ECLI:NL:GHARN:2006:BC6137
Gerechtshof Arnhem
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Vergoeding kosten rechtsbijstand na vrijspraak zonder strafoplegging
Verzoeker werd bij arrest van het hof vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, waardoor de zaak eindigde zonder oplegging van straf of maatregel. Op grond van artikel 591a Sv diende verzoeker een verzoek in tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De kosten in eerste aanleg waren vooraf betaald door de vakbond van verzoeker op basis van een schriftelijke afspraak, waarbij vergoeding afhankelijk was van het eindresultaat van de zaak.
De raadsvrouw stelde dat er een aanvullende afspraak bestond dat bij vrijspraak een hogere vergoeding op kantoortarief zou worden toegekend, maar deze afspraak kon niet schriftelijk worden onderbouwd. Het hof oordeelde dat dergelijke afspraken tijdig schriftelijk moeten worden vastgelegd en achtte het bestaan onvoldoende aannemelijk. Daarom werden alleen de aan de vakbond verzonden declaraties in aanmerking genomen.
Het hof beoordeelde de gedeclareerde uren als bovenmatig en paste het beleid toe dat reistijd slechts voor de helft wordt vergoed. Desondanks zag het hof af van verlaging vanwege het gematigde uurtarief. Uiteindelijk werd een vergoeding van €6.778,12 voor eerste aanleg en €3.010,70 voor hoger beroep toegekend, plus €540 voor de kosten van het verzoekschrift. Het totaalbedrag van €10.328,82 werd uit de Rijkskas toegekend en overgemaakt aan de Stichting Beheer Derdengelden.
Uitkomst: Het hof kent een vergoeding van €10.328,82 toe voor kosten rechtsbijstand na vrijspraak zonder strafoplegging.