ECLI:NL:GHARN:2002:AD9870
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aanslag onroerende-zaakbelasting voor verhuurd recreatieappartement
Belanghebbende is eigenaar van een recreatieappartement gelegen op een recreatiepark en heeft een verhuurbemiddelingsovereenkomst gesloten waarbij een beheermaatschappij namens hem huurovereenkomsten met derden sloot. Volgens artikel 220b van de Gemeentewet wordt het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de zaak ter beschikking stelt. Het hof oordeelt dat de eigenaar zelf als gebruiker moet worden aangemerkt, ook al heeft hij zelf geen gebruik van het appartement gemaakt in het betreffende jaar.
Belanghebbende voerde aan dat een vergelijkbaar appartement op hetzelfde complex wel een vermindering van het gebruikersdeel had gekregen. De ambtenaar stelde dat deze vermindering op onjuiste gronden was verleend en dat het een incidenteel geval betrof. Het hof achtte niet aannemelijk dat sprake was van een beleidsmatige begunstiging of een structurele vermindering, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde.
Het hof verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak van het hof bevestigt daarmee de eerdere beslissing van de heffingsambtenaar inzake de aanslag onroerende-zaakbelasting over het jaar 2000.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat belanghebbende als gebruiker wordt aangemerkt en verklaart het beroep ongegrond.