per 4 oktober 1993 voor de nominale waarde overgenomen. Per 31 juli 1994 was de lening opgelopen tot $ 2.890.000. Ter zake van deze lening wordt 6% rente in rekening gebracht.
4.3. In de loop van 1994 is *X-a begonnen met eigen productie voor de Zuidamerikaanse markt.
Tot dan toe fungeerde *X-a als een verkoopkantoor voor hier te lande gefabriceerde meubels. De desbetreffende leveringen werden aan *X-a gefactureerd. Aan het einde van haar eerste boekjaar (31 juli 1993) had *X-a ter zake een schuld aan belanghebbende van ƒ 1.196.000,–.
4.4. De resultaten van *X-a waren over het eerste boekjaar negatief. Omdat *X-a anders, op grond van in Argentinië geldende wetgeving, door haar negatieve vermogen per ultimo van het boekjaar zou moeten worden ontbonden, heeft belanghebbende *X-a de desbetreffende schuld in twee gedeelten tot een totaalbedrag van ƒ 1.195.522,– onder voorwaarden kwijtgescholden bij twee gelijkluidende brieven van 30 juli 1993.
De desbetreffende brief luidt als volgt:
„Novation of debts,
Dears Sirs,
In view of the financial and economic situation that *X-a SA is going through, our Company hereby offers, effective July 31, 1993, to novate the commitments due to it by *X-a SA in respect of the invoices specified in the Attachment hereto, whereby *X-a SA undertakes commitments for a similar amount and currency, subject to the following suspensive condition.
Suspensive Condition: „All or any portion of these novated commitments in part or jointly will arise immediately at such time or times, or at such occasion when in acoordance with accounting standards prevailing in the Argentine Republic, the fact of the Company incurring such a liability would not expose it to having to be dissolved or having to reduce its capital under the terms of the Company Law (articles 94 and 206 of Law 19550)”.
Accordingly, the aforementioned novated commitments of *X-a SA towards our Company will be without encumbrances and without any condition regarding a notification requirement whatever on our part, and thus payable immediately as and when the aforementioned suspensive condition is fulfilled.
It is hereby expressly understood that the acceptance of this offer by *X-a SA entails the novation of the aforementioned commitments, without taking into account in any way the full or partial fulfilment of the suspensive condition described above.
Yours truly,
*X B.V.”
4.5. Op dezelfde wijze en om dezelfde reden heeft belanghebbende per 31 juli 1994 een soortgelijke schuld van *X-a ten belope van ƒ 1.545.613,– kwijtgescholden.
4.6. *X-a heeft het bedrag van de prijsgegeven vorderingen niet in haar resultatenrekening opgenomen.
4.7. Belanghebbende heeft in haar aangifte over het onderhavige jaar een verliespost opgenomen, ten belope van ƒ 1.196.000,– in verband met voormelde kwijtschelding. De inspecteur heeft deze verliespost niet als zodanig aanvaard.
5. Het geschil en de standpunten van partijen
5.1. Partijen houdt verdeeld, of de inspecteur terecht de door belanghebbende opgevoerde voorziening met betrekking tot de vorderingen op haar dochter *X-a niet heeft aanvaard, zoals de inspecteur verdedigt, primair voor het gehele bedrag en subsidiair voor een gedeelte ten belope van ƒ 1.006.000,–, en belanghebbende bestrijdt.
5.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.
5.3. Daaraan is mondeling, naast de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd – zakelijk weergegeven –
5.3.1. namens belanghebbende:
5.3.1.1. In verband met het verschil in renteniveau tussen Europa en Zuid-Amerika liep de aan *X-a verstrekte lening via Europa. De lening was bedoeld om het opgelopen leverancierskrediet te verlagen, niet als kapitaal van de vennootschap.
5.3.1.2. Tot en met 1994 heeft belanghebbende voor circa ƒ 7.000.000,– aan goederen aan *X-a geleverd.
5.3.1.3. De leveringen dienden ook in belangrijke mate een commercieel belang van belanghebbende zelf: productie in de seizoenen dat belanghebbendes eigen verkoop minder is.
