ECLI:NL:GHARN:2005:AV0173
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling teruggaaf omzetbelasting na prijsvermindering en faillissement
Belanghebbende heeft een verzoek ingediend tot teruggaaf van omzetbelasting over de jaren 1997 en 1998, nadat zij facturen met omzetbelasting aan D III BV had uitgereikt. Deze vennootschap en haar voorgangers waren failliet verklaard, waarna belanghebbende een creditfactuur uitreikte en een teruggaafverzoek indiende. De Inspecteur wees het verzoek af, wat leidde tot bezwaar en beroep bij het Hof.
Het geschil betrof de vraag of belanghebbende op grond van artikel 29 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968, in samenhang met artikel 11, C, eerste lid, van de Zesde richtlijn, recht had op teruggaaf van omzetbelasting wegens prijsvermindering of niet-betaling. Belanghebbende stelde dat zij de vordering had prijsgegeven en daardoor recht had op teruggaaf.
Het Hof oordeelde dat het recht op teruggaaf ontstaat op het moment dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat betaling achterwege blijft, en dat dit moment in dit geval al vóór het tijdvak van het teruggaafverzoek lag. De creditfactuur uit 2001 was een formeel herstel en geen nieuwe prijsvermindering. Ook werd geoordeeld dat de prijsvermindering niet ziet op niet-betaling of teruggaaf van reeds betaalde omzetbelasting, maar op de geleverde prestatie zelf.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot teruggaaf bevestigd. Er werden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot teruggaaf omzetbelasting bevestigd.