ECLI:NL:GHARN:2005:AT8715
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.P.M. Kooijmans
- J. Lamens
- P.F. Goes
- Rechtspraak.nl
Toepassing stakingslijfrentepremieaftrek bij overdracht onderneming aan BV
Belanghebbende, een longarts, bracht zijn praktijk per 1 januari 1997 in een BV in waarvan hij directeur en enig aandeelhouder werd. In 1999 sloot hij met de BV een overeenkomst tot stakingswinstlijfrente, waarbij een lijfrente werd bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van zijn onderneming. De Inspecteur legde een aanslag op waarbij de lijfrentepremie niet in aftrek werd gebracht, omdat de koopsom van de lijfrente was voldaan via een geldlening en niet door inbreng van de onderneming.
Belanghebbende stelde dat het afsluiten van een lijfrente-overeenkomst met de BV in oprichting niet mogelijk was en dat de lijfrentepremie ook door verrekening in rekening-courant of geldlening mocht worden voldaan. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de lijfrente was bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van de onderneming, zoals vereist in artikel 45, zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Het Hof stelde vast dat er een voldoende causaal verband bestond tussen de overdracht van de onderneming en de lijfrenteovereenkomst, mede omdat de lijfrente in het kalenderjaar van oprichting van de BV was bedongen en de oprichtingsakte dit expliciet mogelijk maakte. Het Hof verwierp de stelling van de Inspecteur dat de lijfrentepremie alleen via inbreng van vermogensbestanddelen mocht worden voldaan en oordeelde dat ook betaling via geldlening toelaatbaar was.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur, verminderde de aanslag tot het door belanghebbende opgegeven belastbare inkomen en veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan op 17 mei 2005 door het Gerechtshof Arnhem.
Uitkomst: Het Gerechtshof vernietigde de aanslag en kende de stakingslijfrentepremieaftrek toe aan belanghebbende.