ECLI:NL:GHARN:2004:AR4566
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Hooft Graafland
- Wesseling-Lubberink
- Van Ginhoven
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verbeurde dwangsom bij verkoop en levering echtelijke woning na echtscheiding
Partijen waren gehuwd en gezamenlijk eigenaar van een woning. Na hun echtscheiding werd de vrouw veroordeeld om medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, met een dwangsom van f 1.000,- per dag tot een maximum van f 50.000,- bij niet-naleving. De vrouw weigerde aanvankelijk medewerking te verlenen, waarna de woning uiteindelijk werd verkocht en geleverd.
De man vorderde betaling van de maximale dwangsom wegens vermeende niet-medewerking. De rechtbank oordeelde dat de vrouw de dwangsom had verbeurd en veroordeelde haar tot betaling. De vrouw ging in hoger beroep en stelde onder meer dat de dwangsom was verjaard en dat zij niet de vereiste medewerking had geweigerd.
Het hof oordeelde dat de dwangsom inderdaad was verjaard voor zover deze vóór april 2001 was verbeurd en dat er onvoldoende bewijs was dat de vrouw daarna niet had meegewerkt. Ook was geen dwangsom verbeurd voor de overdracht van de woning, omdat de vrouw werd vertegenwoordigd door een dwangvertegenwoordiger. Het hof vernietigde het vonnis voor zover het de dwangsom betrof, wees de reconventionele vorderingen af en veroordeelde de man tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen met rente.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis voor zover de dwangsom betreft, wijst de reconventionele vorderingen af en veroordeelt de man tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen met rente.