ECLI:NL:GHARN:1998:AA1336
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging indeling in tariefgroep 2 wegens onvoldoende onderhoud studerende dochter
Belanghebbende had in 1995 een inwonende studerende dochter met een netto-inkomen van ƒ 10.871. Zij verstrekte kost en inwoning en betaalde een deel van studiekosten. Belanghebbende vorderde indeling in tariefgroep 4 op grond van het onderhouden van haar dochter.
De Wet op de inkomstenbelasting 1964 bepaalt dat voor tariefgroep 4 alleen belastingplichtigen in aanmerking komen die de alleenstaande-ouderaftrek genieten, welke vereist dat het kind in belangrijke mate door de ouder wordt onderhouden. De uitvoeringsregeling stelt dat dit betekent dat de ouder minimaal ƒ 56 per week bijdraagt aan het onderhoud van het kind.
Het hof oordeelde dat het netto-inkomen van de dochter voldoende was om in haar levensonderhoud te voorzien en dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zij haar dochter met ten minste ƒ 56 per week ondersteunde. De verwijzing naar een eerdere uitspraak was niet relevant omdat die ging over een niet-studerend kind. Daarom is belanghebbende terecht ingedeeld in tariefgroep 2 en is het beroep ongegrond.
Het hof vond geen aanleiding voor een kostenveroordeling en bevestigde de uitspraak van de inspecteur.
Uitkomst: Belanghebbende is terecht ingedeeld in tariefgroep 2 omdat zij haar studerende dochter niet in belangrijke mate heeft onderhouden.