5.3.1.4. Achteraf bezien zijn de prognoses voor *X-a te optimistisch geweest; ze waren echter wel reden om door te gaan met de opbouw van de markt in Zuid-Amerika.
5.3.1.5. Zij wijst erop dat *X-a ook betalingen heeft verricht. De afboekingen vallen ongeveer weg tegen belanghebbendes winstmarge op de desbetreffende leveringen en de vaste machinekosten.
5.3.1.6. Indien de leveringen door *X-a aan de dochter in Brazilië buiten beschouwing gelaten worden, draait *X-a thans bevredigend.
5.3.1.7. Belanghebbende heeft een gewone prijs aan *X-a in rekening gebracht; wel hebben de leveringen onder bijzondere voorwaarden plaatsgevonden.
5.3.1.8. In 1993 is aan *X-a voor ? 3 miljoen geleverd, in 1994 voor ? 2 miljoen.
5.3.1.9. Het standpunt van de inspecteur dat *X-a de afboekingen niet in haar fiscale winst heeft opgenomen, is juist.
5.3.1.10. Omstreeks oktober 1994 is een deel van het leverancierskrediet omgezet in leningen.
5.3.2. en door de inspecteur:
5.3.2.1. Zijns inziens heeft belanghebbende haar volledige leverancierskrediet kwijtgescholden. Of dat krediet geheel dan wel voor een gedeelte is kwijtgescholden, is zijns inziens niet van beslissende betekenis.
5.3.2.2. Het leverancierskrediet is renteloos.
5.3.2.3. De door belanghebbende aan *X-a in rekening gebrachte prijzen waren juist.
6. Beoordeling van het geschil
6.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 13b, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, in verbinding met het bepaalde in lid 1 van dat artikel, dient tot de winst van belanghebbende een bedrag te worden gerekend, gelijk aan het bedrag waartoe zij haar vordering op *X-a heeft prijsgegeven, zijnde ƒ 1.195.522,–.
6.2. *X-a is immers een volledige dochter van belanghebbende en tussen partijen is niet meer in geschil dat het prijsgeven door belanghebbende van de vordering niet (geheel of gedeeltelijk) heeft geleid tot belastbare winst bij *X-a. De laatstgenoemde heeft immers ter zake van het prijsgegeven bedrag geen bedrag in haar fiscale jaarstukken verwerkt.
6.3. Niet van belang in dezen is dat de desbetreffende vorderingen onder voorwaarde zijn kwijtgescholden in die zin dat zij herleven bij in voormelde brief van 30 juli 1993 omschreven wijziging van Argentijnse vennootschapsrechtelijke regels.
6.4. Niet aannemelijk is dat belanghebbende in dezen anders dan als aandeelhouder heeft gehandeld. Het primaire standpunt van de inspecteur is dan ook juist.
6.5. Belanghebbendes subsidiaire standpunt dat de kwijtschelding door haar als een informele kapitaalstorting moet worden beschouwd en dat in dit geval de in de jaarrekening opgenomen rente van ƒ 66.216,– over 1993 als dividend van een deelneming moet worden beschouwd en derhalve onder de deelnemingsvrijstelling valt, faalt. De kwijtschelding heeft immers niet onherroepelijk plaatsgevonden, zodat van omzetting van een vordering in kapitaal geen sprake is en reeds daarom geen deelnemingsdividend aangenomen kan worden.
7. Slotsom
7.1. Belanghebbendes beroep is derhalve niet gegrond.
8. Proceskosten
Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het hof geen termen aanwezig.
9. Beslissing
Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de inspecteur.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken te Arnhem op 20 mei 1998 door mr N.E. Haas, raadsheer, als voorzitter, mr Matthijssen en
mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Van der Waerden als griffier.
(A.W.M. van der Waerden) (N.E. Haas)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 27 mei 1998