ECLI:NL:GHARN:2004:AR5676
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens niet-drukkende verhuiskosten
Belanghebbende had in zijn aangifte inkomstenbelasting 1997 een bedrag van ƒ 12.000 aan aftrekbare verhuiskosten opgevoerd. De Inspecteur stelde vragen over een eventuele vergoeding door de werkgever, waarop belanghebbende verklaarde dat de werkgever de rekening rechtstreeks aan de verhuizer had betaald en geen verdere vergoeding had gegeven. De Inspecteur liet de aftrek toe bij de primitieve aanslag.
Later kwam via een kredietaanvraag en een document van een bank naar voren dat belanghebbende wel degelijk een verhuiskostenvergoeding van zijn werkgever had ontvangen. De Inspecteur legde daarop een navorderingsaanslag op. Belanghebbende betwistte dit, stellende dat de vergoeding betrekking had op kosten van woningaanschaf en dat hij hierover belasting had betaald.
Het Hof oordeelde dat de navordering binnen de wettelijke termijn was vastgesteld en dat de Inspecteur geen ambtelijk verzuim had gepleegd. Verder achtte het Hof aannemelijk dat de werkgever naast de vergoeding voor woningaanschaf ook een vergoeding voor verhuiskosten had verstrekt. Belanghebbende had onvoldoende bewijs geleverd om dit te betwisten. Daarom was de navorderingsaanslag terecht opgelegd.
Het Hof wees het beroep van belanghebbende af en veroordeelde hem niet in proceskosten.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de navorderingsaanslag omdat de verhuiskostenaftrek ten onrechte werd toegepast door de vergoeding van de werkgever.