ECLI:NL:PHR:2008:BB5868
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over geheimhouding en inzagerecht in fiscale navorderingsaanslagen en boetezaken
Deze zaak betreft de beoordeling door de Hoge Raad van diverse rechtsvragen rondom navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting, opgelegd aan een belanghebbende die vermogen in het buitenland had. Centraal staat de toepassing van de artikelen 8:29 en 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betreffende het inzagerecht en de geheimhouding van stukken die op de zaak betrekking hebben.
De Inspecteur had navorderingsaanslagen opgelegd met verhogingen wegens het niet tijdig verstrekken van gegevens over buitenlands vermogen. De belanghebbende betwistte onder meer de hoogte van de aanslagen, de rechtmatigheid van de navorderingstermijn en de toepassing van het gelijkheidsbeginsel. Tevens werd het geschil gevoerd over de geheimhouding van het zogenoemde draaiboek van de Belastingdienst, dat de controle- en strategieprocedures bevat.
De Hoge Raad overweegt uitgebreid over de reikwijdte van het begrip "op de zaak betrekking hebbende stukken" en de uitzonderingen daarop op grond van gewichtige redenen ex art. 8:29 Awb Pro. Tevens wordt ingegaan op de verhouding tussen het nationale bestuursrecht en de waarborgen van art. 6 EVRM Pro, met name het recht op een eerlijk proces en het verbod op verplichte zelfincriminatie. De conclusie is dat de geheimhouding slechts is toegestaan bij gewichtige redenen, dat de rechter kennis moet nemen van de geheime stukken om een belangenafweging te kunnen maken, en dat het recht op inzage niet absoluut is maar zorgvuldig moet worden afgewogen tegen andere belangen zoals privacy en effectieve rechtshandhaving.
De zaak bevat ook een uitvoerige bespreking van jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over non-disclosure in strafzaken en de toepassing daarvan in het fiscale bestuursrecht. De Hoge Raad bevestigt dat fiscale boetes onder het strafrechtelijke beschermingsregime van art. 6 EVRM Pro vallen, maar dat de waarborgen naar zwaarte kunnen verschillen afhankelijk van de aard en ernst van de sanctie.
Ten slotte wordt het belang van transparantie en hoor en wederhoor benadrukt, waarbij het bestuursorgaan slechts in uitzonderlijke gevallen stukken mag achterhouden en de rechter de uiteindelijke bewaker is van het evenwicht tussen geheimhouding en het recht op een eerlijk proces.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis en verwijst de zaak voor hernieuwde behandeling terug wegens onjuiste toepassing van art. 8:29 en 8:42 Awb en onvoldoende motivering omtrent geheimhouding.