ECLI:NL:GHARN:1998:AA1333
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.B.H. Röben
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing overdrachtsbelasting bij verdeling nalatenschap niet van toepassing
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de door hem betaalde overdrachtsbelasting van ƒ 13.686 over een notariële akte van 25 juni 1996, waarin hij de volledige blote eigendom van een onroerende zaak verkreeg. De inspecteur wees het bezwaar af, waarna belanghebbende beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem.
Het hof stelde vast dat de onroerende zaak bij een eerdere akte in 1989 was verdeeld in vruchtgebruik voor de echtgenote en blote eigendom voor de acht kinderen, waaronder belanghebbende. Bij de akte van 1996 verkreeg belanghebbende van zijn broers en zusters hun onverdeelde aandelen blote eigendom tegen betaling. Het geschil betrof de vraag of deze verkrijging overdrachtsbelasting verschuldigd maakte.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 3, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer en bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek deze verdeling van een nalatenschap niet als verkrijging wordt aangemerkt voor de overdrachtsbelasting. Daarom werd de geheven belasting verminderd tot het bedrag dat betrekking had op het zakelijk recht van vruchtgebruik. Tevens werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan belanghebbende vergoed.
De uitspraak bevestigt dat verdelingen binnen een nalatenschap onder algemene titel niet leiden tot overdrachtsbelasting, wat fiscale duidelijkheid biedt voor erfgenamen bij de verdeling van onroerend goed.
Uitkomst: De overdrachtsbelasting wordt verminderd omdat de verkrijging van blote eigendom bij verdeling nalatenschap niet als belastbare verkrijging geldt.