Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto op 7 april 2022 kortstondig stil stond zonder dat er parkeerbelasting was betaald of een vergunning was aangemeld. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van parkeren omdat de auto minder dan een minuut stilstond en de bestuurder in de auto bleef zitten.
De heffingsambtenaar ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Het geschil draaide om de vraag of het kortstondig stilzetten van een voertuig zonder verlaten van het voertuig als parkeren moet worden aangemerkt volgens de gemeentelijke verordening en de Gemeentewet.
Het hof overwoog dat parkeren wordt gedefinieerd als het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan voor onmiddellijk in- of uitstappen of laden en lossen. Ook kortstondig stilstaan zonder deze uitzonderingen valt onder parkeren. De rechtbank had dit onjuist beoordeeld. Het hof bevestigde dat het niet aan de rechter is om de definitie van parkeren anders te interpreteren dan wettelijk is vastgelegd.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de naheffingsaanslag bevestigd. Er werden geen proceskosten toegekend.