ECLI:NL:GHARN:2001:AD7313
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging heffingsrente bij voorlopige aanslag inkomstenbelasting ondanks vertraging door Inspecteur
Belanghebbende kreeg in 1998 twee voorlopige aanslagen inkomstenbelasting opgelegd, die op zijn verzoek tot nihil werden verminderd. In november 1999 legde de Inspecteur een derde voorlopige aanslag op met heffingsrente van f. 5.125. Belanghebbende betwistte de heffingsrente omdat hij zijn aangifte begin maart 1999 had ingediend, maar pas eind september een aanmaning ontving. Hij stelde dat de vertraging aan de Inspecteur te wijten was.
De Inspecteur stelde dat het risico van het niet tijdig ontvangen van de aangifte bij belanghebbende lag, omdat de aangifte niet aangetekend was verzonden. De heffingsrente was volgens de wettelijke bepalingen terecht in rekening gebracht. De Hoge Raad heeft bepaald dat heffingsrente ook verschuldigd is bij vertraging door de Inspecteur, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende geen bijzondere omstandigheden had gesteld of aangetoond die een afwijking van de wettelijke regeling rechtvaardigen. Belanghebbende had zelf verzocht om vermindering van eerdere aanslagen en geen verzoek gedaan om vaststelling van een voorlopige aanslag na ontvangst van de aanmaning. Daarom was de heffingsrente terecht opgelegd.
Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. Het Hof wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de heffingsrente opgelegd bij de voorlopige aanslag en wijst het beroep af.