ECLI:NL:GHARN:2000:AA5997

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
15 februari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98-03763
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42a Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aftrek premies risicoverzekering eigen woning inkomstenbelasting 1996

Belanghebbende had ter financiering van zijn eigen woning een hypothecaire geldlening afgesloten en daarbij een risicoverzekering genomen. Hij vorderde aftrek van de betaalde premies in zijn aangifte inkomstenbelasting over 1996.

De Inspecteur van de Belastingdienst weigerde deze aftrek, stellende dat volgens artikel 42a, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 alleen renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen ingevolge erfpacht, opstal of beklemming in aanmerking komen als aftrekposten. Premies voor risicoverzekeringen vallen hier niet onder.

Belanghebbende verwees naar een eerdere uitspraak op bezwaar over 1995 waarin de aftrek wel werd toegestaan. Het hof oordeelde dat deze latere uitspraak op bezwaar geen rechtsgeldig vertrouwen schept voor aftrek in 1996, omdat deze uitspraak pas na de onderhavige zaak werd gedaan.

Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en het hof bevestigde de bestreden uitspraak. Er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat premies voor een risicoverzekering niet aftrekbaar zijn bij de inkomstenbelasting 1996.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
Zevende enkelvoudige belastingkamer
nr. 98/03763
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : X
te : Z
ambtenaar : de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen P
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar tegen de aanslag
soort belasting : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
jaar : 1996
mondelinge behandeling : op 1 februari 2000 te Arnhem door mr. drs. F.J.P.M. Haas, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier
waarbij verschenen : de Inspecteur
waarbij niet verschenen : belanghebbende, hoewel opgeroepen overeenkomstig de wet
gronden:
1. Belanghebbende is ter financiering van zijn eigen woning een hypothecaire geldlening aangegaan. Ter dekking van deze lening heeft hij een risicoverzekering afgesloten.
2. Ingevolge artikel 42a, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (voor zover hier van belang) worden bij het bepalen van de zuivere inkomsten van een eigen woning als kosten, lasten en afschrijvingen uitsluitend in aanmerking genomen renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen ingevolge de rechten van erfpacht, opstal of beklemming.
3. De Inspecteur neemt derhalve terecht het standpunt in dat aftrek van de voor de risicoverzekering betaalde premies niet mogelijk is. Hieraan doet niet af dat het afsluiten van de verzekering deel uitmaakt van de hypothecaire voorwaarden.
4. De omstandigheid dat bij de uitspraak op bezwaar inzake de aan belanghebbende opgelegde aanslag over het jaar 1995 de aftrek van de premies wel is toegestaan, rechtvaardigt in dezen niet een in rechte te honoreren vertrouwen dat die aftrek ook over het onderhavige jaar mogelijk was nu vorenbedoelde uitspraak op bezwaar eerst is gedaan op 16 oktober 1998, derhalve pas nadat op 6 oktober 1998 in de onderhavige zaak uitspraak is gedaan.
5. Het beroep is ongegrond.
proceskosten:
Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het Hof geen termen aanwezig.
beslissing:
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2000 te Arnhem door mr. drs. F.J.P.M. Haas, raadsheer, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van voormelde kamer,
(W.J.N.M. Snoijink) (F.J.P.M. Haas)
Afschriften aangetekend per post verzonden op: 25 februari 2000
Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van het proces-verbaal van deze uitspraak het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Van de verzoeker wordt een griffierecht geheven van ƒ 150,-.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden.