ECLI:NL:GHARN:2006:BC7387

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
20 maart 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AVNR 9330
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Wet op de RechtsbijstandArt. 89 Wetboek van StrafvorderingArt. 591a Wetboek van StrafvorderingArt. 9a Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vergoeding kosten raadsvrouw in strafvorderlijke procedure wegens onmogelijkheid voorwaardelijke toevoeging

Verzoeker, vrijgesproken in een strafzaak, diende een verzoek in tot vergoeding van de kosten van zijn raadsvrouw voor de behandeling van een verzoek ex artikel 89 Sv Pro. De Raad voor Rechtsbijstand had ten onrechte een voorwaardelijke toevoeging verleend, terwijl volgens de wetsgeschiedenis van de Wet op de Rechtsbijstand een voorwaardelijke toevoeging niet van toepassing is op strafzaken.

Het hof oordeelde dat verzoeker, gezien het feit dat hij aan de voorwaarden voldoet, als definitief toevoegingsgerechtigd moet worden beschouwd. Hierdoor zijn de kosten van de raadsvrouw voor het verzoek ex artikel 89 Sv Pro niet aan te merken als kosten van een raadsman in de zin van artikel 591a Sv.

Daarom wees het hof het verzoek tot vergoeding van deze kosten af. De beslissing werd genomen na openbare raadkamerzittingen en na kennisname van de conclusie van de advocaat-generaal en overige processtukken.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsvrouw af omdat een voorwaardelijke toevoeging in strafzaken niet mogelijk is.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
zitting houdende te
Arnhem
Pkn: 21-002831-04
Avnr: 9330
Het hof heeft gezien het op 11 april 2005 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van:
[naam verzoeker],
geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen verzoeker,
ingediend door mr. [naam raadsvrouw], advocaat te [plaatsnaam], strekkende tot toekenning van een vergoeding ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering voor de kosten van de raadsvrouw ter zake van de indiening en behandeling van een verzoekschrift ex artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 7 november 2005 en 20 februari 2006 de advocaat-generaal en verzoeker, bijgestaan door mr. [naam raadsvrouw] voornoemd.
Het hof heeft kennis genomen van de overige zich in het procesdossier bevindende stukken, waaronder de conclusie van de advocaat-generaal.
OVERWEGINGEN
1. Bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van het hof van 17 december 2004 is verzoeker vrijgesproken van het hem telastegelegde. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
2. Het verzoekschrift is tijdig ingediend en is in zoverre ontvankelijk.
3. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot een getrapte beslissing, in die zin dat eerst op het verzoek ex artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering wordt beslist, vervolgens de beslissing van de Raad voor Rechtsbijstand met betrekking tot de voorwaardelijke toevoeging wordt afgewacht en daarna op het verzoek om vergoeding van de kosten van de raadsvrouw wordt beslist.
4. De raadsvrouw heeft onder verwijzing naar de voorwaardelijke toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand ter zake van het verzoek ex artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering en naar het - bij toepassing van het gebruikelijke tarief per dag voor dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht - te verwachten bedrag de verwachting uitgesproken dat de voorwaardelijke toevoeging zal worden ingetrokken, maar tevens aangevoerd dat de Raad voor Rechtsbijstand daarover eerst na de uitspraak van het hof zal beslissen en daarom gepersisteerd bij het verzoek.
5. Blijkens de overgelegde beslissing van de Raad voor Rechtsbijstand te Amsterdam d.d. 17 maart 2005 is de voorwaardelijke toevoeging verleend:
“omdat de rechtsbijstand betrekking heeft op een aanmerkelijk belang. De Raad voor de Rechtsbijstand verleent geen definitieve toevoeging, indien na beëindiging van de zaak de financiële draagkracht zodanig is, dat deze de bij en krachtens artikel 34 van Pro de Wrb gestelde grenzen overschrijdt. (artikel 31, lid 1 en 2, Wet op de Rechtsbijstand)”.
6. Op grond van de wetsgeschiedenis van de Wet op de rechtsbijstand moet het ervoor worden gehouden dat artikel 31 van Pro die wet, waarin de voorwaardelijke toevoeging wordt geregeld, geen betrekking heeft op strafzaken (vgl. HR 15 juni 2004, NJ 2005, 5). Een voorwaardelijke toevoeging in strafzaken is dus niet mogelijk. Het verzoek ex artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering heeft betrekking op een strafzaak en is een strafvorderlijke procedure. Dat betekent dat de Raad voor de Rechtsbijstand ter zake van dat verzoek ten onrechte een voorwaardelijke toevoeging heeft afgegeven. Nu verzoeker kennelijk voldoet aan de voorwaarden om voor toevoeging in aanmerking te komen, moet het ervoor worden gehouden dat aan verzoeker een definitieve toevoeging is verstrekt. Dat leidt tot de conclusie dat in dit geval de kosten van de raadsvrouw voor de indiening en behandeling van het verzoek ex artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering niet als ‘kosten van een raadsman’ in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering zijn aan te merken. Het hof zal daarom het verzoek tot vergoeding van die kosten afwijzen.
BESCHIKKENDE
Het hof:
- Wijst het verzoek af;
Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mr. E.A.K.G. Ruys, voorzitter,
in tegenwoordigheid van B.J. Berendsen, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 20 maart 2006.