ECLI:NL:GHARN:2007:BB1961

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
13 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-00404
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 21a BeroepswetArt. 23 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof voorziet in leemte wet proceskostenvergoeding bij intrekking hoger beroep door bestuursorgaan

Het Gerechtshof Arnhem behandelde een zaak waarin de heffingsambtenaar van de gemeente Ubbergen hoger beroep had ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank, maar dit beroep later introk. Belanghebbende had vervolgens incidenteel hoger beroep ingesteld, dat eveneens werd ingetrokken. Belanghebbende verzocht om vergoeding van de proceskosten die hij had moeten maken voor het voeren van verweer in het principale hoger beroep.

Het hof constateerde dat het fiscale procesrecht geen expliciete regeling bevat voor proceskostenvergoeding bij intrekking van hoger beroep door een bestuursorgaan. Wel zijn dergelijke regelingen opgenomen in andere wetten zoals de Beroepswet, de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, de Wet op de Raad van State en de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Daarnaast is in een voorontwerp voor een wetswijziging een vergelijkbare regeling opgenomen.

Het hof vulde de wettelijke leemte aan door overeenkomstig deze bepalingen en anticiperend op toekomstige wetgeving de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten werden vastgesteld op €322, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd in het openbaar gedaan en partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot cassatie.

Uitkomst: De heffingsambtenaar van de gemeente Ubbergen is veroordeeld tot vergoeding van €322 aan proceskosten aan belanghebbende.

Uitspraak

Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM
Sector belasting
nummer 06/00404
eerste meervoudige belastingkamer
op het verzoek van
X te Z (hierna: belanghebbende)
tot een veroordeling van de heffingsambtenaar van de gemeente Ubbergen (hierna: de Ambte-naar) in de proceskosten.
1. Verzoek en geding voor het hof
1.1. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 18 oktober 2006, bij het Hof ingekomen op 19 oktober 2006, hoger beroep ingesteld tegen de (verbeterde) uitspraak van de rechtbank te Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 21 december 2005. De Rechtbank heeft de verbeterde uitspraak op 22 september 2006 aan partijen toegezonden.
1.2. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Bij zijn verweerschrift heeft belangheb-bende tevens (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.3. Bij brief van 20 december 2006 heeft de Ambtenaar het principale hoger beroep ingetrokken. In reactie hierop heeft belanghebbende, bij brief van zijn gemachtigde van 13 februari 2007, het incidentele hoger beroep eveneens ingetrokken. In die brief heeft belanghebbende verzocht de Ambtenaar te veroordelen in de kosten gemaakt voor het voeren van verweer in het principale hoger beroep. De Ambtenaar heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, op dit verzoek gerea-geerd.
1.4. Partijen hebben erin toegestemd dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens op de voet van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onder-zoek gesloten.
2. Beoordeling van het verzoek
2.1. Het fiscale procesrecht voorziet niet in een wettelijke regeling op grond waarvan een bestuursorgaan dat hoger beroep heeft ingesteld en dat beroep weer intrekt, kan worden veroor-deeld in de kosten van de wederpartij. De artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, op grond waarvan in hoger beroep een proceskostenveroordeling kan worden uitgesproken, zien immers op andere situaties dan hier aan de orde.
2.2. In de artikelen 21a van de Beroepswet, 23 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfs-organisatie, 39a van de Wet op de Raad van State en, voor het beroep in cassatie in belastingza-ken, 29f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) heeft de wetgever voor die situatie wel voorzien in een wettelijke regeling.
2.3. Artikel 21a, eerste lid, van de Beroepswet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“In geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan kan het bestuurs-orgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepas-sing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de kosten worden veroor-deeld. (…)”
Artikel 23, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie en 39a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State zijn gelijkluidend hieraan.
2.4. Artikel 29f, eerste lid, van de AWR luidt als volgt:
“In geval van intrekking van het beroep in cassatie door Onze Minister, kan Onze Minis-ter op verzoek van de belanghebbende bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de kosten worden ver-oordeeld.”
2.5. In het voorontwerp voor een Wet aanpassing bestuursprocesrecht is een bepaling opgeno-men die voorziet in een wettelijke regeling voor de onderhavige situatie. Deze bepaling zal ook gelden voor hoger beroep in belastingzaken. Deze voorgestelde bepaling luidt als volgt:
“Artikel 8:103
1. In geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan kan het be-stuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 in Pro de kosten worden veroordeeld.
(…)”
2.6. Bij de invoering van de belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties heeft wetgever niet voorzien in een dergelijke bepaling in hoger beroep. Het Hof houdt het, gelet op de hiervoor onder 2.2 tot en met 2.5 vermelde bepalingen, ervoor dat de wetgever wel voor ogen heeft ge-staan bij intrekking van het hoger beroep door een bestuursorgaan de mogelijkheid te bieden op verzoek van een belanghebbende het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak met overeenkom-stige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten te veroordelen.
2.7. Het Hof zal, gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, in de in overweging 2.1. geconsta-teerde leemte voorzien en overeenkomstig de voormelde artikelen uit de Beroepswet, de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, de Wet op de Raad van de State en de AWR alsmede anticiperend op een toekomstig artikel 8:103 van Pro de Awb, de Ambtenaar veroordelen in de pro-ceskosten die belanghebbende in redelijkheid heeft moeten maken voor het voeren van verweer in het principale beroep.
2.8. De voor een veroordeling in aanmerking komende kosten berekent het Hof met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht op 1 (proceshandeling) maal € 322 maal 1 (gewicht) is € 322 voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
3. Beslissing
Het Gerechtshof veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 322 te vergoeden door de gemeente Ubbergen.
Aldus gedaan te Arnhem op door mrs. Den Ouden, voorzitter, Röben en Van de Merwe. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in te-genwoordigheid van drs. Woeltjes als griffier.
(V.F.R. Woeltjes) (R. den Ouden)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
postbus 20303, 2500 EH Den Haag
(bezoekadres: Kazernestraat 52).
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.