ECLI:NL:GHARN:2001:AB2167
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering boete motorrijtuigenbelasting wegens overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende had een motorrijtuig opgenomen in zijn bedrijfsvoorraad en werd gecontroleerd toen het voertuig zich op een braakliggend perceel bevond zonder handelaarskentekenplaten. De Inspecteur stelde een naheffingsaanslag en boete vast omdat het terrein als een weg werd beschouwd waarop het voertuig zich bevond zonder de vereiste vergunning.
Het geschil betrof de vraag of het terrein als een weg in de zin van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 moest worden aangemerkt. Het hof oordeelde dat het terrein vrij toegankelijk was en als zodanig kwalificeerde als een weg, waardoor de naheffingsaanslag terecht was opgelegd.
De boete werd echter verminderd omdat de behandeling van de zaak bijna 30 maanden na oplegging van de boete plaatsvond, waarbij ruim 24 maanden geen voortgang was geboekt. Dit overschreed de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Gezien het belang van normhandhaving en de geringe ernst van het feit, werd de boete verlaagd van ƒ 816,- naar ƒ 612,-.
Daarnaast werden de proceskosten van belanghebbende toegewezen en het griffierecht aan de Inspecteur vergoed. Tegen de mondelinge uitspraak is geen cassatie mogelijk, maar belanghebbende kan binnen vier weken een schriftelijke uitspraak verzoeken.
Uitkomst: De boete motorrijtuigenbelasting wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl de naheffingsaanslag wordt bevestigd.