ECLI:NL:GHARN:2004:AO7447

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
18 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03-01241
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.M. van Amsterdam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Verordening parkeerbelasting Lelystad 2001Art. 1 Verordening parkeerbelasting Lelystad 2001Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens stilzetten voertuig voor telefoongesprek

Belanghebbende zette zijn voertuig op 9 april 2003 stil op een invalidenparkeerplaats om een telefoongesprek te voeren, zonder over een invalidenparkeerkaart te beschikken. Na verzoek van controleurs reed hij weg en zette zijn auto opnieuw stil op een betaald parkeerterrein zonder een parkeerkaartje te kopen. De naheffingsaanslag werd opgelegd wegens het stilzetten van het voertuig zonder geldige vergunning.

Het Hof oordeelde dat het stilzetten van het voertuig gedurende een aaneengesloten periode zonder onmiddellijk in- of uitstappen of laden en lossen, zoals bedoeld in de Verordening parkeerbelasting Lelystad 2001, een belastbaar feit vormt. Dat de motor stationair draaide en er vrije parkeerplaatsen waren, deed niet af aan het oordeel. Ook de intentie van belanghebbende om alleen veilig te bellen was onvoldoende om de naheffingsaanslag te verwerpen.

Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard. Er waren geen omstandigheden die tot een ander oordeel leidden en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd mondeling gedaan op 18 maart 2004 en is niet vatbaar voor beroep in cassatie.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag parkeerbelasting bevestigd.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
negende enkelvoudige belastingkamer
nummer 03/01241 (parkeerheffing)
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : [X]
te : [Z]
verweerder : het Hoofd van de Belastingen en Kassier van de gemeente Lelystad (hierna: de Ambtenaar)
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar
betreft : naheffingsaanslag parkeerheffing (hierna: de naheffingsaanslag)
nummer : [01 en 02]
mondelinge behandeling : op 20 februari 2004 te Arnhem
waarbij verschenen : [de Ambtenaar]
waarbij niet verschenen : belanghebbende, hoewel overeenkomstig de wet opgeroepen
gronden:
1. Op woensdag 9 april 2003 rond 16.58 uur heeft belanghebbende zijn auto van het merk Mercedes met kenteken [11-AA-22] in Lelystad stilgezet op een invaliden parkeerplaats, teneinde een telefoongesprek te voeren met een mobiele telefoon. Belanghebbende beschikt niet over een invalidenparkeerkaart, zodat twee controleurs van de gemeente belanghebbende hebben verzocht om verder te rijden.
Belanghebbende is vervolgens weggereden en heeft zijn auto nogmaals stilgezet op een nabijgelegen parkeervak van betaald parkeren teneinde zijn telefoongesprek te kunnen afronden. Belanghebbende heeft voor het stil staan op deze parkeerplaats geen parkeerkaartje gekocht.
Na een verzoek daartoe door een controleur van de gemeente is belanghebbende vervolgens weggereden.
2. Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op een parkeervak van betaald parkeren zonder zich te voorzien van een parkeerkaartje, een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 43,75.
3. Artikel 2 van Pro de Verordening parkeerbelasting Lelystad 2001 (hierna: de Verordening) bepaalt onder meer dat onder de naam “parkeerbelastingen” een belasting wordt geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeesters en wethouders, te bepalen plaats, tijdstip en wijze.
4. Artikel 1, onder a, van de Verordening bepaalt dat voor de toepassing van deze verordening onder parkeren wordt verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar vervoer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorstel is verboden.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende zijn voertuig gedurende een zekere aaneengesloten periode heeft stil gezet voor het voeren van een telefoongesprek, zonder dat sprake is van het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, zodat het Hof de Ambtenaar volgt in zijn oordeel dat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.
De omstandigheden dat belanghebbende tijdens het telefoongesprek de motor van het voertuig stationair heeft laten draaien en er op dat ogenblik meerdere parkeerplaatsen vrij waren, doen aan dat oordeel niet af.
De omstandigheid dat belanghebbende (zoals hij in zijn beroepschrift formuleert) niet de bedoeling had te parkeren maar alleen op veilige wijze zijn telefoongesprek wilde voeren en afronden, doet aan dat oordeel evenmin af nu het op bovenomschreven wijze stil zetten van een voertuig op grond van de Verordening een belastbaar feit oplevert en van een verkeersgevaarlijke situatie die belanghebbende noopte om op deze plaats te stoppen - nog afgezien van de mogelijkheid om bij optredend gevaar geheel af te zien van het voeren van een telefoongesprek - niets is gebleken.
6. Overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die het Hof tot een ander oordeel leiden.
7. Belanghebbendes beroep is ongegrond.
proceskosten:
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
beslissing:
Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2004 door mr. drs. A.M. van Amsterdam, lid van de negende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Gankema als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van de voormelde kamer,
(J.J. Gankema) (A.M. van Amsterdam)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 maart 2004
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.