4.1. Het Hof volgt partijen in hun nader eensluidende opvatting dat het bezwaar, als voldoende gemotiveerd, alsnog ontvankelijk moet worden verklaard.
4.2. Zoals volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 20 december 1978, nr. 18 960 (BNB 1979/111*), en 6 oktober 1993, nr. 28 752 (BNB 1995/99c*), maakt de vermelding van het tijdvak van naheffing op het aanslagbiljet hiervan een zo wezenlijk onderdeel uit, dat niet kan worden toegestaan dat belasting, verschuldigd wegens feiten gelegen buiten dat tijdvak, in de naheffingsaanslag worden begrepen, en is dit slechts anders indien de op het aanslagbiljet voorkomende vermelding van het tijdvak van naheffing op een duidelijke, ook voor de belastingplichtige kenbare, vergissing berust.
4.3. De naheffingsaanslag vermeldt in het geheel geen tijdvak van naheffing.
4.4. De aanhef luidt:
Op 28 november 1997 heeft u van de douanepost [Z] onder kenmerk [D.01] een naheffingsaanslag accijns ontvangen ten bedrage van ƒ 44 752,–. Deze naheffingsaanslag is opgemaakt naar aanleiding van het voorlopige rapport van de F.I.O.D van 11 november 1997. De F.I.O.D. heeft inmiddels het onderzoek definitief afgerond. Uit het onderzoek is gebleken dat u meer accijnsgoederen in andere Lidstaten heeft gekocht , zonder de in Nederland verschuldigde accijns te voldoen, dan waarvan in het voorlopige rapport is uitgegaan. Ik heb daarom besloten over het meerdere een naheffingsaanslag op te leggen.
4.5. De bedoelde rapporten van de FIOD maken deel uit van de gedingstukken in de na verwijzing gelijktijdig behandelde beroepszaak (hofkenmerk 03/00420) betreffende de onder 4.4 kennelijk bedoelde naheffingsaanslag, die is opgelegd met kenmerk [D.01]. De directeur van de voormelde eenheid van de Belastingdienst heeft niet eerder dan bij brief van 4 december 2000 aan het Openbaar Ministerie, Fraude-unit Oost, verzocht om in een fiscale procedure gebruik te mogen maken van het proces-verbaal alsmede het aanvullend proces-verbaal met dossiernummer 97/912 tegen belanghebbende. In de desbetreffende brief van de directeur is voorts onder meer vermeld:
Aan belanghebbende zijn naheffingsaanslagen accijns opgelegd op basis van de in dit opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen en aangetroffen facturen. Voor de onderbouwing van de naheffing accijns en de daarbij opgelegde verhoging ter zitting zijn deze onderdelen van het PV onontbeerlijk.
Op 20 december 2000 heeft de Inspecteur aan de voorzitter van de belastingkamer van het gerechtshof te Leeuwarden, naar aanleiding van de op 7 december 2000 gehouden mondelinge behandeling aldaar, de opgevraagde FIOD-rapporten, alsook overzichten en kopieen van rekeningen en facturen toegezonden. Daarbij gevoegd is het op de voormelde brief van 4 december 2000 gestelde antwoord waarbij de gevraagde toestemming is verleend, ‘waaruit blijkt dat toestemming voor het inzage geven in de stukken pas recentelijk door de OvJ is gegeven.’
4.6. Uit een en ander moet worden opgemaakt dat ook belanghebbende niet vóór 4 december 2000 – en derhalve eerst ruim twee jaren na het opleggen van de onderwerpelijke naheffingsaanslag – kennis heeft kunnen nemen van het voorlopige FIOD-rapport.
4.7. In dit geval is dan ook geen sprake van een situatie die op één lijn zou zijn te stellen met de uitzondering waarop de hiervoor onder 4.2 aangehaalde arresten het oog hebben.