ECLI:NL:GHARN:2007:BB7523
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- J. Lamens
- J.A. Monsma
- J. van de Merwe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging heffingsrente ondanks vertraging oplegging definitieve aanslag inkomstenbelasting 2003
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de in rekening gebrachte heffingsrente over het jaar 2003, omdat de definitieve aanslag pas op 15 april 2005 werd opgelegd, terwijl de aangifte op 1 juli 2004 was ingediend. Hij stelde dat de heffingsrente slechts verschuldigd zou zijn tot 1 oktober 2004, rekening houdend met een redelijke termijn van drie maanden voor het opleggen van een aanslag.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof Arnhem bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. Het hof overwoog dat de wettelijke bepaling in artikel 30f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen duidelijk voorschrijft dat heffingsrente wordt berekend vanaf de dag na het einde van het belastingtijdvak tot de dag van het aanslagbiljet, zonder ruimte voor matiging vanwege vertraging.
Het hof verwees naar de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de belastingdienst ernaar streeft binnen drie maanden een aanslag vast te stellen, maar dat dit beleidsmatig is en geen grond biedt voor het beperken van heffingsrente. Belanghebbendes stelling dat de termijn onredelijk lang was, werd niet aannemelijk geacht. De heffingsrente werd dan ook terecht in rekening gebracht over de volledige periode.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de heffingsrente terecht is berekend over de volledige periode ondanks de vertraging in oplegging van de definitieve aanslag.