ECLI:NL:GHARN:2006:AY8154
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.B.H. Röben
- N.E. Haas
- Matthijssen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag vermogensbelasting over verzwegen Duits bankvermogen
Belanghebbende, samen met zijn echtgenote exploitant van een horecabedrijf, kreeg een navorderingsaanslag vermogensbelasting opgelegd wegens het niet opgeven van een Duitse bankrekening in 1992. De Inspecteur baseerde zich op gegevens verkregen via internationale gegevensuitwisseling en stelde een draaiboek op voor het Project Buitenlands Vermogen.
Belanghebbende voerde onder meer aan dat de navorderingstermijn van twaalf jaar in strijd was met het EG-Verdrag, dat sprake was van vrijwillige verbetering, en dat de boete onterecht was opgelegd wegens schending van het gelijkheidsbeginsel en artikel 6 EVRM Pro. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur tijdig op de hoogte was van het buitenlandse vermogen en dat de navorderingstermijn gerechtvaardigd en proportioneel was.
Verder werd geoordeeld dat geen sprake was van vrijwillige verbetering omdat belanghebbende wist dat de Inspecteur op de hoogte was van het verzwegen vermogen. Ook werd de boete terecht opgelegd en was er geen schending van het gelijkheidsbeginsel of artikel 6 EVRM Pro. De berekening van de navorderingsaanslag en heffingsrente werd als aannemelijk en juist beschouwd.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag inclusief verhoging en rente bevestigd. De Inspecteur hoefde het volledige draaiboek niet te overleggen vanwege het belang van de belastingdienststrategie. De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof Arnhem op 29 augustus 2006.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1992 inclusief verhoging en heffingsrente en verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.