ECLI:NL:GHARN:2000:AE9745

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
7 februari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
2000/067
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Houtman
  • Van Raalte
  • Smeeïng-Van Hees
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 Faillissementswet
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schuldsaneringsregeling wegens schuld uit seksueel misbruik

In deze zaak is appellant X. in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle waarin zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling werd afgewezen. De kern van het geschil betreft een immateriële schadevergoeding van 5.000 gulden die X. aan zijn dochter moet betalen wegens seksueel misbruik.

X. betwist dat hij niet te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan van deze schuld. Hij stelt dat goede trouw beoordeeld moet worden op het moment van het ontstaan van de schuld en dat hij destijds niet bewust een oninbare schuld is aangegaan. Daarnaast wijst hij erop dat deze schuld slechts een klein deel uitmaakt van zijn totale schuldenlast en dat de overige schulden niet te kwader trouw zijn aangegaan.

Het hof oordeelt dat de schuld voortvloeit uit een misdrijf waarvoor X. strafrechtelijk is veroordeeld op 10 december 1998. Hierdoor is hij niet te goeder trouw ten aanzien van het ontstaan van deze schuld. Bovendien zou toewijzing van de schuldsaneringsregeling tot de onwenselijke situatie leiden dat na afloop van de regeling geen betaling meer aan zijn dochter hoeft plaats te vinden. Daarom bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van de schuldsaneringsregeling wegens schuld uit misdrijf.

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem
Arrest
in de zaak van:
X.,
wonende te P.,
appellant,
procureur: mr J.M.J. Huver.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank te Zwolle van 25 januari 2000, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof per fax op 1 februari 2000, is appellant (hierna te noemen: X. ) in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis, waarbij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
2.2 Bij voormeld beroepschrift heeft X. het hof verzocht het bestreden vonnis te vernietigen en de schuldsaneringsregeling definitief op hem van toepassing te verklaren.
2.3 Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken.
2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 februari 2000, waarbij X. is verschenen in persoon, bijgestaan door mr J.J.D. de Leur, advocaat te Zwolle:
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
3.2 X. betwist in hoger beroep dat hij ten aanzien van het ontstaan van de schuld terzake van de immateriële schadevergoeding van f 5.000,-- die hij aan zijn dochter dient te voldoen vanwege sexueel misbruik, niet te goeder trouw is geweest. Hij voert aan dat de goede trouw in de zin van artikel 288 Faillissementswet Pro beoordeeld dient te worden naar het moment van het ontstaan van de schuld en dat hij op het moment van het verrichten van de handelingen waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld, niet willens en wetens een schuld is aangegaan waarvan hij wist dat hij die niet zou kunnen voldoen. Bovendien is X. van mening dat de onderhavige schuld slechts een klein onderdeel van de totale schuldenlast uitmaakt en dat wat betreft de overige aanwezige schulden de rechtbank niet van oordeel is geweest dat deze te kwader trouw zijn aangegaan, zodat het niet redelijk is de toepassing van de schuldsaneringsregeling te weigeren vanwege het bestaan van deze ene schuld uit misdrijf.
3.3 Het hof is van oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. Het hof overweegt daartoe het volgende. Vaststaat dat X.: op 10 december 1998 strafrechtelijk is veroordeeld tot onder meer het betalen van schadevergoeding - in verband met sexueel misbruik - aan zijn dochter. Zijn betoog dat de desbetreffende handelingen mede zijn te wijten aan omstandigheden die hem niet helemaal zijn toe te rekenen, laat onverkort dat hij strafrechtelijk is veroordeeld. De schuld vloeit voort uit een misdrijf zodat X. ten aanzien van het ontstaan van deze schuld niet te goeder trouw is. Daarnaast zou toewijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling tot de in de genoemde omstandigheden onwenselijke consequentie leiden dat er na de looptijd van de schuldsaneringsregeling geen betaling meer aan zijn dochter hoeft plaats te vinden.
De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Zwolle van 25 januari 2000.
Dit arrest is gewezen door mrs Houtman, Van Raalte en Smeeïng-Van Hees, en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2000.