ECLI:NL:GHARN:1998:AA1300

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
17 maart 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
97/20150
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet op belastingen van rechtsverkeerArt. 3 Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeerArt. 11 Wet Algemene BepalingenArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering teruggaaf overdrachtsbelasting wegens niet-naleving vrijstellingsvoorwaarden

Belanghebbende verkreeg een onroerende zaak bestaande uit een garage met kantoor, showroom en parkeerterrein. Bij de overdracht werd een bedrag aan overdrachtsbelasting voldaan. Belanghebbende verzocht om teruggaaf van dit bedrag op grond van een vrijstelling in artikel 15 van Pro de Wet op belastingen van rechtsverkeer, omdat de onroerende zaak op het moment van overdracht deels was gesloopt.

De inspecteur weigerde teruggaaf te verlenen omdat niet voldaan was aan de formele vereisten, waaronder het ontbreken van een verklaring met de benodigde gegevens voor de vrijstelling zoals voorgeschreven in artikel 3 van Pro het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. Het hof stelde vast dat deze formele voorwaarden niet waren nageleefd, waardoor geen aanspraak op vrijstelling kon worden gemaakt.

Belanghebbende voerde aan dat de vrijstelling wel van toepassing was omdat het onroerend goed een vervaardigd goed was geworden door de sloopwerkzaamheden. Dit betoog werd door het hof verworpen omdat toetsing aan billijkheid of innerlijke waarde van de wet niet tot de taak van het hof behoort. Het hof bevestigde daarom de uitspraak van de inspecteur en wees het beroep af.

Proceskosten werden niet toegewezen omdat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren. De uitspraak werd gedaan door mr N.E. Haas, mr J. Lamens en mr drs F.J.P.M. Haas op 17 maart 1998 te Arnhem.

Uitkomst: Het hof bevestigt de weigering van de inspecteur om teruggaaf van overdrachtsbelasting te verlenen wegens niet-naleving van de formele vrijstellingsvoorwaarden.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
eerst meervoudige belastingkamer
nummer 97/20150
U i t s p r a a k
op het beroep van *X te *Z, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Registratie en successie *P (hierna: de inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het hof
1.1. Ter gelegenheid van de aanbieding van een notariële akte ter registratie is een bedrag van ƒ 100.555,- voldaan ter zake van een door belanghebbende verkregen onroerende zaak.
1.2. Na tegen deze voldoening gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de uitspraak gedaan geen teruggaaf te verlenen.
1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft zijn standpunt ter hierna te noemen zitting nader toegelicht door middel van een pleitnotitie.
1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 17 februari 1998 van het Hof te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord, * belanghebbendes gemachtigde, alsmede * de inspecteur.
2. Feiten
Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet weersproken, de volgende feiten vast:
2.1. Bij akte van 14 juni 1996, verleden omstreeks 9.10 uur, is aan belanghebbende overgedragen door *A BV een garage met kantoor, showroom, parkeerterrein, ondergrond en verder aanbehoren te *Q.
2.2. In de akte noch in een aan de voet van de akte gestelde door de verkrijger of een gemachtigde ondertekende verklaring is een beroep gedaan op de in artikel 15, aanhef en lid 1, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet) voorziene vrijstelling onder opgave van de voor de toepassing van die vrijstelling van belang zijnde gegevens.
2.3. Op 2 april 1996 is aan belanghebbende een bouwvergunning voor het in 2.1. hiervoor genoemde terrein verleend; op 9 juni 1996 is een sloopvergunning verkregen voor op het terrein aanwezige opstallen.
2.4. Het weekrapport voor de werkweek van 10 juni 1996 tot en met 14 juni
1996 van het slopersbedrijf firma *B BV vermeldt als opdrachtgever *X B.V. en bevat voorts de aantekeningen „13/6. container aangevoerd tbv dakbedekking” en „14/6 container aangevoerd tbv dakplaten. container afgevoerd met dakbedekking.”.
2.5. De sloopwerkzaamheden zijn op 13 juni 1996 om 7.00 uur aangevangen. Een deel van de dakbedekking en ongeveer 50 m² van de dakconstructie is op die dag verwijderd en op 14 juni 1996 vóór 9.10 uur nog eens 20 m² van die dakconstructie.
3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht geweigerd heeft teruggaaf te verlenen.
3.2. Belanghebbende is van oordeel dat de overgedragen onroerende zaak op het moment van overdracht door de sloophandelingen een vervaardigd goed betrof waarvan de levering aan omzetbelasting onderworpen is en dat in dat geval de in 2.2. hiervoor genoemde vrijstelling geldt. De inspecteur betwist de juistheid van dit standpunt.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Belanghebbende heeft daaraan ter zitting – naast hetgeen in voornoemde pleitnotitie is vermeld – nog toegevoegd dat met de sloop zo snel mogelijk moest worden begonnen opdat nog tijdens de bouwvakvakantie kon worden geheid.
De inspecteur heeft aangevoerd dat belanghebbende reeds op formele gronden ongelijk heeft.
3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en restitutie van het bedrag aan voldane overdrachtsbelasting. De inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.
4. Beoordeling van het geschil
Formele aspecten
4.1. Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd te kennen gegeven dat belanghebbende ook op formele gronden in het ongelijk moet worden gesteld, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3 van Pro het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. Belanghebbende heeft ook erkend dat aan vorenbedoelde voorwaarden niet is voldaan.
4.2. Vaststaat dat het in artikel 3 van Pro het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer genoemd beroep op de vrijstelling voorzien in artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet en de opgave van de voor de toepassing van de vrijstelling van belang zijnde gegevens niet is geschied. Nu aan deze eis niet is voldaan, bestaat volgens het arrest HR 25 juni 1975, nr. 17.533, BNB 1975/166 geen aanspraak op toepassing van de vrijstelling. Om die reden dient belanghebbende in het ongelijk te worden gesteld. De uitspraak dient te worden bevestigd.
Redelijkheid en billijkheid
4.3. Het staat het Hof volgens artikel 11 van Pro de Wet Algemene Bepalingen niet vrij de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te toetsen. Belanghebbende's ter zitting gehouden betoog kan om die reden geen aanleiding vormen voor een van de besluittekst afwijkende wetstoepassing.
5. Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
6. Beslissing
Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.
Aldus gedaan te Arnhem op 17 maart 1998 door mr N.E. Haas, als voorzitter, mr J. Lamens en mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier.
(J.L.M. Egberts) (N.E. Haas)
De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 maart 1998