ECLI:NL:GHARN:2005:AU6638
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rijken
- Groen
- Korthals Altes
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake bewijslastverdeling bij overeenkomst van opdracht over geldafdracht
In deze civiele zaak stond de bewijslastverdeling centraal bij een geschil over de afdracht van geldbedragen door appellant aan geïntimeerde in het kader van een overeenkomst van opdracht. Appellant voerde aan dat de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro moest gelden, waarbij geïntimeerde als eiser de bewijslast draagt dat de bedragen niet zijn afgedragen. Het hof stelde echter vast dat volgens artikel 7:403 lid 2 BW Pro de opdrachtnemer moet verantwoording afleggen over de ontvangen en uitgegeven gelden.
Appellant stelde dat het redelijk en billijk zou zijn om van de hoofdregel af te wijken vanwege bewijsnood en twijfels over de geloofwaardigheid van geïntimeerde, onder meer vanwege een eerdere vermindering van de vordering en tegenstrijdige verklaringen over de bouwkosten van een schuur. Het hof oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende aannemelijk waren en dat appellant zijn stellingen onvoldoende had onderbouwd met stukken of omstandigheden.
Verder stelde het hof vast dat appellant niet voldoende had betwist dat hij niet de volledige administratie had verstrekt en dat geïntimeerde pas uit bankinformatie op de hoogte was gekomen van contante opnamen. De familierelatie en vertrouwelijkheid van afspraken tussen partijen waren geen reden om van de bewijslastregels af te wijken.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Zutphen en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep. Tevens werd appellant toegestaan tussentijds cassatie in te stellen en werd de zaak ter verdere afdoening naar de rechtbank verwezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af met kostenveroordeling van appellant.