ECLI:NL:GHARN:2004:AO5109
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- F.J.P.M. Haas
- N.E. Haas
- W.M.G. Visser
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering toepassing artikel 18 Wet inkomstenbelasting 1964 bij omzetting onderneming
Belanghebbende was firmant in een vennootschap onder firma (VOF) en wilde zijn onderneming per 1 januari 2000 inbrengen in een besloten vennootschap (BV) met toepassing van artikel 18 Wet Pro IB 1964. Na het sluiten van een voorovereenkomst en intentieverklaring werd belanghebbendes deelname aan de VOF beëindigd door uittreding per 29 december 2000. De onderneming werd vervolgens door de overige firmanten overgenomen.
Belanghebbende verzocht de Inspecteur om toepassing van artikel 18 Wet Pro IB 1964, dat een geruisloze omzetting van de onderneming mogelijk maakt, maar de Inspecteur wees dit verzoek af. Het geschil betrof de vraag of de onderneming feitelijk was ingebracht in de BV. Het Hof stelde vast dat op het moment van oprichting van de BV de onderneming reeds was vervreemd aan derden, zodat geen sprake was van daadwerkelijke inbreng.
Het Hof benadrukte dat artikel 18 Wet Pro IB 1964 vereist dat de onderneming in haar geheel wordt ingebracht in de BV en dat tussentijdse overdracht aan derden dit uitsluit. De door belanghebbende voorgestelde fiscale interpretatie van het inbrengmoment werd verworpen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de Inspecteur's weigering bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de weigering van toepassing van artikel 18 Wet IB 1964 door de Inspecteur bevestigd.