ECLI:NL:GHARN:2006:AV6382
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Gebruik van valse ondermaatschapsovereenkomst leidt tot terecht opgelegde vergrijpboete
Belanghebbende, een huisarts, voerde in zijn aangifte inkomstenbelasting 1998 een ondermaatschap met zijn echtgenote op die volgens hem reeds op 5 januari 1998 bestond. Tijdens een boekenonderzoek werden twee verschillende maatschapsovereenkomsten gevonden, waarvan één met een datum in 1998 die niet geregistreerd was en vermoedelijk valselijk was opgesteld.
De Inspecteur legde een aanslag en een vergrijpboete op wegens opzettelijk onjuiste aangifte, omdat de ondermaatschap volgens het Hof niet eerder dan 1999 was overeengekomen. Het Hof achtte het gebruik van de tweede overeenkomst, die terugwerkende kracht gaf aan 1998, onrechtmatig en concludeerde dat belanghebbende bewust een onjuiste aangifte had gedaan.
Het Hof oordeelde dat het mandaatvoorschrift niet was overschreden bij het opleggen van de boete en dat de boete passend was, maar verlaagde deze met 10% vanwege de termijn tussen de aankondiging en de uitspraak. Daarnaast werd belanghebbende in de kosten van bezwaar en beroep veroordeeld. Het beroep tegen de heffingsrente werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: De vergrijpboete wordt verminderd tot €9.000 en de Inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten; beroep tegen heffingsrente niet-ontvankelijk.