ECLI:NL:GHARN:2002:AE3595

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
18 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00-01378
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging fiscale waardering bedrijfsgedeelte onroerende zaak bij winstbepaling

Belanghebbende exploiteerde samen met zijn echtgenote en schoonmoeder een horeca-onderneming in een pand aan een adres te Q. De onroerende zaak, bestaande uit een bungalow met café, cafetaria, snelbuffet, ondergrond, erf en tuin, werd in 1997 gekocht voor ƒ 475.000. De koopakte bevatte een splitsing van de koopsom in een bungalow met ondergrond (ƒ 275.000), bedrijfsgedeelte met ondergrond (ƒ 150.000) en inventaris (ƒ 50.000).

Belanghebbende stelde dat de splitsing onjuist was en dat de waarde van het bedrijfsgedeelte inclusief ondergrond aanzienlijk hoger was dan ƒ 150.000. Het hof oordeelde echter dat bij de winstbepaling en de berekening van afschrijving en investeringsaftrek moet worden uitgegaan van de splitsing zoals vastgelegd in de koopakte, conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.

De omstandigheden dat de splitsing door verkopers als voorwaarde was gesteld, dat belanghebbende de fiscale consequenties niet had overzien, en zijn betwisting van de waarde, konden niet leiden tot afwijking van de feitelijke koopsomverdeling. Het hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de inspecteur. Er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de fiscale waardering van het bedrijfsgedeelte zoals vastgelegd in de koopakte en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
Zevende enkelvoudige belastingkamer
nr. 00/01378
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : X
te : Z
ambtenaar : de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen P
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar tegen aanslag
belasting : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
aanslagnummer : 1.H.86
jaar : 1998
mondelinge behandeling : op 18 april 2002 te Arnhem
waarbij verschenen : belanghebbendes gemachtigde alsmede de inspecteur
gronden:
1. Belanghebbende exploiteerde in het onderhavige jaar samen met zijn echtgenote en schoonmoeder in verband van een vennootschap onder firma een horeca-onderneming.
2. De onderneming wordt gedreven vanuit het bedrijfsgedeelte van een onroerende zaak gelegen aan de a-weg 8 te Q. De zaak bestaat uit een bungalow met café, cafetaria en snelbuffet, ondergrond, erf en tuin, en is blijkens een schriftelijk vastgelegde koopovereenkomst van 12 september 1997 door belanghebbende en de beide andere firmanten met inventaris gekocht voor ƒ 475.000. De akte van levering is gepasseerd op 30 december 1997.
3. Volgens artikel 17 van Pro de koopakte hebben de partijen bij de koopovereenkomst de koopsom onderverdeeld als volgt:
- bungalow met ondergrond ƒ 275.000
- bedrijfsgedeelte met ondergrond ƒ 150.000
- inventaris ƒ 50.000
4. Kopers en verkopers van de onroerende zaak stemmen blijkens de koopakte in met de daarin neergelegde splitsing van de koopsom. Belanghebbende heeft niet gesteld dat de partijen bij de koop in werkelijkheid iets anders zijn overeengekomen dan is neergelegd in meergemeld artikel 17. Voor het vaststellen van hetgeen is overeengekomen komt geen betekenis toe aan de omstandigheid dat belanghebbende de splitsing onjuist acht (Hoge Raad, 3 januari 1996, nr. 30 890, BNB 1996/110).
5. Bij het bepalen van de winst en in het bijzonder bij het berekenen van de afschrijving op het bedrijfsgedeelte van de onroerende zaak en van de investeringsaftrek moet dan ook - zoals de inspecteur verdedigt - worden uitgegaan van de splitsing van de koopsom zoals die is neergelegd in artikel 17 van Pro de koopakte.
6. De omstandigheden dat de splitsing van de koopsom in de akte door de verkopers als voorwaarde is gesteld, dat belanghebbende de fiscale consequenties daarvan niet heeft overzien, en dat hij (op goede gronden) verdedigt dat de waarde van het bedrijfsgedeelte inclusief ondergrond aanzienlijk meer bedraagt dan ƒ 150.000, kunnen er niet toe leiden dat bij het bepalen van de winst afgeweken wordt van hetgeen daadwerkelijk voor dat bedrijfsgedeelte is betaald.
proceskosten:
Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vindt het hof geen termen aanwezig.
beslissing:
Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de inspecteur.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2002 te Arnhem door mr. drs. F.J.P.M. Haas, raadsheer, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van voormelde kamer,
(W.J.N.M. Snoijink) (F.J.P.M. Haas)
Afschriften aangetekend per post verzonden op 22 april 2002
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.