ECLI:NL:GHARN:1999:AA1385

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
21 juli 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98/1900
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenBoek 1, titel 17 Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering aftrek vooruitbetaalde rente op schuld aan dochter

Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor het jaar 1996 rente van schulden opgegeven, waaronder een bedrag aan rente betaald aan zijn dochter op een schuld die hij haar had erkend. Een deel van deze rente was vooruitbetaald, maar de notariële akte bevatte geen bepalingen over vooruitbetaling van rente.

De inspecteur beperkte de aftrek tot het bedrag van de reguliere rente en weigerde de aftrek van de vooruitbetaalde rente. Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat hij zich verplicht had tot vooruitbetaling van rente en dat deze verplichting door zijn dochter was aanvaard. Het hof achtte het aannemelijker dat de betalingen aan de studerende dochter voldeden aan onderhoudsverplichtingen volgens het Burgerlijk Wetboek.

Het hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de beslissing van de inspecteur om de aftrek van vooruitbetaalde rente te weigeren. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de weigering van aftrek van vooruitbetaalde rente en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
zevende enkelvoudige belastingkamer
nr. 98/1900
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende:X
te:Z
ambtenaar:de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren P
aangevallen beslissing:uitspraak op bezwaarschrift tegen aanslag
soort belasting:inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
jaar:1996
mondelinge behandeling:op 7 juli 1999 te Arnhem door mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als grifWer
waarbij verschenen:belanghebbende en zijn gemachtigde alsmede de inspecteur
gronden:
1. In zijn aangifte heeft belanghebbende ƒ 5 185 aan betaalde rente van schulden opgegeven. B?ijkens de toelichtende brief van 22 september 1997 aan de inspecteur bestaat dat bedrag uit
1.1. ƒ 1 145 aan rente die belanghebbende aan zijn op 19 februari 1977 geboren dochter heeft betaald over het bedrag van ƒ 39 119 dat hij haar bij notariële akte van 1 augustus 1996 uit vrijgevigheid schuldig heeft erkend tegen een rente van 7% per jaar die jaarlijks bij achterafbetaling op 31 december moet worden voldaan, en uit
1.2. ‘ƒ 4 000 aan rente vooruitbetaald op basis van het kasstelsel’ ter zake van dezelfde schuldigerkenning.
2. De notariële akte bevat geen bepalingen met betrekking tot de mogelijkheid rente bij vooruitbetaling te voldoen.
3. De inspecteur heeft de aftrekbare rente beperkt tot het onder 1.1 genoemde bedrag. Volgens hem kunnen de overige betalingen (door een kennelijke telfout in de aangifte ten bedrage van ƒ 4 040 in plaats van ƒ 4 000) niet als aftrekbare rente aanvaard.
4. De onder 3 bedoelde betalingen zijn voor een gedeelte groot ƒ 2 683 verricht aan de dochter. Voor het overige heeft belanghebbende de betalingen rechtstreeks aan derden gedaan.
5. Tussen partijen is in geschil of het onder 4 bedoelde bedrag van ƒ 2 683 als (vooruitbetaalde) rente in aftrek mag worden gebracht.
6. Tegenover de betwisting door de inspecteur maakt belanghebbende, op wie in dezen de bewijslast rust, niet aannemelijk dat hij zich vóór de desbetreffende betalingen jegens zijn dochter – al was het slechts mondeling – zou hebben verplicht rente vooruit te betalen en die verplichting door de dochter als zodanig zou zijn aanvaard. Zulks volgt in het bijzonder niet uit het gegeven dat belanghebbende bij de betalingen aan zijn dochter heeft vermeld ‘rente’. Het hof heeft bij zijn oordeel dat belanghebbende niet in het van hem verlangde bewijs is geslaagd met name gelet op de omstandigheid dat belanghebbende op geen enkele wijze heeft aangegeven –
ook niet nadat de inspecteur daarop in het vertoogschrift heeft gewezen – op welke toekomstige perioden de ‘rente’ betrekking zou hebben.
7. Met de inspecteur acht het hof het veeleer aannemelijk dat belanghebbende met de betalingen aan zijn sinds 1995 studerende dochter heeft voldaan aan aan zijn verplichtingen op grond van Boek 1, titel 17 (levensonderhoud), van het Burgerlijk Wetboek.
8. De inspecteur heeft belanghebbende terecht de gevraagde aftrek van rente van schulden geweigerd voor zover deze het voormelde bedrag van ƒ 1 145 te boven gaat.
9. Het beroep is ongegrond.
proceskosten:
Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het hof geen termen aanwezig.
beslissing:
Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de inspecteur.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken te Arnhem op 21 juli 1999 door mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheer, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als grifWer.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier,Het lid van de voormelde kamer,
(W.J.N.M. Snoijink)(F.J.P.M. Haas)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 21 juli 1999