ECLI:NL:GHARN:2007:BB8547
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van heffingsrente bij voorlopige aanslag ondanks verzoek tot aanpassing
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2004 meerdere voorlopige aanslagen opgelegd met verschillende belastbare inkomens. Na een verzoek van belanghebbende tot een nadere voorlopige aanslag van €115.000, legde de Inspecteur een voorlopige aanslag op die dit verzoek niet volledig weerspiegelde. Belanghebbende betaalde het bedrag, maar stelde dat de heffingsrente onterecht was opgelegd vanwege vertraging door de Belastingdienst.
De Inspecteur handhaafde de heffingsrente, waarop belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde. Zowel de Rechtbank als het Gerechtshof verklaarden het beroep ongegrond. Het Hof oordeelde dat het verzoek van belanghebbende niet binnen drie maanden correct was verwerkt, maar dat belanghebbende ook geen hernieuwd verzoek had ingediend toen duidelijk werd dat de aanslag niet aan zijn verzoek voldeed.
Het Hof verwierp het beroep op het Besluit van de Staatssecretaris en het gelijkheidsbeginsel, omdat geen sprake was van een aan de Belastingdienst toe te rekenen vertraging. Ook het beroep op het arrest van de Hoge Raad uit 2001 werd afgewezen. Het Hof concludeerde dat de heffingsrente terecht en correct was berekend en opgelegd, en bevestigde daarmee de uitspraak van de Rechtbank.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de heffingsrente terecht is opgelegd en verklaart het hoger beroep ongegrond.