ECLI:NL:GHARN:2004:AO8186
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.B.H. Roben
- C.M. Ettema
- W.A.P. Nieuwenhuizen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek voorbelasting bij levering nieuw bedrijfspand en gemengd gebruik
In deze zaak stond de aftrek van omzetbelasting over het jaar 2000 centraal, waarbij een nieuw vervaardigd bedrijfspand in september 2000 werd geleverd aan belanghebbende, maar pas op 1 januari 2001 in gebruik werd genomen. Volgens artikel 15, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 moet de aftrek in het jaar van levering plaatsvinden op basis van de vermoedelijke bestemming van het pand.
Belanghebbende stelde dat het pand gemengd werd gebruikt voor zowel belaste als vrijgestelde prestaties, en dat de aftrek van voorbelasting moest worden berekend op basis van het werkelijke gebruik. Het hof oordeelde echter dat belanghebbende niet overtuigend had bewezen dat het werkelijke gebruik afweek van de geschatte omzetverhouding van 25% belast en 75% vrijgesteld. Daarbij werd meegewogen dat belaste prestaties ook deels buiten het pand konden plaatsvinden.
De verdediging voerde aan dat een lichtere bewijslast gold en verwees naar artikel 13 van Pro de Uitvoeringsbeschikking, maar het hof verwierp dit standpunt omdat dit artikel alleen ziet op herziening na ingebruikneming en niet op de aftrek in het jaar van levering.
Subsidiair stelde belanghebbende dat de aftrek kon worden herrekend op basis van de achteraf vastgestelde omzetverhouding, maar het hof wees dit af omdat herrekening pas mogelijk is vanaf het moment van ingebruikneming, dat wil zeggen vanaf 1 januari 2001.
Het hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de naheffingsaanslag omzetbelasting over 2000, zonder kostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting over 2000 wordt ongegrond verklaard.