ECLI:NL:GHARN:2004:AR4846
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over emigratieheffing en EG-verdrag bij fictieve vervreemding aanmerkelijkbelang
Belanghebbende, die in 1997 Nederland verliet en zich in Engeland vestigde, kreeg een conserverende aanslag opgelegd op fictieve vervreemdingswinst uit aanmerkelijkbelangaandelen. Hij stelde dat deze aanslag en de daaraan verbonden zekerheidsstelling in strijd zijn met het EG-Verdrag, met name de artikelen 18 en 43, omdat zij een belemmering vormen voor de vestigingsvrijheid.
De Inspecteur betwistte het beroep op het EG-Verdrag, verwijzend naar de Werner-doctrine en stelde dat het opleggen van de aanslag geen ontoelaatbare belemmering vormt. Het Hof oordeelde dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Engeland een economische activiteit ontplooit, maar dat het moment van vestiging relevant is voor het toepassingsbereik van artikel 43 EG Pro.
Het Hof constateerde dat het opleggen van de aanslag een belemmering vormt en dat het onduidelijk is of die belemmering rechtvaardig is. Ook stelde het Hof vragen over de toetsing ex tunc of ex nunc van de zekerheidstelling en de gevolgen van het vrijgeven daarvan. Daarom legde het Hof meerdere prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en schortte het de procedure op.
Uitkomst: Procedure geschorst en prejudiciële vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.